Sunny side up
Mocht u zo langzamerhand van het tegendeel overtuigd zijn geraakt: wonen in Amerika heeft ook leuke kanten. Zo hebben ze hier ontzettend lekkere augurken. Boeken zijn spotgoedkoop, en in de boekwinkel mag je net zo lang zitten lezen als je wilt, aan een tafeltje, met koffie erbij.
Ook barst het hier van de mooie natuur. Bossen, watervallen, sneeuwlandschappen zoveel je maar op kunt, alles goed bereikbaar met brede wegen waar niemand roekeloos rijdt, zodat je op je gemak om je heen kunt kijken. En als je moe wordt kun je zomaar een hotel binnenstappen, en dan krijg je direct tegen een schappelijke vergoeding een ruime, comfortabele kamer, met bedden waar je hele gezin in past, en een ijsblokjesmachine. Vaak is er zelfs een hartveroverend keukentje bij.
Als je hier een paar keer op reis bent geweest, voel je je overal thuis, want in dit land zijn de restaurants en hotels overal hetzelfde. Dat is wel een beetje saai, maar het heeft ook iets geruststellends. In zo’n restaurant krijg je trouwens binnen vijf minuten alles wat je besteld hebt, en dat is handig als je hongerige kinderen bij je hebt. Bovendien geeft de ober ze kleurpotloden om die luttele tijdspanne te overbruggen, en als ze jarig zijn een kaarsje of vuurwerkje op hun toetje. Het leven is makkelijk, in Amerika. Maar het leukste is nog dat alles wat je ooit in films gezien hebt, hier ter plekke bevestigd wordt. Er is niets heerlijkers dan, in een cafetaria bij zo’n hardboiled serveerster ‘two eggs, sunny side up’ te bestellen, of aan de bar een ‘vodka martini, straight up with an olive’, in de wetenschap dat honderden acteurs je zijn voorgegaan. En dat die martini ongeveer vier Hollandse borrels behelst, en dat er inderdaad een reuzenolijf aan een stokje in zit. En dat pick-ups écht vaak voorzien zijn van een hond met zijn tong uit zijn bek, en een dikke man achter het stuur met een pakje Marlboro in zijn t-shirtmouw gerold.
Sterker nog, laatst zag ik een mooie jonge pizzabezorger met een sigaret achter zijn oor. Ook fijn is dat de krantenjongen de Washington Post geheel volgens het cliché vanaf de straat je voortuin in zwiept, dat honden hier inderdaad blaffen naar de postbode, dat de brievenbusjes inderdaad een vlaggetje hebben dat rechtop staat als de post bezorgd is, dat de ziekenauto’s net zo’n geluid maken als in er, de schoolbussen van het zonnigste geel ter wereld zijn en de brandweerauto’s van het gloeiendste rood, met veel glimmend gepoetst chroom. Het zou me niets verbazen als de eerstehulpartsen daadwerkelijk stand clear roepen als ze een hartpatiënt met schokapparatuur proberen te reanimeren, maar daar ben ik helaas nog nooit bij geweest.
Ook heb ik nog steeds geen erotische betrekkingen met Amerikanen aangeknoopt, dus of ze werkelijk ‘Your place or mine?’ vragen, daarover ben ik voorlopig in het ongewisse. Voorts zou ik graag eens ‘Go ahead, punk, make my day’ tegen een schurk zeggen, maar tot dusver heeft niemand mij dusdanig bedreigend aangesproken dat een dergelijke repliek gerechtvaardigd zou zijn. Wel heb ik, kort na aankomst, een prima huis geweigerd te huren, omdat het aan Elm Street stond. De associaties met horrormoorden in kelders waren te opdringerig, ook al door dat omineuze witte punthekje rond het perceel.
Mijn dochter is pas elf, maar ik heb haar voor de zekerheid toch vast verboden met eventuele vriendjes te neuken op de eventuele achterbank van een eventuele auto, dit in verband met naderbij sluipende hologige kettingzaagzombies. Maar voor buitenaardse wezens ben ik helemaal niet bang. Met een metalig stemmetje, waar zelfs de modernste techniek het Beverly Hills-accent niet helemaal uit heeft weten te slijpen, zullen ze midden in de nacht bliepen: ‘Take-me-to-your-leader.’ Nou, dan doe ik dat gewoon. De president woont hier immers vlakbij. En de president, dat weet iedereen, slaapt nóóit. Er kan ons dus niets overkomen.