Hoofdstuk 9

Nicodemus beklom hijgend de laatste treden van de torentrap en bleef voor een deur staan. Die zag er precies zo uit als in zijn droom van de afgelopen nacht.

Hoewel hij vandaag intriges en gevaren had verwacht, was het alleen een lange, vermoeiende dag geweest, vol klusjes voor het onderzoek van magister Shannon. Even tevoren had hij zijn avondmaaltijd snel naar binnen gewerkt, zodat hij een plek kon zoeken om naar de zonsondergang te kijken, die hij ook in zijn slaap had gezien. Het was een vreemde droom geweest – een droom die na het ontwaken niet vervaagde, maar juist levendiger werd.

Toen hij de deur opende, zag hij een smalle stenen brug en daarachter de Erasminetoren, die baadde in het rode licht van de ondergaande zon. Glimlachend stapte hij naar buiten. Eindelijk had hij tijd om op de brug te zitten en de ridderroman te lezen die hij onder zijn arm droeg. Er stak een warm briesje op toen hij zich naar het westen keerde.

Sterrenstee was halverwege een helling van de Pinakelbergen gebouwd. Uit de verte deed de burcht met zijn gekanteelde muren en robuuste poortgebouw aan een Lornisch kasteel denken. Het verschil met een kasteel was dat Sterrenstee een woud aan hemelhoge torens bezat. De hoogste toren, de Erasminetoren, stak zo ver de lucht in dat je vanaf het hoogste punt op de Pinakelbergen neerkeek.

Nicodemus, die halverwege een lagere toren stond, had nog steeds een riant uitzicht. Het landschap bestond uit een lappendeken van veldjes, waartussen boerderijen lagen. Voorbij de bewoonde wereld strekte zich tot aan de horizon een weelderige grasvlakte uit die met eiken was begroeid.

Door het weidse uitzicht was de brug een ideale plaats om te dagdromen en te lezen. Met een glimlach opende hij zijn ridderroman en hoorde het vertrouwde gekraak waarmee de rug voor het eerst wordt gebogen. De geur die uit de bladzijden opsteeg, herinnerden hem aan zijn jeugd.

Zijn glimlach werd droevig. Het liefst zou hij de hele avond hier op de brug blijven lezen, maar hij moest al spoedig weer aan het werk. Hij keek oostwaarts naar het verlaten Chtonische Kwartier van Sterrenstee. In de avondlucht boven de platte torens wemelde het al van de vleermuizen.

Hij bedacht wat een merkwaardige schepsels de Chtoniërs moesten zijn geweest. In sommige verhalen werden ze beschreven als kinderlijke wezens met bolle ogen en spitse tanden. In andere werd gesproken over monsters met klauwen en van top tot teen bedekt met gepantserde platen.

Hij tuurde voorbij de Chtonische wijk. Slechts een paar bundels zonlicht wisten tussen de talloze torens van Sterrenstee door te glippen. Het meeste licht viel op de bergen en één strook verlichtte de Spilbrug, die de burcht met de nabijgelegen berghelling verbond.

Terwijl alle andere bruggen slanke bouwsels uit het Chtonische tijdperk waren, was de Spilbrug dik en plomp als een enorme boomstam. Nicodemus boog zich naar voren. Zelfs van deze afstand kon hij de tekens zien die de Chtoniërs in de bergwand hadden gekerfd: links van de Spilbrug klimopbladeren, rechts een geometrisch patroon van drie gestapelde zeshoeken met aan weerszijden een grotere zeshoek.

De rotsgravures deden hem weer denken aan de vallei van de Hemelse Boom uit de overlevering. Volgens sommige verhalen waren de Chtoniërs over de Spilbrug het Neosolaire Rijk ontvlucht en terechtgekomen in een dal met bloemen zo groot als windmolens en paddenstoelen met de afmetingen van een feesttent. Zuchtend wierp hij een blik op zijn boek. Alleen was er geen boek meer. In plaats daarvan hield hij een bloederige klomp klei vast.

Gillend liet hij de kleffe massa uit zijn handen vallen. Met een plof kwam de homp op de stenen terecht. Hij wilde achteruit wijken, maar zijn benen weigerden dienst. Ook zijn armen kon hij niet meer bewegen. Het bloed en de klei kleurden zwart als de nachtelijke sterrenhemel.

Langzaam schoof de massa naar zijn voeten toe en kroop langs zijn enkels omhoog. Zijn onderbenen losten op in de olieachtige substantie en hij viel neer als een omvergetrokken standbeeld. Met zijn kaak klapte hij tegen de stenen, waardoor hij op zijn tong beet. Hij proefde de zilte smaak van bloed.

Schreeuwend voelde hij hoe de olie optrok over zijn benen naar zijn romp en nek. De lucht werd zwart en daalde op hem neer als een kleed. Zijn huid bladderde en viel uiteen in grote grijze schubben. De stenen van de brug trilden en losten op tot een golvende zee, die tot aan de horizon reikte. Bloed sijpelde uit de barsten in zijn huid. Botten staken naar buiten en veranderden in vleugels. Zijn keel verkrampte en werd opgerekt. Zijn gebladderde huid verhardde zich tot een rood dekschild.

Ineens was hij opgestegen, wiekend door de zware zeelucht. Voor hem blonk de gouden schittering van het ochtendgloren, maar hij was zelf een nog stralender verschijning. Als mensen hem konden zien, zouden ze versteld staan van de schoonheid van zijn brede borst, zijn gouden ogen en ivoren tanden. Zijn staart zwaaide als een wimpel door de lucht.

Aan de kim verscheen een donkere streep land, die langzamerhand de contouren van een stad aannam. Hoewel hij er nooit eerder was geweest, kende hij de plaats goed. De stad lag rond een halvemaanvormige baai, zoals een korst zich rond een wond vormt. Landinwaarts verhieven zich vijf heuvels. Zelfs van deze afstand kon hij de afbrokkelende marmeren stadmuren zien. Hoog in de lucht, achter dit relict uit de oude wereld, verhief zich het Neosolaire Paleis, waarvan het magisch gepoetste koper het rode avondlicht weerkaatste.

Plotseling leek de wereld stil te staan. Met uitgeslagen vleugels bleef hij volmaakt roerloos in de lucht hangen. Op de een of andere manier bestond hij ineens uit meerdere personen. Hij was een oude visser, die vanuit de haven opkeek naar het vreemde, gevleugelde wezen. Hij was ook een jonge bedelares, die vanuit een steegje omhoogtuurde naar het forse, zwarte gevaarte in de lucht. Tegelijkertijd was hij een jonge assistent, die ergens ver weg lag te slapen in de Trommeltoren.

Ineens laaide er een onberedeneerde, zinderende haat in hem op. De wereld zette zich weer in beweging, en hij veranderde in een ontzagwekkend schepsel met klauwen, vleugels en tanden. Hij dook omlaag. De lucht suisde terwijl de stad razendsnel op hem afkwam. Vlak voor het tot een botsing kwam, spreidde hij zijn vleugels en trapte met zijn achterpoten dwars door het paleis heen. Met zijn klauwen wierp hij steen en metaal de lucht in alsof hij met water aan het spetteren was. Klapperend met zijn krachtige vleugels blies hij een vuurkegel door de open wond van het gebouw.

Er volgden nog acht duikvluchten voordat hij de hoofdtoren had vernield. De zon was opgegaan, maar het stralende licht werd gedempt door een sluier van rook die uit het vernielde paleis oprees.

De eerste die hem aanvielen waren onbetekenende schepseltjes, even machteloos als mieren, waarop ze met hun metalen pantsers en reusachtige aantallen ook leken. Ze kwamen krijsend oprukken vanuit de stad. De pijlen die zijn schild troffen, waren niet pijnlijker dan een speldenprik. Hij klom tot grote hoogte en stortte zich in een scherpe duikvlucht omlaag. De soldaten verhieven dreigend hun speren en pieken. Op het laatste moment sloeg hij zijn vleugels uit om een bocht naar rechts te maken. Met uitgestrekte klauwen viel hij op een muur aan.

De meeste soldaten raakten bedolven onder het vallende puin; anderen sloegen op de vlucht. Nadat hij was neergestreken op de afbrokkelende muur, doodde hij de laatste overlevenden met een vuurstraal.

Toen hij weer opvloog, schoot er een boog zilverkleurige Magnus uit de citadel, die hem iets boven zijn voorpoot trof. Alleen door hard met zijn vleugels te klapperen slaagde hij erin in de lucht te blijven.

Langzaam won hij weer hoogte en zwenkte naar de citadel. Zodra hij dichterbij kwam, werd er vanaf de stadsmuur een nieuwe vernietigingsspreuk op hem afgevuurd. Omdat hij er deze keer op was voorbereid, kon hij onder de spreuk door schieten en rechtstreeks naar de groep magiërs duiken die de spreuk hadden geworpen.

Enkele zwartrokken vluchtten, maar de meesten hielden stand en wierpen een muur van spreuken op. Met een slag van zijn staart vernietigde hij het schild, zodat de magiërs zijn hete adem in hun nek konden voelen. Wild van vreugde sloopte hij de volgende muur en slaakte een bloedstollende kreet.

Meteen daarna laaide er een merkwaardig vuur op. Uit de neergestorte steenhopen flitsten oranje-met-zwarte tongen. Een zinderende pijn deed hem instinctmatig opvliegen, maar het vuur achtervolgde hem. De onvermoeibare vlammen flikkerden en brulden in de luchtstroom van zijn vleugelslagen. Wat was dit voor vreemde toverkunst?

Nicodemus brulde van woede.

Toen zag hij hen loeren vanachter hun licht gebogen subteksten: een hele horde pyrologen in oranje gewaden. Ze hadden een hinderlaag gelegd! Hij was rechtstreeks in een toverspreuk gevlogen die was opgesteld in de pyrokinetische taal van de vuurmagiërs. De kwaadaardige tekst verbrandde zijn schild en legde zijn schitterende gestalte in de as.

In paniek klapperde hij verwoed met zijn vleugels. Naar het oosten ging hij, waar de zee glansde in het ochtendlicht. Naar de zee! Misschien kon hij daarin de vuurspreuk doven. Met een paar krachtige slagen ontvluchtte hij de citadel over het handelscentrum van de stad. Maar de vuurmagiërs lieten hem niet zo gemakkelijk ontsnappen. Een brandende lans van geel licht boorde zich dwars door zijn rechtervleugel. De tekst verbrijzelde zijn vierde kootje, waardoor er een gat op die plek ontstond. Een tweede spreuk trof zijn buik en hij tuimelde naar bene-den. Hij schreeuwde het uit van angst. Na vijf pijnlijke vleugelslagen wist hij zijn val te stuiten. Nu kon hij de tocht hervatten, maar langzaam drong het tot hem door dat de zee hem niet meer kon redden. Met elke kwellende slag werd het gat in zijn linkervleugel groter. Als hij in het water lag, zou hij niet meer kunnen opstijgen en een dankbaar doelwit worden voor menselijke oorlogsschepen. Of erger nog, misschien redde hij het niet eens tot de zee en werd hij door de volgende spreuk neergehaald.

Maar dat gebeurde niet. Bij elke wiekslag stond hij doodsangsten uit. Hij was maar anderhalve kilometer van de riviermonding verwijderd en de pyrologen hadden nog steeds de dodelijke treffer niet afgevuurd.

Langzaam drong het tot hem door waarom. De spreukschrijvers zouden hem niet afmaken zolang hij zich nog boven hun geliefde stad bevond. Ze wisten dat zijn smeulende karkas een enorme brand kon ontketenen, waardoor hun glanzende koepels en kostbare torens in vlammen zouden opgaan.

Zijn hele massieve gestalte met de kronkelende staart trilde van razernij. Waarom zou hij in de golven moeten omkomen? Zijn woede gaf hem de helderheid en kracht zich om te draaien. Als hij eraan ging, moesten zij dat ook.

Toen stond de wereld opnieuw stil en hing hij roerloos in de lucht. Weer leek het alsof hij uit meerdere personen bestond: een bedelaarster die zich in een steegje had verscholen, de vrouw van een soldaat die gillend naar het brandende paleis keek, een oudere visser biddend om redding.

Zijn smartelijke pijn werd echter ondraaglijk en de wereld zette zich weer in beweging. Met ingetrokken vleugels stortte hij zich de diepte in om de stad in brand te steken, waar de tekstuele vlammen nog bulderden en nabranden, terwijl alles er rustig bij lag in het ochtendgloren. Het zou niet lang meer duren of de wereld zou kennismaken met de volle omvang van zijn huiveringwekkende schoonheid.

Steeds verder viel hij tot hij met ontzagwekkende razernij aanviel. De aarde beefde en alle klokken begonnen te luiden... ding... dong...