Skype
Het leuke van een ambulante levenswijze is dat je over de hele wereld vrienden maakt. Het nadeel is dat een groot deel van die vrienden zich dus meestal elders bevindt. Als zo’n vriend dan bijvoorbeeld doodgaat, moet je snel naar hem toe vliegen. Een lange, doorwaakte nacht probeer je je verdriet weg te zuipen, gezeten tussen een zuchtende zwarte non uit Kenia en een Japanner met een pornografisch tijdschrift op schoot, je koffer vol zinloze geschenken in de kille buik van de Boeing. Op zo’n moment vervloek je die neiging om telkens te verhuizen – en dat deed ik dus, huilend boven een puddinkje dat even schraal en geel was als mijn vriend, van wie ik enkele uren later nog net afscheid kon nemen. Zoiets gaat niet per telefoon, al was het alleen al omdat huilen nu eenmaal erg onhandig klinkt over een intercontinentale lijn vol echo’s. Niet dat ik het nooit geprobeerd heb.
Toen ik, een jaar of vijftien geleden, in Moskou woonde, was het heel wat als je met Nederland wou praten. Je moest dan bellen naar de centrale, om bij een tegenstribbelende dragonder ‘met spoed’ een gesprek aan te vragen. Als het een beetje meezat kreeg je enkele uren later verbinding. Dat wil zeggen: een vage, klonterige ruis, waarin je na enige oefening de stem van de gewenste persoon meende te herkennen. Meestal bleek er trouwens een woedende Turkmeen of Bulgaar uit bed te zijn gebeld, maar soms ging het goed, en als je dan heel hard schreeuwde, kon je wel wat belangrijke informatie uitwisselen, waarbij de fijnere nuances van gevoelens als verdriet, liefde en dergelijke bij het heen en weer brullen grotendeels verloren gingen. Als je het gesprek desondanks langer dan drie minuten volhield, kwam de telefoniste krakend tussenbeide, met de vraag ‘of ik wel besefte wat dit gesprek ging kosten’. Zes gulden per minuut.
Vaak denk ik tegenwoordig terug aan die barre tijden, als ik op mijn computer het icoontje van Skype zie dansen. Daaronder zitten mijn vrienden, handig alfabetisch gerangschikt. Ik hoef er maar een aan te klikken en hij verschijnt op het scherm, waarna we elkaar zonder oponthoud live in beeld kunnen voorzien van de geniepigste roddels. Mijn Russische vriendin Masja toonde mij luttele uren na de geboorte haar gloednieuwe zoontje, waarna wij, zij in Moskou en ik in Washington, de wodkafles grepen en elkaar via het scherm langdurig en luid zingend toeklonken. In het begin voel je je wat onwennig, maar dat gaat gauw over. Omdat zo’n beeldgesprek bovendien gratis is, vergeet ik vaak na gedane zaken de verbinding te verbreken. Zo vroeg ik me laatst af wat dat rare suizende geluid toch was, dat al een tijdje uit mijn werkkamer kwam. Het bleek de schoonmoeder van een vriend in Novosibirsk te zijn, die aan het stofzuigen was.
Huisgenoot P. vond nog een handige toepassing van Skype: hij zette mijn jongste zoontje en zijn al even nietig vriendinnetje in de tuin in het plonsbadje, plaatste de laptop ernaast op een stoel en liet zijn moeder vanuit haar keuken in Heemstede een oogje in het zeil houden terwijl hij zijn bezigheden elders voortzette. Het was natuurlijk jammer geweest als oma haar kleinkind live duizenden kilometers verderop had moeten zien verzuipen, maar technisch was het een vondst.
Ook de erotische mogelijkheden van Skype zijn interessant, al mag u de details zelf erbij bedenken. Het probleem hierbij is vooral het tijdsverschil. Als iemand in Amsterdam tegen middernacht het door drank en drugs geschraagde plan opvat om mij eens gezellig mee te sleuren in zijn geile spelletjes, sta ik meestal nog tamelijk nuchter gehakt te braden, niet helemaal voorbereid op de grillen van zo’n paars aangelopen woesteling. Ook de kinderen schrikken er vaak een beetje van.
Met mijn vriend die nu dood is, had ik trouwens beslist geen dergelijke verhouding. Hij had zelfs geen Skype. Hij was meer een man van wit linnen pakken. En dat gaat niet samen met Skype, al kan ik niet helemaal uitleggen waarom.