Hoofdstuk 2
Het schepsel zat weggedoken achter een stenen schoorsteen en keek hoe een spreukbeeld in volle vaart de binnenplaats overstak.
Uit de snelheid waarmee het spreukbeeld zich verplaatste leidde hij af dat zijn energetische taal enorm krachtig moest zijn. Uit de vreemde koers begreep hij dat de basistekst ernstig in de war was geraakt. Alleen een krachtige kakograaf kon zoiets bewerkstelligen. ‘Dat betekent dat mijn jongen op dit moment in de bibliotheek is,’ mompelde het schepsel, starend naar de Boekenstapel. Hij had de schaduw van zijn prooi voor een raam zien staan; in het spoor van oplichtende alinea’s dat het spreukbeeld achterliet, was alleen zijn silhouet zichtbaar geweest.
Plotseling werd de stilte verbroken door een scherpe knal.
Het schepsel draaide zich om en zag een zilveren bewakersspreuk achter een toren vandaan schieten. De vliegende spreuk was in Magnus geschreven en had daarom invloed op de fysieke wereld. Belangrijker nog, de vurige zinnen leken zo geconstrueerd dat ze een mens konden opblazen tot er een hoopje botten en verdampt bloed overbleef.
De spreuk vloog rakelings langs zijn hoofd. Hij dook weg en rolde van het leistenen dak af. Er klonk een klap. Pijnlijke naaldjes prikten in zijn rug. De Magnusspreuk had ongetwijfeld de schoorsteen verbrijzeld.
In de dakrand ging het schepsel op zijn hurken zitten. Drie meter verder zag hij een steunbeer van een ander gebouw. Hij keek over zijn schouder, maar zag nergens de bewakersspreuk die hem met de Magnusaanval had bestookt. Dat betekende dat hij geen gevaar liep, want bewakersspreuken waren in de lucht vrij traag. Daarentegen waren ze razendsnel op binnenplaatsen en in gangen, waardoor ze konden verhinderen dat hij de jongen bereikte. ‘Dus ik moet ze verslaan,’ bromde hij. Met een krachtige sprong vloog hij door de lucht, waardoor zijn witte gewaad opbolde. Even later landde hij op de boog van de steunbeer. Behoedzaam liep hij naar een dak dat aansloot op een van de vele aquaducten die Sterrenstee doorkruisten. Toen hij zag dat er geen water in stond, klom hij in het aquaduct en rende hij oostwaarts.
De drie manen stonden bijna vol en helder aan de hemel. Ze beschenen de vele torens en bruggen van Sterrenstee vanuit verschillende hoe-ken, waardoor de lagere regionen een doolhof van elkaar overlappende schaduwen werd.
In hun arrogantie beschouwden de magiërs Sterrenstee als hun eigen academie. In werkelijkheid was de oude stad nog door het Chtonische volk gebouwd, ver voordat de mens ook maar één voetstap op dit continent had gezet. Hoewel de magiërs heel Sterrenstee als hun bezit zagen, bewoonden ze er slechts eenderde van, het meest westelijke gedeelte van de stad.
De route die het schepsel nam, leidde hem weg van de onbewoonde gebouwen. Er stonden daar donkere torens en ingestorte huizen. Tussen de straatstenen groeide weelderig onkruid.
Hij wachtte totdat het verlaten gebouw galmde van de zware voetstappen van de bewakersspreuken. Daarna rende hij een stenen wenteltrap op en sprintte over een hoger gelegen verbindingsgang in noordelijke richting.
Zodra hij zeker wist dat hij de bewakers ver achter zich had gelaten, liep hij westwaarts en wijdde al zijn aandacht aan de jacht op de kakografische jongen.
Nicodemus duwde met zijn elleboog tegen de klink en met zijn rug tegen de deur. Toen die openging, liep hij achterwaarts de werkkamer van magister Shannon in en viel opzij, met zijn armen om een tapijt dat met een koord tot een bal was vastgebonden. Het tapijt kronkelde en mompelde aan de lopende band: ‘Corpulent, code, cacao. Ha! Cacao, corpulèèèènt!’
Nicodemus rolde weg van het tapijt. ‘Celeste, godin van de hemel, snoer haar de mond. Ik zal elke avond een kaars voor u branden als u haar het zwijgen oplegt.’
Celeste, ongevoelig voor zijn smeekbede, greep niet in.
‘Empathie, apathie, sympathie, ha!’ mompelde het tapijt.
‘Goed, twee kaarsen dan?’ bood Nicodemus aan.
‘Eufonie, kakofonie. Haha! Kalligrafie, kakografie. Ha!’
Kreunend kwam Nicodemus overeind. De werkkamer was donker, maar zowel de blauwe als de witte maan scheen door de open boogramen naar binnen. Het was een rechthoekig vertrek met eikenhouten boekenkasten tegen de muren. Aan de ene kant van het vertrek stond een groot bureau en in het midden van de kamer waren enkele stoelen in een kring geplaatst.
Nicodemus koos een manuscript uit de dichtstbijzijnde boekenkast over het onderhoud en herstel van spreukbeelden. De spreuk die hij nodig had, stond op de tiende pagina. Hij legde het boek open op het bureau, stak zijn handen uit de mouwen en schreef een korte Numinusspreuk in zijn rechterhand. Nadat hij de gouden zin tot een haak had verbogen, gebruikte hij die om enkele Numinusalinea’s los te trekken, die zich tot een rechthoekig rooster van kristal vormden. Om de spreuk vooral niet aan te raken, liep hij zo voorzichtig mogelijk naar het gebundelde tapijt toe en sneed met een scherp woord het koord los.
Juichend sprong het spreukbeeld tevoorschijn. Maar de vreugde was van korte duur, want Nicodemus plaatste snel het kristallen rooster over haar hoofd. Die spreuk legde haar geest lam, waardoor ze in een vreemde houding verstijfde, met één poot op de grond en beide armen in de lucht. Langzaam begon ze naar voren te hellen.
Al vloekend draaide hij een eenvoudige Magnuszin in elkaar waarmee hij haar kon opvangen. Met een paar andere zinnen tilde hij haar op en liet haar tegen de boekenkast leunen. Voor zover hij wist, had niemand hem op de binnenplaats achter het spreukbeeld aan zien rennen met een tapijt in zijn handen. Daar was hij de Schepper dankbaar voor. Hij keek naar het spreukbeeld en zei uit de grond van zijn hart: ‘Dom, arm beest. Wat heb ik met je gedaan?’
‘Je hebt haar basistekst in de war gebracht,’ antwoordde een bulderende stem.
Nicodemus verstijfde. ‘Magister!’ fluisterde hij toen hij een gestalte uit de schaduw zag opduiken.
Groot-magiër Agwu Shannon stapte in een baan blauw maanlicht. Het schijnsel toonde zijn witte vlechten, zijn korte snor en baard, zijn gelooide huid. Hij had een grote haakneus. Zijn dunne lippen waren afkeurend op elkaar geperst. Maar het opvallendst waren zijn ogen: twee witte oogbollen zonder pupil of iris. Zijn ogen waren blind voor de stoffelijke wereld, maar des te scherper kon hij zien in de wereld van magische spreuken.
Nicodemus stamelde: ‘Magister, ik had niet gedacht dat u nog zo laat aan het werk was. Ik wilde alleen maar –’
De magiër legde hem het zwijgen op met een knikje in de richting van het spreukbeeld. ‘Wie weet hiervan?’
‘Niemand. Ik was in mijn eentje boeken aan het sorteren in de bibliotheek en stond net op het punt haar te redigeren.’
Shannon bromde iets en keek naar Nicodemus. ‘Ze had zich nooit door je mogen laten aanraken. Waarmee heb je haar omgekocht?’
Naar adem happend, antwoordde hij: ‘Een paar kilo extra gewicht en tweevoudig denken.’
De magiër liep op het spreukbeeld toe en hurkte bij haar neer. ‘Ze beschikt al over tweevoudig denken.’
‘Maar dat is onmogelijk; ik heb geen veranderingsspreuk op haar losgelaten.’
‘Kijk naar haar frontale cortex.’ De magiër wees naar haar voorhoofd.
Nicodemus liep erheen, maar omdat hij het zicht van zijn leermeester miste, zag hij alleen de stenen buitenkant.
‘Ik zie een niet-passende inmenging, maar...’ mompelde Shannon. Terwijl hij de spieren in zijn rechterarm aanspande, produceerde hij een stroom gouden zinnen. Sneller dan Nicodemus kon volgen, spleet hij daarmee haar voorhoofd en herschikte de basistekst van het spreukbeeld.
Nicodemus tuitte zijn lippen. ‘Ze vertelde mij dat ze slechts enkelvoudig was. De bibliothecarissen hebben haar opgedragen boeken in de kasten te zetten. Dat doen ze alleen met enkelvoudige spreukbeelden.’
Shannon gebruikte nu ook zijn linkerarm om de Numinustaal van het spreukbeeld te herstellen. ‘Hoe lang heb je haar aangeraakt?’
‘Maar een paar tellen,’ zei Nicodemus stellig. Hij stond op het punt meer te vertellen, maar Shannon klapte het hoofd van het spreukbeeld dicht en haalde het kristallen rooster weg.
Het spreukbeeld kon weer op haar vier poten staan en keek met haar uitdrukkingsloze stenen ogen naar Shannon. ‘Nu kan ik een naam kiezen,’ ratelde ze met een kinderlijke stem.
Shannon knikte, waardoor zijn witte vlechten heen en weer zwaaiden. ‘Ja, maar wacht nog even. Wen eerst maar aan je nieuwe gedachten.’
Ze glimlachte en knikte dromerig.
De magiër kwam overeind en keek Nicodemus aan. ‘Hoe heb je haar gevangen?’
‘Met een wandtapijt,’ antwoordde hij zacht. ‘Uit de bibliotheek.’
Zuchtend wendde Shannon zich tot het spreukbeeld. ‘Hang het tapijt terug en maak je werk af. Gebruik de rest van de nacht om een naam voor jezelf te bedenken.’
Het spreukbeeld, dat weer nieuwe energie had gekregen, knikte gretig, nam het tapijt op en liep op een drafje de kamer uit.
‘Magister, ik –’ Nicodemus zweeg toen de magiër zich naar hem toekeerde.
De oude man droeg de ruimvallende zwarte pij van een groot-magiër. Zelfs in het zwakke maanlicht glansde de witte voering van zijn kap, kenmerkend voor een taalkundige. Op zijn mouwen waren gouden en zilveren knopen genaaid. Ze stonden voor zijn grote kennis van het Numinus en Magnus. Zijn blinde ogen keken Nicodemus niet rechtstreeks aan, maar als hij sprak, kreeg de jongeman het gevoel dat zijn leermeester dwars door hem heen kon kijken naar zijn ziel.
‘Dat had ik niet van je verwacht. Ik heb vroeger ook wel eens een spreukbeeld omgekocht. Ik kreeg zelfs moeilijkheden met al te veeleisende spreuken. Maar jouw onvermogen legt ons allebei een zware last op. Ik wens je vurig een lagere kap toe, maar als een andere magiër gezien had wat je met dit spreukbeeld hebt uitgehaald... nou ja, dan zou je het nooit verder brengen dan assistent en zou je het leven voor andere kakografen nog moeilijker maken.’
‘Ja, magister.’
Shannon slaakte een zucht. ‘Ik zal de strijd voor je kap voortzetten, op voorwaarde dat het nooit meer gebeurt.’
Naar zijn laarzen starend, zei hij: ‘Dat beloof ik.’
De oude man liep naar zijn bureau. ‘In naam van de Schepper, waarom heb je het spreukbeeld aangeraakt?’
‘Dat was ik niet van plan, maar ik was bezig de spreuk te redigeren toen ik een klap hoorde. Iemand rende over het dak. Van schrik raakte ik de constructie per ongeluk aan.’
Shannon bleef stilstaan. ‘Hoe laat was dat?’
‘Ongeveer een halfuur geleden.’
De groot-magiër draaide zich naar hem om. ‘Vertel me eens precies wat er gebeurde.’
Toen Nicodemus de vreemde geluiden beschreef, werd Shannons mond een dunne streep. ‘Magister, is er iets?’
De oude man liep naar zijn bureau. ‘Steek twee kaarsen aan en laat er één hier, neem de andere zelf mee. Ga naar de werkkamer van magister Kleinwoud. Hij blijft altijd heel lang doorwerken. Vraag hem of hij naar mijn kamer wil komen.’
Nicodemus liep naar de la om de kaarsen te pakken.
‘Ga daarna direct naar de Trommeltoren en denk erom, geen omwegen of getreuzel.’ Shannon ging achter zijn bureau zitten. ‘Ik stuur Azure met een boodschap naar je toe. Is dat duidelijk?’
‘Ja, magister.’ Hij zette de kaarsen in hun standaard en stak ze aan.
Geconcentreerd bladerde Shannon door het manuscript op zijn bureau. ‘Morgen blijf je bij mij. Ik heb toestemming gekregen voor het uittesten van een primaire zoekspreuk en daar moet je me bij assisteren. Bovendien beginnen de nieuwe compositielessen. Ik zal je afmelden voor het corvee.’
‘Meent u dat?’ Nicodemus lachte verbaasd. ‘Mag ik lesgeven? Ik heb de introductieles al voorbereid.’
‘Dat zien we nog wel,’ zei Shannon zonder van zijn manuscript op te kijken. ‘Haast je naar magister Kleinwoud. Ga daarna linea recta naar de Trommeltoren en nergens anders heen.’
‘Goed, magister.’ Vlug pakte Nicodemus een kaars en maakte zich uit de voeten. Maar bij de deur bleef hij staan. ‘Magister,’ vroeg hij langzaam, ‘bezat dat spreukbeeld echt het tweevoudig denken?’
Shannon hield op met lezen. ‘Mijn jongen, ik wil niet opnieuw valse verwachtingen wekken.’
Met gefronste wenkbrauwen keek Nicodemus de oude man aan. ‘Verwachtingen waarover?’
‘Het spreukbeeld bezat het enkelvoudig denken totdat jij haar basistekst door elkaar husselde.’
‘Hoe kan dat nou?’
‘Het hoort ook niet,’ sprak Shannon en hij wreef in zijn ogen. ‘Luister goed. Omdat de bijeenkomst deze keer in Sterrenstee wordt gehouden, bieden we onderdak aan een delegatie uit het Noorden. Onder de magiërs van Astrophel zijn enkele oud-collega’s van mij. Sommigen zijn aanhangers van de contra-profetie en staan nog wantrouwiger tegenover kakografen dan de andere Noorderlingen. Het zou erg gevaarlijk zijn als ze ontdekten dat je niet alleen het spreukbeeld hebt aangeraakt, maar ook nog eens haar denken op een hoger plan hebt gebracht.’
‘Omdat ze me dan zouden willen censureren?’
Hoofdschuddend antwoordde Shannon: ‘Sterker nog, dan zouden ze je willen doden.’