Kunst
Het leven is onrechtvaardig. Mensen beoordelen je niet op steekhoudende criteria als gastvrijheid of naastenliefde, maar op grond van de dingen die er bij je thuis aan de muur hangen.
Neem nu de wereldberoemde foto van die elf mannen die op een steiger tussen de wolkenkrabbers zitten te schaften, New York, jaren dertig. Dat is een mooie plaat, zeker. Die moet je een keer voor het eerst gezien hebben toen je een jaar of acht was, en daarbij gedacht hebben: goh, die zou ik best boven mijn bed willen hebben hangen. En daarna moet je die plaat nog een paar honderd keer op diverse locaties gezien hebben (kapper, wachtkamer tandarts) en dan moet die aandrang om hem boven je bed te hebben hangen gestaag zijn afgenomen, en uiteindelijk hoort zich een krachtige weerzin van je meester te maken als je hem ergens aan de muur ziet, behalve misschien als dat in de slaapkamer van een achtjarige is.
Hetzelfde geldt voor Jugendstil-absintreclames, dat bruggetje van Manet (of Monet of een andere pointillist/impressionist), ijsberen met een klein ijsbeertje op hun rug, pinguïns met een babypinguïn tussen hun flapvoetjes, alles van Van Gogh, Uncle Sam (I want you for u.s. Army), die matroos die dat meisje kust op Times Square, dat jongetje met die twee flessen wijn in Parijs, wat-dan-ook met Audrey Hepburn, dat Afghaanse World Press Photo-vluchtelingenkampmeisje met die rare lichte ogen, om nog maar te zwijgen van dieren die petjes of zonnebrillen op hebben, soft-focusmonochromen van mooie jonge mensen in zorgvuldig gemutileerd spijkergoed aan wie je kunt zien dat ze net geneukt hebben en het zo wéér gaan doen, premature baby’s in een rode kool, en ‘nighthawks’ van Edward Hopper.
Tenminste, dat vind ík. Huisgenoot P. vindt dat Hopper wél aan de muur kan. Sterker nog, hij hing hem eigenhandig op – waarbij ik hem na moet geven dat het hier geen ingelijste poster uit de ingelijsteposterwinkel betrof, maar een uit de krant gescheurde foto, met korrelige reepjes plakband. Het was een daad van wanhoop, want we wonen hier nu al bijna een halfjaar en de muren zijn nog steeds kaal, onder andere omdat wij zo onzeker en verdeeld zijn over wat er nu eigenlijk aan een muur mag en moet hangen. P. pleit voor een naakte meid van Modigliani, u weet wel, met zo’n langgerekt lijzig smoelwerk als al die Modigliani-trutten hebben. Ik kan dat mens niet uitstaan, maar ik moet toegeven dat ze goed bij het kleed kleurt.
Échte, hedendaagse kunst aan je muur hangen is trouwens óók heel erg, vooral als je er telkens bij vertelt dat je de kunstenaar persoonlijk kent. Kindertekeningen dan? Nee, zeker niet als het kind in kwestie intussen al lang uit huis is en in een grote stad op een klein kamertje woont met absintreclames en Hopper aan de muren.
Zelf heb ik een zwak voor negentiende-eeuwse medische platen, bijvoorbeeld met gevarieerde bulten en abcessen, de finesses van een schedellichting of leverbiopsie, of een overzicht van de gevolgen van syfilis in kleur. Maar daar liggen de kinderen zo wakker van. Ook fijn zijn metershoge Sovjet-instructieprenten uit de Koude Oorlog, waarop je kunt zien hoe je in geval van een nucleaire aanval een hoop ellende kunt voorkomen door een vochtige zakdoek voor je gezicht te binden, je sokken in je broekspijpen te stoppen en te schuilen onder je bureau. Of wervingsposters voor de Wehrmacht.
Maar waaróm vind ik dat? Is dat niet gewoon omdat ik een zielige snob ben die zich zo nodig een mening moet aanmatigen over mensen die liever tegen iets anders aankijken? En is mijn hang naar koekoeksklokken eigenlijk niet van eenzelfde ‘kijk-mij-eens-ben-ik-geen-gek-mens’-ijselijkheid als die vrouwen die hun fiets versieren met een heleboel kleurige plastic bloemen en een mandje van Kitsch Kitchen? Ik ben bang van wel. Dus nu weet ik het echt niet meer.
Eigenlijk is zo’n ijsbeer met een klein ijsbeertje op zijn rug toch wel heel erg lief.