Hoofdstuk 34

Terwijl Nicodemus de Chtonische geest volgde naar het vervallen dorp, ging hij na wat hij ooit over geestschrijven had geleerd. Hij wist dat machtige spreukschrijvers dat deden als ze hun dood voelden naderen. Hij wist ook dat er voor het proces een vergevorderde vorm van impressie, zoals Shannon het noemde, vereist was. Eerst werd er een ingewikkelde Numinusmatrix in het hoofd van de geestschrijver gevormd. Die matrix ontwikkelde zich langzamerhand tot een magische kopie van de geest van de schrijver. Om die magische geest werd een tekstueel lichaam geschreven, dat het levende lichaam van de schrijver nooit mocht verlaten. Op den duur vielen schrijver en tekst helemaal samen.

Geestschrijven deden de magiërs in het Numinus. Nicodemus had zelden een geestschrijver gezien, maar herinnerde zich dat ze van top tot teen een gouden gloed uitzonden. Als ze stierven, leefde hun geest voort in een speciale rustplaats voor teksten. De geesten van Sterrenstee waarden rond in de necropolis onder de vesting.

Verder wist hij dat er fout gespelde geesten bestonden, die vals waren. Een ‘geets’ viel andere teksten aan of spreukschrijvers die de necropolis bijhielden. Je had ook nog een ‘getse’ die weigerde het lichaam te verlaten, wat tot gevolg had dat er een levend lijk rondliep.

Gelukkig was de geest die voor Nicodemus uit wandelde een goed gespeld exemplaar. Hoewel hij doorschijnend was, leek zijn tekstuele verschijning volledig onaangetast – een verbazingwekkende prestatie voor proza dat al bijna duizend jaar oud was.

Nicodemus volgde hem over een steile, vervallen trap naar de ruïnes van het Chtonische dorp. De wind wakkerde aan en bulderde door de bomen.

‘Magister,’ richtte hij zich tot de geest. ‘Hoe zal ik u aanspreken?’

De Chtonische geest bleef staan, glimlachte en overhandigde hem drie paarse zinnen. Er stond: ‘Noem me maar Tulki. In onze taal is Tulki de mannelijke vorm voor tolk. Tijdens mijn leven was ik bemiddelaar tussen jouw voorouders en ons volk.’

Toen Nicodemus opkeek van de tekst zag hij dat de geest hem met zijn grote, geelbruine ogen onderzoekend aankeek. Tulki vormde twee andere zinnen in zijn arm en hield ze hem voor. ‘Je draagt een zwart gewaad. Ik neem aan dat jouw voorouders uit het Neosolaire Rijk kwamen.’

Nicodemus drukte de Index tegen zijn borst. Het Neosolaire Rijk had de Chtoniërs uitgemoord en daarbij hulp gehad van de destijds jonge Numinus Orde. ‘Ik ben Spirisch.’

Tulki knikte en schreef als antwoord: ‘Ja, ik besef dat het Neosolaire Rijk al heel lang geleden ten val is gekomen. Ik hoorde dat het was gevormd naar het voorbeeld van het Solaire Rijk op jullie oude continent. Daar had ik graag meer over willen weten. Maar kom, volg me.’

Zijn zijdezachte paardenstaart viel over zijn schouder toen hij zich omdraaide en op drie ledematen verder wandelde. Nicodemus volgde de geest door de met klimop overwoekerde ruïnes.

Onder het lopen wierp Tulki een alinea over zijn schouder. Nicodemus gleed bijna uit in zijn haast de passage op te vangen. Hij las: ‘Je moet weten dat onze magische talen hard bij je kunnen aankomen. Als de constructies je lichaam verlaten, zullen ze striemen achterlaten. Dat is niet blijvend. Daarom gaf Chimaera, onze godin, ons zo’n tere en bleke huid. Toen we nog leefden, konden we pijnloos onze huid beschrijven en de teksten daarna weer verwijderen. Maar dat maakte ons tegelijkertijd zwak en daarom konden jouw voorouders ons zo gemakkelijk uitroeien.’

Nicodemus vertraagde zijn pas.

De geest bleef staan, keek om en wierp hem een korte tekst toe. ‘Wees niet bang. Ik ben niet boos. Ik neem aan dat je ook een wetenschapper bent. Ben je hier om onderzoek te doen?’

Toen hij de tekst had gelezen, keek Nicodemus vragend op. ‘Onderzoek?’

Tulki kwam snel met de volgende alinea. ‘Je bent toch een eugraaf die de eugrafische talen onderzoekt? Onze talen, Wrixlan en Pithan, zijn allebei eugrafisch. Waarvoor ben je anders hier? Je hebt een levende foliant bij je.’

Nicodemus keek naar de Index. ‘Een levende foliant?’

Fronsend gaf de geest hem antwoord. ‘Het perkament van die Index wordt levend gehouden door het proza van de Eerste Taal. Misschien weet je het niet, maar onze talen kunnen alleen op levende huid worden geschreven. Jouw maaksels wilden zich liever in je lichaam opslaan dan in de Index. Daar worden ze sterker van. Dat is de schoonheid van onze taal. Wij kunnen ons lichaam in tekst veranderen.’

Nicodemus keek van de Index naar de geest. ‘Dat begrijp ik niet.’ De geest zuchtte geluidloos, wat alleen te zien was aan het rijzen en dalen van zijn borst. ‘Jij hebt Wrixlan, een van onze talen, geleerd van je levende foliant omdat je een eugraaf bent, toch?’

‘Ik ben een kakograaf.’

Hoofdschuddend schreef Tulki zijn antwoord op en wierp het naar Nicodemus. ‘Dat is precies wat onze laatste bezoeker een hele tijd geleden ook zei. Ga er maar van uit dat alle eugrafen fouten maken in de magische talen. Ze proberen de spelling logisch te maken. Daarom wordt je geest door het Wrixlan aangetrokken. Het Wrixlan is een logische taal en daarom eugrafisch. Is het niet zo dat je onze taal bijna foutloos kunt schrijven?’

‘Ik... heb een subtekst herschreven.’ Ineens schoot hem iets te binnen. Hij keek weer naar zijn vertaling van de laatste boodschap. Wonderlijk genoeg kon hij er geen spelfouten in ontdekken. Nu was het wel zo dat hij door zijn handicap niet alle fouten zag, maar als hij dit in het Numinus had omgezet, zou het wemelen van de fouten, die zelfs hem met zijn kakografische geest zouden opvallen.

‘Hemelse Canon,’ riep hij zacht. ‘Betekent dat soms dat ik geen kakograaf ben in jullie paarse taal?’

Glimlachend schreef de geest een antwoord op zijn arm en hield het hem voor. ‘Dat klopt. Mijn volk weet al heel lang dat wat jullie kakografie noemen, een kwestie is van het niet afgestemd zijn van een geest op een bepaalde taal. De spelling van de magiërs is erg willekeurig en daar heeft jouw geest moeite mee. Daarom word je aangetrokken door talen waarvan de spelling logisch is, zoals het Wrixlan. Daarom heb je in je fantasie ook de monsters geschreven die zich in je huid hebben getatoeëerd. Daarom heb je onze taal van de Index geleerd. Weet je zeker dat je hier niet bent om onderzoek te doen?’

Nicodemus keek nerveus op. ‘Nee, ik ben geen onderzoeker, maar ik zou graag willen weten waarom ik niet kakografisch ben in...’ Omdat Tulki al een antwoord begon te formuleren, maakte hij zijn zin niet af. De geest schreef een aantal zinnen op zijn onderarm, dacht na, wiste twee zinnen, herschreef een paar andere en ging weer door.

Nicodemus stond ongeduldig te wiebelen totdat Tulki hem uitgebreid antwoord gaf. Er stond: ‘Dan bied ik mijn excuses aan. Toen ik voor het eerst de vermakelijke nachtgriezels zag die je had geschreven, wist ik zeker dat de schrijver ervan op zekere dag een Wrixlaanse foliant zou ontdekken, waardoor hij zou kennismaken met zijn eigen donkere fantasieën. Zo’n driehonderd jaar geleden kregen we bezoek van een eugraaf, een enthousiaste jongeman. Hij wilde alles over eugrafie weten. Hij leek op jou, maar alle menselijke wezens lijken in mijn ogen op elkaar. Ik dwaal af. Tien jaar geleden heb ik jouw constructies in het bos ontmoet en ze dringend gevraagd je hierheen te brengen als ze je ooit zouden vinden. De meeste schepseltjes wilden je echter – neem me niet kwalijk dat ik het ronduit zeg – opeten.’

‘Opeten?’ Nicodemus lachte verbaasd.

Tulki knikte en liet hem een volgende alinea zien. ‘Gelukkig hebben ze je toch hierheen gebracht. Mijn verontschuldigingen dat het op een ontvoering leek, maar als je geen onderzoeker bent... dat verandert de zaak. Dan houd ik mijn hart vast voor de andere drieënzestig geesten die hier rondwaren. Ik had gehoopt dat je ons kon helpen. Er zijn drie eeuwen verstreken sinds de komst van de laatste eugraaf. Hij heeft onze teksten vernieuwd in ruil voor onze kennis. Voor die tijd kwamen hier Chtonische schrijvers uit de vallei van de Hemelse Boom, maar hun nederzetting in de bergen schijnt verwoest te zijn.’

Nicodemus sperde zijn ogen open. ‘Bestaat de Hemelse Boom? Was daar hun schuilplaats? Zijn de Chtoniërs werkelijk over de Spilbrug ontsnapt?’

De geest glimlachte. ‘Dus je bent wél nieuwsgierig. Voordat ik je vragen beantwoord, wil ik weten of je bereid bent ons geestesboek te vernieuwen, het boek dat onze teksten bewaart. Daarvoor is de aanraking van een Wrixlaanse spreukschrijver nodig. Als wederdienst zal ik je vragen beantwoorden.’

Nicodemus dacht even na. ‘Ik word achtervolgd door een moordzuchtig schepsel. Het is een golem, een soort constructie. Kan ik me bij jullie verstoppen?’

Tulki’s glimlach vervaagde. Hij vormde een zin in zijn handpalm en las die nog even na voordat hij hem naar Nicodemus wierp. Er stond: ‘Ben je een misdadiger of een legioensoldaat?’

‘Geen van beiden,’ antwoordde Nicodemus.

Deze keer kwam Tulki’s antwoord heel snel. ‘Dan zal ik je niet vragen waarom je wordt achtervolgd. Dat mag je vertellen als je eraan toe bent. Maar ik moet wel weten of die constructie je sporen volgt.’

Nicodemus raakte het litteken in zijn nek aan. ‘Ik ben belast met een vloek die een sterk signaal uitzendt.’

De geest glimlachte weer. ‘In dat geval kunnen we helpen. We bewaren hier onze krachtigste levende foliant. De naam is moeilijk te vertalen. De legioensoldaten noemden hem het Bestiarium. Het is een enorm groot boek dat deze ruïnes achter een zichtbare rotswand heeft verborgen, maar die heb je al gezien. Het Bestiarium heeft ook een oude metaspreuk over de plaats geworpen. Een magisch geschrift wordt meteen vernietigd als het door iemand wordt weggehaald. Het signaal dat door je vloekspreuk wordt uitgezonden komt niet verder dan deze rustplaats.’

Nicodemus zuchtte opgelucht.

Heftig knikkend liet Tulki hem de volgende alinea zien. ‘Een niet-Wrixlaanse constructie valt gauw uit elkaar wanneer die hier aankomt. Ik denk dat de golem hetzelfde lot is beschoren. Jouw nachtgriezels begrepen hoe gevaarlijk het voor ze zou zijn. Daarom hebben ze zich op je huid getatoeëerd zodra ze aankwamen. Ze zijn gedeeltelijk van het Wrixlan, maar voornamelijk van het Pithan gemaakt. Dat is de taal die wij gebruiken om de dagelijkse wereld naar onze hand te zetten, zoals jullie het Magnus gebruiken. Als je ons geestesboek vernieuwt, mag je je zo lang als je wilt bij ons verschuilen.’

Nicodemus knikte. ‘Dat is dan afgesproken.’

De geest glimlachte stralend. ‘Fantastisch. Hoe zal ik je noemen?’

‘Nicodemus Kras.’

‘Nicodemus Kras, het zal je hier goed bevallen. Je kunt veel van ons leren. Wil je dingen leren over ons volk?’

Toen Nicodemus knikte, rechtte de geest zijn rug met de trots van iemand die graag les geeft. ‘Volg me maar, terwijl ik met mijn uitleg begin.’ Tulki schreef iets op en liep op zijn drie ledematen verder tussen de ruïnes. Soms bleef hij even staan om Nicodemus een alinea toe te gooien. ‘Ik begin bij de Hemelse Boom. Dat is een echte boom die diep in de bergen staat. Vroeger liep er een brug naar toe, maar onze metaspreuken en de blauwhuidconstructies hebben de weg erheen geblokkeerd. Geen menselijk wezen kan de vallei van de Hemelse Boom nog bereiken.’

Het kostte Nicodemus moeite om tegelijkertijd te lezen en tussen de stenen door te lopen. De Chtoniër schreef echter met het grootste gemak terwijl hij intussen zijn weg door het puin zocht.

‘Heb je je linkerarm verloren in de strijd tegen het Neosolaire Rijk?’ informeerde Nicodemus voorzichtig.

Tulki bleef staan en keek met een geamuseerde blik om. ‘Nee, nee, al onze mensen hebben maar één “arm” zoals jij het noemt. Dat is een belangrijke aanleiding geweest voor de strijd tussen onze volkeren.’

‘Maar hoe kan zo’n –’ Zijn stem stierf weg.

De geest had zijn gewaad bij de linkerschouder losgeknoopt. Een lang, asgrauw uitgroeisel rolde zich af. Tussen de schouder en de pols verscheen een elastisch vlies. Er zaten vier vingers aan, van een halve tot bijna een hele meter lang, die met elkaar verbonden waren door een zelfde soort vlies.

Tulki vormde een zin in het elastische vlies, trok hem los en wierp hem Nicodemus toe. Er stond: ‘We hebben geen goede vertaling voor deze “arm”. Het woord dat het meest in de buurt ligt zou “palet” zijn.’

Daarna vormde hij een nieuwe paragraaf op het vlies en gooide hem weer naar Nicodemus. ‘Je moet weten dat een Wrixlaanse schrijver door deze extra huid meer ruimte heeft voor zijn schrift. De zwartrokken gebruiken boeken om veel tekst vast te kunnen leggen. Wij beschrijven ons lichaam. Lang geleden woonden onze voorouders aan de voet van de bergen, samen met de groenhuiden en blauwhuiden. Daar heeft de eerste Chtonische stam onze talen voortgebracht. De godin Chimaera heeft ons geholpen bij het vormen van een lichaam om aan de gemene onderwereld van de blauwhuiden te ontsnappen.’

‘Blauwhuiden?’

Tulki nam even de tijd om een antwoord op te stellen. ‘Jullie noemen ze kobolds en de groenhuiden noemen jullie gnomen. Ze schrijven ook op hun lichaam, maar ze hebben een harde huid en hun taal is ruw. Ze tatoeëren zichzelf. Onze talen vereisen een zekere verfijndheid. Onze godin heeft de Eerste Taal gebruikt om ons lichaam aan te passen aan de woordenschat. Onze huid werd daarom zacht en was geschikt voor het Pithan en Wrixlan. We gingen steeds meer op onze linkerarm schrijven en daarom hadden we steeds meer huid nodig.’

De geest knikte naar zijn ‘palet’ en wierp hem de volgende alinea toe. ‘Doordat Chimaera de Eerste Taal had gebruikt, groeide onze linkerarm uit tot een groot schrijfvlies. Je begrijpt zeker wel dat onze wederzijdse voorouders elkaar afzichtelijk vonden. Maar vergeet niet dat voor een Chtoniër iemand met twee armen net zo raar is als voor een mens iemand met drie.’

Nicodemus kon dat alleen maar beamen.

Tulki keek naar de lucht en wierp twee snelle zinnen. ‘De zon komt bijna op. We moeten onder de grond kruipen.’ Na die woorden rende hij door het puin.

Nicodemus had moeite hem bij te houden, maar stelde toch nog een vraag. ‘Als het Wrixlan eugrafisch is, word ik dan genezen van mijn kakografie in de magische talen?’

Zonder vaart te minderen wierp Tulki een antwoord over zijn schouder. ‘Nee, maar ik begrijp niet goed wat er te genezen valt.’

Tegen de tijd dat Nicodemus de zin had gelezen, was de geest een oud bouwwerk binnengegaan, waarvan het dak nog gedeeltelijk intact was. Hij volgde hem en ontdekte een smalle trap die naar een donkere kelder leidde.

De geest zond een zacht, paarsblauw licht uit. ‘Pas op je grote voeten,’ waarschuwde hij met een snelle tekst en hij begon de trap af te dalen. ‘We hopen dat je bij ons wilt blijven en ons boek in de loop der jaren dikwijls zult vernieuwen. Om veilig te zijn voor de constructie, moet je overdag beneden blijven.’

‘Waarom?’ vroeg Nicodemus, terwijl hij de smalle treden probeerde te nemen.

‘Omdat fel licht, vooral zonlicht, schadelijk is voor het Wrixlan. Je voorouders hebben daar gebruik van gemaakt en ons uitgemoord. ’s Nachts gebruiken we spreuken die even krachtig zijn als menselijke tekst, maar overdag zijn we weerloos. Daarom waren we vroeger doodsbang voor de zonsopgang. Juist dan werden we altijd door bloeddorstige legioensoldaten aangevallen.’

Toen ze onder aan de trap waren gekomen, stonden ze in een rechthoekige kelder met een laag plafond en ongesauste stenen muren. ‘Je hebt vast een hekel aan me,’ fluisterde Nicodemus.

Tulki glimlachte. ‘Integendeel, Nicodemus Kras. Als je onze tekst vernieuwt, ben je een van de weinige mensen die ik werkelijk aardig vind.’