Aap

Er zijn een hoop leuke dingen maar het allerleukste is toch wel een bezoek aan de dierentuin. Vooral zo’n ouderwetse, waar de kooien voorzien zijn van heftige smeedijzerconstructies en zijn vormgegeven in de sfeer van het thuisland der bewoners. De kamelen wonen dus in Moorse paleizen, de leeuwen in een kleine savanne met Afrikaanse hutjes, de olifanten sjokken rond een miniatuur Taj Mahal, dat werk. Je ziet het in dierentuinen over de hele wereld, vooral als ze uit de negentiende eeuw stammen.

Van die dieren hoefde het waarschijnlijk allemaal niet, maar in die dagen hadden dieren over het algemeen niets in de melk te brokkelen. Mensen trouwens ook niet. Zo kreeg de Antwerpse Zoo in 1845 van een scheepskapitein een tienjarige negerjongen aangeboden, met de verzekering dat hij retour kon worden gezonden indien hij ‘te wild’ zou blijken. Dat viel blijkbaar reuze mee: ‘Jefke van den Zooölogie’, zoals de Antwerpenaars de jongen algauw noemden, mocht vrij door de dierentuin rondlopen. Hij schopte het later zelfs tot portier en trouwde met een Antwerps meisje. De bruiloftstaart was voorzien van een bruidegom van chocola en een bruid van wit suikergoed, maar dit geheel terzijde.

Tegenwoordig houden dierentuinen er humanere opvattingen op na. Ze bouwen verantwoorde dierenverblijven, waarin de bewoners zich desgewenst kunnen afzonderen. Dat doen ze dan ook voortdurend, en dus krijg je op een slechte dag zowat niemand te zien. Vooral panda’s doen vaak ontzettend moeilijk. Ze beseffen waarschijnlijk dat ze zeldzaam zijn, en zijn daar blasé van geworden. De mensen komen tóch wel. Maar van zeeleeuwen bijvoorbeeld zijn er een hele hoop, en die sloven zich dan ook enorm uit met driekleurige strandballen op hun neus en haringen uit de lucht happen, omdat er anders geen hond komt kijken.

De Washingtonse Zoo heeft trouwens drie panda’s, waarvan er twee zoals gebruikelijk dusdanig inert zijn dat ik er niet zeker van ben dat ze niet zijn opgezet. Maar de derde vormt een uitzondering. Tian Tian heet hij, en hij is voor een panda opmerkelijk gezellig. Pront rechtop zit hij op zijn dikke pandakont, trekt met zijn zwarte handjes de bladeren van bamboestruiken en propt die hoorbaar smakkend in zijn grijnzende bek. Tussendoor staat hij af en toe op om een log maar charmant dansje te maken, en af en toe lijkt hij zelfs naar de mensenmenigte te zwaaien, waarbij een gejuich opgaat als in een voetbalstadion bij een doelpunt. Blijkens de bijgaande pandapartituur betekent Tian Tian ‘more and more’. Dat is een idiote naam voor een panda – voor wie dan ook, trouwens.

Het wordt nog vreemder, want ik herinner me opeens dat er in Berlijn geruime tijd geleden een panda woonde die óók Tian Tian heette, welke naam door de Duitsers op hun beurt vertaald werd als ‘Himmelchen’. Ik zal niet rusten voor ik dit tot op de bodem heb uitgezocht.

Als je kinderen hebt, ontkom je niet aan de apen. Zelf heb ik het daar niet zo op. De baby’tjes zijn wel lief, maar vooral die grote, diep bedroefde orang-oetans zijn tot op het merg deprimerend. En die andere, met hun vieze roze billen, zijn ronduit obsceen. Maar mijn zoontjes zijn er niet bij weg te slaan. Laatst ook weer. Al een halfuur stonden we bij de apenrots naar het geklauter, geslinger en gesmijt met schillen te kijken toen een van die beesten zijn geslacht ter hand nam en daar lustig aan begon te sjorren. Daar kun je op wachten, want zo zíjn apen. Mensen trouwens ook, maar die doen het althans niet in het openbaar, zo druk ik mijn zoontjes regelmatig op het hart. Met puilende ogen keek mijn oudste naar de rukkende aap, en riep vervolgens woedend: ‘Hé! Waarom mag hij dat wél?’ Voor de zoveelste keer moest ik het antwoord schuldig blijven.

Ik verzin dit niet
x97890295756761.xhtml
x97890295756762.xhtml
x97890295756763.xhtml
x97890295756764.xhtml
x97890295756765.xhtml
x97890295756766.xhtml
x97890295756767.xhtml
x97890295756768.xhtml
x97890295756769.xhtml
x978902957567610.xhtml
x978902957567611.xhtml
x978902957567612.xhtml
x978902957567613.xhtml
x978902957567614.xhtml
x978902957567615.xhtml
x978902957567616.xhtml
x978902957567617.xhtml
x978902957567618.xhtml
x978902957567619.xhtml
x978902957567620.xhtml
x978902957567621.xhtml
x978902957567622.xhtml
x978902957567623.xhtml
x978902957567624.xhtml
x978902957567625.xhtml
x978902957567626.xhtml
x978902957567627.xhtml
x978902957567628.xhtml
x978902957567629.xhtml
x978902957567630.xhtml
x978902957567631.xhtml
x978902957567632.xhtml
x978902957567633.xhtml
x978902957567634.xhtml
x978902957567635.xhtml
x978902957567636.xhtml
x978902957567637.xhtml
x978902957567638.xhtml
x978902957567639.xhtml
x978902957567640.xhtml
x978902957567641.xhtml
x978902957567642.xhtml
x978902957567643.xhtml
x978902957567644.xhtml
x978902957567645.xhtml
x978902957567646.xhtml
x978902957567647.xhtml
x978902957567648.xhtml
x978902957567649.xhtml
x978902957567650.xhtml
x978902957567651.xhtml
x978902957567652.xhtml
x978902957567653.xhtml
x978902957567654.xhtml
x978902957567655.xhtml
x978902957567656.xhtml
x978902957567657.xhtml
x978902957567658.xhtml
x978902957567659.xhtml
x978902957567660.xhtml
x978902957567661.xhtml
x978902957567662.xhtml
x978902957567663.xhtml
x978902957567664.xhtml
x978902957567665.xhtml
x978902957567666.xhtml
x978902957567667.xhtml
x978902957567668.xhtml
x978902957567669.xhtml
x978902957567670.xhtml
x978902957567671.xhtml
x978902957567672.xhtml
x978902957567673.xhtml
x978902957567674.xhtml
x978902957567675.xhtml
x978902957567676.xhtml
x978902957567677.xhtml
x978902957567678.xhtml
x978902957567679.xhtml
x978902957567680.xhtml
x978902957567681.xhtml
x978902957567682.xhtml
x978902957567683.xhtml
x978902957567684.xhtml
x978902957567685.xhtml
x978902957567686.xhtml
x978902957567687.xhtml
x978902957567688.xhtml
x978902957567689.xhtml
x978902957567690.xhtml
x978902957567691.xhtml
x978902957567692.xhtml
x978902957567693.xhtml
x978902957567694.xhtml
x978902957567695.xhtml
x978902957567696.xhtml
x978902957567697.xhtml
x978902957567698.xhtml