Hoofdstuk 10
Ding... dong... ding...dong...
Ver boven de Trommeltoren, in het belfort van de Erasminetoren, had een leerling de eerste zonnestralen gezien en luidde de zware ochtendbel.
Nicodemus, die nog in bed had liggen doezelen, schrok klaarwakker. Hij was overdekt met koud zweet en rilde. Op zijn voddige kussen zat een donkere plek. Toen hij zijn mond afveegde, bleek die vol korsten te zitten van opgedroogd bloed. Tijdens zijn nachtmerrie had hij waarschijnlijk op zijn tong gebeten.
In het vale licht zocht hij zijn kleren, die op de grond lagen. Hij kon de droom maar niet van zich afzetten. Elk beeld stond hem helder voor de geest, van de bloedige homp klei tot en met de brandende stad.
Toen hij zijn hemd had uitgetrokken en het zweet had afgewist, spoorde de frisse najaarslucht hem aan haastig een schoon hemd aan te trekken. Buiten hoorde hij duiven fladderen. Hij schudde zijn hoofd om de droom kwijt te raken, schoof zijn lange haar opzij en knoopte de koorden van zijn pij op zijn rug vast.
‘Het was maar een droom,’ mompelde hij terwijl hij zijn laarzen aantrok. ‘Het was maar een droom,’ herhaalde hij toen hij zijn gezicht waste.
Zijn ogen prikten en het beven hield niet op. Door de vreemde droom had hij onrustig geslapen, maar er zat niets anders op dan gewoon aan de slag te gaan. Toen het klokgelui wegstierf, rende hij de trap van de Trommeltoren af om te ontbijten.
Hij was vroeg, dus gelukkig was er bijna niemand in de refter. Als het druk was, wist hij nooit waar hij moest gaan zitten. Dan moest hij kiezen uit twee kwaden: of zich aansluiten bij de kakografen, waarmee hij openlijk blijk gaf van zijn onbekwaamheid, óf zich aansluiten bij de andere assistenten en luisteren naar gesprekken over teksten die hij nooit zou mogen opstellen. Maar vandaag kon hij in zijn eentje genieten van het ontbijt, dat bestond uit yoghurt en geroosterd bruin brood.
Een paar stoelen verderop, rechts van hem, zat een groepje lagere magiërs met elkaar te roddelen. Aan de oranje voering van hun kap te zien waren het bibliothecarissen. Sommigen bespraken hoe je een boekenwurmvloek ongedaan kon maken, maar de meesten zaten fanatiek met elkaar te fluisteren, wat meestal betekende dat er nieuwe verwikkelingen waren.
Nicodemus boog iets naar rechts, zodat hij flarden van hun gesprek kon opvangen. Een belangrijke taalkundige was niet op komen dagen voor het avondcollege en haar studenten hadden haar nergens kunnen vinden. Een enkeling dacht dat ze naar Lorn was gestuurd met een geheime opdracht, iemand meende dat ze van een torenbrug was gesprongen en weer anderen opperden dat ze met de noorderzon was vertrokken.
Hij vroeg zich af over welke taalkundige ze het hadden. Een van de roddelaars merkte dat hij meeluisterde en schraapte zijn keek. Snel keek hij de andere kant uit.
Links van hem zaten twee assistenten elkaar met glazige blikken berichtjes te sturen in de gemeenschappelijke magische taal. Hij keek hoe de vage groene teksten tussen de geliefden heen en weer flitsten. Met een glimlach herinnerde hij zich de keren dat hij met Amy Hern had ontbeten. Amy had het niet erg gevonden als hij fouten in zijn berichtjes maakte. Hoe vaak hadden ze niet gelachen om de idiote verhaspelingen die zijn kakografie had opgeleverd? Zijn gezicht betrok toen hij bedacht hoe moeilijk het zou zijn iemand anders te vinden die genoegen nam met een man wiens schrijfsels vrijwel onleesbaar waren.
John kwam bij hem zitten en begon de eerste van zijn drie kommen havermoutpap leeg te schrokken. ‘Goede morgen, hoe voel je je?’ vroeg Nicodemus.
De forse kerel deed alsof hij knikkebolde. ‘Slaperig?’ gokte Nicodemus. John schonk hem een scheve grijns en legde een vlezige hand op zijn elleboog.
‘Ik ook,’ ging hij verder. ‘Ik heb gedroomd dat ik in een monster was veranderd.’
‘Nee,’ zei Simpele John zacht.
Hij knikte. ‘Ik hoop het ook niet.’ Glimlachend vroeg hij: ‘Is er iemand die jou zo goed begrijpt als ik?’
‘Simpele John!’ zei de man met stralende ogen.
Nicodemus knikte. ‘Natuurlijk.’ Hij klopte zijn vriend op de schouder. ‘Jij kunt met jouw drie zinnetjes meer zeggen dan ik met al mijn dure bibliotheekwoorden.’
De forse man schaterde. ‘Neeee.’
Gniffelend stond Nicodemus op. ‘Ik moet snel naar de oude man toe. Tot vanavond.’ Nadat hij het vaatwerk naar de keuken had gebracht, verliet hij de refter en liep naar de Grote Hof, een plantsoen begroeid met iepen en doorsneden door leistenen paadjes. Over de paden wandelden in het zwart gehulde magiërs, alleen of in tweetallen. Aan de westkant stond een halve kring hydrologen in hun blauwe pijen rond een standbeeld geschaard. In de noordoostelijke hoek zag hij een groepje druïden lopen in hun sneeuwwitte gewaden. Hij hoopte dat Deirdre er niet bij was.
Terwijl hij de kortste weg over het grasveld nam, keek hij op naar de hemelhoge Erasminetoren, die op dat moment een arme wolk door-midden kliefde. Een schicht van gouden zonlicht schoot uit de torenspits en viel over de oostelijke bergen. Nicodemus onderdrukte een geeuw, terwijl hij zich afvroeg welke groot-magiër een colaborisspreuk had gestuurd. Misschien was het een boodschap voor een verre koning of zelfs voor een godheid.
In zijn jonge jaren had hij gedroomd van een toekomst als groot-magiër. Dat had hij bijna even graag willen worden als dolende ridder. Het moest fantastisch zijn om vorsten raad te mogen geven en de prachtige colaborisspreuken te werpen, waarmee je informatie in een oogwenk over enorme afstanden kon verzenden. Hij wreef in zijn slaperige ogen en vroeg zich af of hij ooit zelfs maar een lagere kap zou krijgen.
Een nieuwe, oogverblindende colaborisspreuk trok in een boog over de noordoostelijke bergen om geluidloos de Erasminetoren te bereiken. Een inkomend bericht. Hij was benieuwd waar het vandaan kwam. Vanuit het noordoosten vloog een tweede colaborisspreuk naar de toren, gevolgd door een andere gouden boodschap.
Verbijsterd bleef hij staan. Uit de toren zeilde een uitgaande spreuk, deze keer naar het noorden. Het antwoord kwam onmiddellijk.
‘Losverdomme,’ vloekte hij. Allen die vloeiend Numinus spraken, stonden verbijsterd stil. Voor het zenden van een colaborisspreuk was een enorme hoeveelheid ingewikkelde tekst nodig. Daarom gebeurde het alleen als er een goede reden voor was en die reden had meestal te maken met goud. De Orde kon zijn rijkdom alleen behouden door vorsten en goden buitensporige tarieven te vragen voor de spreuken die deze bestelden. Met name daarom had de Orde een academie in Sterrenstee gevestigd: door de hoge torens en de ligging was het de ideale plaats voor een zendstation. Toch had Nicodemus nog nooit zoveel colaborisspreuken achter elkaar gezien. Er was vast iets belangrijks gebeurd.
Van verschillende kanten kwam er een vlaag Numinusspreuken opzetten. De magiërs slaakten verstoorde kreten. Het gouden spervuur van teksten hield zo lang aan dat Nicodemus bang werd dat alle perkamentrollen leeg zouden raken en alle groot-magiërs uitgeput. Het leek uren te duren, maar even abrupt als de magische storm was opgestoken, ging hij weer liggen. Alleen de ochtendlucht was nog ongewoon betrokken.
Hij rende naar de Erasminetoren. Er moest iets vreselijks zijn gebeurd.
‘Magister!’ riep Nicodemus en hij duwde de deur van de studeerkamer open. ‘Er zijn nog nooit zoveel colaborisspreuken verzonden als daarnet. Het waren er misschien wel dertig ...’ Zijn stem stierf weg.
Shannon had twee bezoekers. De eerste was een rijzige vrouw met een lichte huid, blauwe ogen en donkere vlechten. Gouden en zilveren knopen op de mouwen van haar zwarte pij gaven aan dat ze een grootmagiër was. De tweede bezoeker was Deirdre met haar lichtbruine huid en groene ogen. Haar gewaad had de witte kleur van de druïden met houten knopen op de mouwen.
‘Neem me niet kwalijk, ik blijf wel buiten wachten...’ Zijn stem haperde toen hij de tientallen schrammen zag waarmee Shannons gezicht was bezaaid.
‘Het geeft niet,’ zei Shannon rustig. ‘Kom verder. We stonden op jou te wachten.’ Hij hield zijn onderzoeksverslag vast en voelde aan een stervormige kras in zijn gezicht. ‘Let niet op mijn verwondingen. Ik heb te lang doorgewerkt en heb iets doms gedaan met een oud spreukenboek. Toen het uit elkaar knalde, werd ik geraakt.’ Hij wees naar zijn gezicht.
‘Goed, magister,’ zei Nicodemus aarzelend. Elk jaar gebeurden er wel ongelukken met ontploffende oude manuscripten, maar dat overkwam een groot-magiër zelden.
De uitdrukkingsloze ogen van de oude man waren op Nicodemus’ borst gericht. ‘Is alles goed met je, jongen? Wat was er gisteravond in de Trommeltoren aan de hand?’
Nicodemus keek tersluiks naar de twee bezoekers. ‘Een Jejunusvloekwedstrijd. Het spijt me dat de anderen er last van hadden.’
Shannon keek alweer vriendelijker. ‘Ach, het viel wel mee. Ik zal je onze gasten voorstellen.’ Hij gebaarde naar de vrouwelijke magiër. ‘Magistra Amadi Okeke, bewaker uit Astrophel.’
Nicodemus maakte een buiging en de vrouw knikte.
‘En Deirdre, afgevaardigde van het Stille Verderf.’
‘Pardon,’ viel de druïde hem in de rede. ‘Ik ben hier niet als vertegenwoordiger van het Stille Verderf. Mijn beschermer en ik treden op als onafhankelijk adviseur.’
Nicodemus kon zijn ogen nauwelijks van haar afhouden. ’s Avonds had hij Deirdre al knap gevonden, maar in het zonlicht dat door het raam viel, leken haar ogen nog groener, was haar huid nog donkerder en lag er nog meer glans over haar donkere haar. Ze was adembenemend mooi en toch erg vertrouwd.
Shannon sloeg zijn blinde ogen op naar het plafond. ‘Goed, Deirdre dus, onafhankelijk afgezant uit Dral.’
Nicodemus begon zich zorgen te maken. Volgens Shannon hadden ze op hem gewacht. Had hij door het gesprek van gisteravond bij de druïde interesse gewekt voor zijn kakografie?
Hij maakte een buiging voor Deirdre.
‘Kroelen!’ kraste Azure en ze vloog op van Shannons stoel. Nicodemus kon net op tijd zijn arm optillen zodat de papegaai erop kon neerstrijken.
‘Vertel me nog eens hoe het zit,’ vroeg Deirdre geamuseerd. ‘Ik dacht dat de vogel jouw vertrouweling was en dat niemand anders met haar kon praten.’
Shannon richtte zich tot de druïde. Het duurde een tijdje voordat hij antwoordde. ‘Azure brengt soms een boodschap naar Nicodemus over, maar ik ben de enige die haar Numinusdialect verstaat.’ Een gouden zin schoot van Shannons voorhoofd naar dat van zijn vertrouweling. De vogel boog haar kopje en vloog weer op Shannons schouder.
‘Sommige magiërs zijn door ouderdom of letterletsel beroofd van hun gewone zicht en kunnen alleen nog magische teksten lezen.’ Shannon gebaarde naar zijn witte ogen. ‘Bij mij was het de leeftijd. Wij blinden kunnen echter heel snel informatie uitwisselen met een vertrouwd dier.’
Tussen de magiër en zijn papegaai bewogen zich twee stromen Nu-minus. Ineens keek Shannon de druïde rechtstreeks aan. ‘Door deze toepassing kan ik via Azures ogen zien. Dat is wat ik nu doe.’
Deirdre nam de man met zijn vogel aandachtig op. ‘Wat houden jullie er toch vreemde praktijken op na.’
Na een lange stilte zei Shannon: ‘Ik heb gehoord dat de druïden ook een merkwaardig contact met dieren hebben. Hopelijk zullen we op deze bijeenkomst niet alleen onze oude verdragen hernieuwen, maar krijgen we ook meer begrip voor elkaar.’
Nicodemus had zijn leermeester nog nooit zo aarzelend en bedachtzaam horen praten.
Azure had waarschijnlijk genoeg voor Shannon rondgekeken, want ze verbrak de Numinusstroom en streek met haar snavel de zilveren vlechten van de magiër glad.
Magistra Okeke nam het woord. ‘We moeten de jongen vertellen waarvoor we hier zijn.’
Shannons mond verstrakte en hij wees drie stoelen aan. ‘Kom, laten we erbij gaan zitten. Dit is een nogal onverwacht gesprek, Nicodemus. Vanmorgen kwam ik Deirdre in de gang tegen. Ze informeerde naar jou. En magistra Okeke klopte een paar minuten geleden geheel onverwacht bij me aan.’
‘Ik wil de jongen spreken over de Erasmineprofetie,’ zei de bewaker, terwijl ze koeltjes van Shannon naar Deirdre keek.
Nicodemus voelde een rode blos naar zijn wangen trekken. Shannon richtte zich tot de bewaker. ‘Zo te horen heb je een grondige studie gemaakt van de geruchten in Sterrenstee.’
Met een flauwe glimlach keek de druïde van de een naar de ander. ‘Ook ik ben geïnteresseerd in die profetie.’
De bewaker wierp haar een kritische blik toe.
Drie grote spreukschrijvers zaten bij elkaar in één ruimte en ze vertrouwden elkaar voor geen cent. Nicodemus had zich nog beter op zijn gemak gevoeld in een kamer vol uitgehongerde weerwolven.
‘Er valt weinig over de profetie te vertellen,’ zei Shannon. ‘Nicodemus is niet de Halcyon.’
‘Hoe kun je daar zo zeker van zijn?’ Deirdre keek hem met haar groene ogen strak aan. ‘Misschien moeten we eens kijken naar wat de eerste magiërs hebben voorspeld.’
Shannon wilde reageren, maar bedacht zich. Omdat profetie nauw met religie verbonden was, was het geen onderwerp van gesprek tussen de verschillende magische samenlevingen. Het werd op z’n minst als onbeleefd beschouwd, vaak zelfs als godlasterlijk. Toch mocht hij een rechtstreekse vraag van een gast niet onbeantwoord laten. ‘Erasmus voorzag de Separatieoorlog: de beslissende slag tussen de demonen en de mensheid, die plaatsvindt nadat de kwade geesten uit het oude continent zijn ontsnapt om dit werelddeel binnen te vallen. Volgens die profetie wordt Los herboren en zal onder zijn leiding het Pandemonium
– het grote leger van demonen – de oceaan oversteken en alle menselijke taal vernietigen. Om het Pandemonium te weerstaan heeft Erasmus de Numinusorde van Waakzame Magiërs opgericht. Maar volgens zijn profetie zal de Orde alleen zegevieren als er wordt geluisterd naar de lessen van een meester-spreukschrijver, die bekend staat als de Halcyon.’
Deirdre schoof onbehaaglijk heen en weer in haar stoel. ‘Maar hoe kan een leger de menselijke taal vernietigen?’
Magistra Okeke gaf ongeduldig antwoord. ‘De demonen maken gebruik van speciale spreuken, de zogenaamde metaspreuken, om de inhoud van een taal los te koppelen van de vorm.’
De druïde keek de bewaker onbewogen aan.
‘Magistra Okeke bedoelt dat de demonen de beschrijving scheiden van het beschrevene,’ zei Shannon. ‘Daardoor krijgen woorden en uitdrukkingen plotseling een andere betekenis, zodat er een eind komt aan onze beschaving en we terugvallen tot dierlijke wreedheid.’
‘Ik begrijp je jargon niet goed,’ zei Deirdre. ‘Maar het klinkt interessant. De druïden geloven in de profetie van de Peregrijn, die voorspelt dat het Pandemonium onze gewijde bossen zal verbranden en onze staande stenen zal verbrijzelen. Onze teksten, zowel voor dagelijks als voor magisch gebruik, zijn immers opgeslagen in de heilige bomen en menhirs.’
‘Ik meen dat jullie geloven dat de Separatieoorlog elk moment kan uitbreken,’ zei magistra Okeke. ‘En dat het iets te maken had met een schimmel die de bomen van Dral zou aantasten.’
Onvermoeibaar glimlachend keek Deirdre de bewaker aan alsof ze haar voor het eerst zag. ‘Amadi Okeke, je doelt op het Stille Verderf. Dat is een ingewikkelde kwestie, waar ik nu niet op zal ingaan.’
De bewaker kneep haar lippen samen. ‘Misschien kun je toch een tipje van de sluier oplichten, aangezien magister Shannon ons ook heeft ingelicht over de profetie van de magiërs.’
‘Dat lijkt me niet nodig –’ begon Shannon.
‘Het geeft niet.’ Deirdre hield haar hand op. ‘Het Stille Verderf is een... “verandering”, laat ik het voor buitenstaanders even zo noemen. Een verandering in de toestand van de wereld, die we een aantal decennia geleden hebben ontdekt. Het is geen ziekte, maar een... gesteldheid die de hele natuur betreft. Zo is er bijvoorbeeld aangetoond dat er in alle menselijke koninkrijken een bepaald soort bomen doodgaan. Over de oorzaak van die sterfte wordt nog volop gediscussieerd. Sommigen den-ken dat het Verderf erop wijst dat de Separatieoorlog elk moment kan uitbreken, terwijl anderen menen dat het geen verband houdt met de profetie. Maar alle druïden zijn het erover eens dat een buitenlandse spreukschrijver, bekend als de Peregrijn, ons zal tonen hoe we onze heilige plaatsen, en dus onze taal, kunnen beschermen.’
Shannon knikte. ‘Het klopt met de bevindingen van enkele geleerden dat elke magische samenleving gelooft dat iets als de Separatie hun taal zal vernietigen en dat er slechts één spreukschrijver is die dat noodlot kan tegenhouden.’
Deirdre knikte naar Nicodemus zonder hem aan te kijken. ‘Hebben de magiërs niet een tijd gedacht dat hij de Halcyon was?’
Magistra Okeke boog zich naar voren. Haar ogen schoten heen en weer tussen Shannon en Deirdre. Hoewel Shannon zijn gezicht in de plooi hield, wierp hij een kort zinnetje naar Azure. De papegaai boog haar hoofd, zodat de oude man haar verenkleed bij haar dunne nek kon aaien. Nicodemus herkende het als een manier waarop de man en de vogel elkaar geruststelden.
Uiteindelijk nam Shannon het woord. ‘Onze profetie beschrijft de Halcyon als het kind van een onbekende moeder, die tot zo’n krachtige magie wordt gewekt dat het honderden kilometers in de omtrek merkbaar is, en zowel Numinus als Magnus kan schrijven voordat hij twintig wordt. Al die beschrijvingen kloppen met Nicodemus.’
Nicodemus kreeg weer een kleur doordat de oude man zo trots over hem sprak.
‘Erasmus beschreef de Halcyon echter ook als iemand die een keloïd heeft, aangeboren littekenweefsel in de vorm van een Vlecht. Het litteken van Nicodemus heeft niet die uitgesproken vorm. Maar het belangrijkste is dat de Halcyon volgens de profetie vele stijlen beheerst en dat zijn taalgebruik kunstzinnig en goed gekozen is. Hij voorspelde dat de Halcyon barbaarse koninkrijken zou verwoesten en een staf kon maken die krachtig genoeg was om de herboren Los te doden.’
‘Daarom kan ik onmogelijk de Halcyon zijn,’ vertelde Nicodemus. ‘Door mijn kakografie beheers ik geen enkele stijl en ik kan geen stukje proza schrijven dat ppk maar in de verste verte kunstzinnig is. De magiërs hebben nog een tijdje gedacht dat ik mijn beperking te boven zou komen, maar toen duidelijk werd dat ik altijd fouten zou blijven maken, wisten ze dat ik de Halcyon niet was.’
‘Hoe is de magie bij jou gewekt?’ vroeg Deirdre.
Hij ging verzitten. ‘Het gebeurde in mijn slaap toen ik dertien was.’
De druïde trok bijna onmerkbaar haar mondhoeken op, terwijl de mond van de bewaker een smalle streep werd.
‘Weet je nog wat je droomde toen de magie bij je werd gewekt?’ vroeg Deirdre.
‘Nee,’ loog hij.
De bewaker nam het woord. ‘Als kakograaf veroorzaak je spelfouten zodra je teksten aanraakt, maar heb je ook gemerkt dat je chaos teweegbrengt in je omgeving? Worden de mensen in je buurt bijvoorbeeld vaak ziek? Ontsnapt het vuur dat je aansteekt dikwijls uit de open haard?’
Nicodemus wilde antwoorden dat het hem nooit was opgevallen, maar Shannon kwam zacht tussenbeide. ‘Provoost Montserrat heeft Nicodemus persoonlijk onderzocht en vastgesteld dat zulke verschijnselen zich niet voordoen.’
Een ijzig gevoel van agitatie en angst nam bezit van hem. Hij wist niet dat de provoost hem had bestudeerd. Wanneer en hoe had hij dat gedaan?
De bewaker keek Shannon lange tijd aan. ‘En nu wil ik de keloïd van de jongen zien.’
Nicodemus voelde even aan een zwarte haarlok. ‘Dat is echt niet nodig, magistra. Het is een vormeloos litteken en we weten niet of ik die bij mijn geboorte al had.’
De bewaker zweeg. Nicodemus keek Shannon aan, maar de uitdrukking van zijn leermeester was blanco als een onbeschreven blad. Van hem was geen hulp te verwachten. Hij keek naar Deirdre, maar die had weer dat irritante flauwe glimlachje.
De schrik sloeg hem om het hart. Hij draaide zijn stoel zo dat hij met zijn rug naar de bewaker zat, streek zijn haar opzij over zijn schouder en begon de koorden van zijn pij los te maken.
Terwijl hij de kraag achter in zijn nek losknoopte, streek hij even over de keloïd. Hij had het litteken al talloze malen aangeraakt en met zijn vingertoppen afgetast. Ooit had hij zelfs twee glimmend gepoetste stukken koper zo opgehouden dat hij de misvorming kon bekijken.
In tegenstelling tot de meeste littekens, die op den duur bleek en vlak werden, stulpte een keloïd uit en werd donker. Nicodemus’ huid had een gezonde, olijfkleurige tint, maar de vergroeiing in zijn nek was glimmend blauwzwart, alsof een kolonie parasitaire mosselen met zijn huid was verkleefd.
Elke avond besteedde hij veel zorg aan zijn lange haar, zodat hij het los kon dragen om de keloïd te verbergen. Hij had het litteken al bijna vijf jaar aan niemand laten zien. Met een hoogrode kleur schoof hij de kraag weg om zijn nek en schouders te onthullen.
‘Bij de godin!’ riep de druïde. ‘Doet het pijn?’
‘Nee, magistra,’ antwoordde hij op effen toon.
Hij hoorde de voetstappen van de bewaker zijn kant op komen. ‘Ik kan er wel de vorm van de Vlecht in zien.’
De Vlecht was de benaming die de rune in de gemeenschappelijke taal, het Vulgaat, had gekregen. Het teken bestond uit twee verticale lijnen verbonden door een kronkellijntje, en stond voor ‘organiseren’ of ‘verenigen’.
Nicodemus had geen gevoel in de keloïd, maar hij merkte wel de druk waarmee magistra Okeke het litteken aftastte. Ze vroeg aan de druïde: ‘Wat zegt jullie profetie over de Peregrijn? Heeft hij een litteken in de vorm van de Vlecht?’
‘Ja, en dat hij ermee wordt geboren,’ antwoordde Deirdre. ‘Er zijn valse Peregrijnen geweest die met een brandijzer zo’n litteken bij zichzelf hebben aangebracht. Ik heb begrepen dat we ook niet weten of Nicodemus dit al vanaf zijn geboorte heeft.’
‘Maar magistra’s, in het midden zit een afwijking,’ merkte Nicodemus met een blos op zijn wangen op.
Magistra Okeke bromde: ‘Mijn kind, je hebt gelijk.’
Nicodemus probeerde niet weg te duiken toen ze met haar vinger de bewuste plek aanraakte. Daar liep een lijn in de vorm van een mislukte letter K, die op zijn kant was geduwd, de rune voor Inconjunct.
Inconjunct betekende ‘zo ver mogelijk uit elkaar’, maar ook ‘zo verkeerd mogelijk’. Een Vlecht naast een Inconjunct stond voor ‘complete wanorde scheppen’ of ‘uit elkaar halen tot de kleinste deeltjes’.
Deirdre mompelde zacht een verwensing. ‘Bij Bridget, verdomd!’
Geschokt doordat de druïde haar eigen godin vervloekte, draaide Nicodemus zich om. Deirdres geheimzinnige glimlach was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een boze frons.
‘Ben je van streek?’ vroeg magistra Okeke. ‘Dacht je dat Nicodemus de Peregrijn was?’
Zuchtend liep de druïde terug naar haar stoel. ‘Ja, Amadi Okeke. Het antwoord op beide vragen is ja.’
‘Ik ben het met je constatering eens, Shannon,’ zei de bewaker. ‘Als dit litteken hem door het lot is geschonken, is het duidelijk dat hij de Halcyon niet kan zijn. Maar ik vraag me af of het nog iets anders kan betekenen.’
Shannon snoof minachtend. ‘Je fantasie slaat op hol.’ Met zachtere stem voegde hij eraan toe: ‘Dank je wel, Nicodemus. Je mag je nek weer bedekken.’
Opgelucht begon hij de koorden van zijn kraag dicht te knopen.
Deirdre leunde achterover in haar stoel. ‘Agwu Shannon en Amadi Okeke, neem me niet kwalijk dat ik beslag op jullie tijd heb gelegd.’
‘Wat vindt de provoost van de Inconjunct?’ vroeg magistra Okeke, die ook weer ging zitten.
‘Hij gelooft niet dat het een rune is,’ antwoordde Shannon resoluut. ‘Volgens hem is het een menselijke fout.’
Magistra Okeke kneep haar ogen tot spleetjes. ‘Leg dat eens uit.’
Shannon wilde verdergaan, maar Nicodemus was hem voor. ‘De magister is zo vriendelijk niet in mijn bijzijn uit te spreken dat mijn ouders me waarschijnlijk hebben gebrandmerkt. Dat is een schande en velen zouden mijn familie erop aankijken, maar ik heb liever die schande dan dat iedereen weer gelooft dat ik de geprofeteerde ben.’
Shannon fronste. ‘Wie heeft je verteld dat je gebrandmerkt bent?’
Nicodemus staarde naar zijn laarzen. ‘Niemand, meester. Dat heb ik zelf uitgedacht.’
Deirdre, die al haar belangstelling had verloren, staarde naar buiten.
Intussen nam de bewaker Nicodemus van top tot teen op. ‘Heb je dat litteken al je hele leven?’
Nicodemus dwong zichzelf haar blik te beantwoorden. ‘Toen ik klein was, heeft mijn stiefmoeder me ernaar vernoemd.’
Magistra Okeke trok vragend haar wenkbrauwen op.
‘Kras is een synoniem voor beschadiging,’ legde de jongen uit. ‘Dus Nicodemus-met-de-krassen werd op een gegeven moment Nicodemus Kras.’
Shannon schraapte zijn keel. ‘Maar kras heeft nog een andere betekenis. Het kan “flink en gezond” betekenen, dus het tegengestelde van beschadiging.’
Met zijn dapperste glimlach merkte Nicodemus op: ‘Het woord is dus een contraniem.’
Deirdre keek hem zo onverwacht aan dat hij schrok. ‘Wat bedoel je?’ De geheimzinnige glimlach was weer terug.
‘O, k-kijk,’ stotterde Nicodemus. ‘Een contraniem is een w-woord dat met zichzelf in tegenspraak is, bijvoorbeeld “vol-ledig”. En kras is het tegengestelde van ongeschonden, maar wie ongeschonden is, is wél kras.’
Shannon lachte zacht, ook al had hij het grapje eerder gehoord. Nicodemus keek hem dankbaar aan.
Deirdre knikte. Ze wilde iets zeggen, maar op dat moment werd er geklopt. De deur zwaaide open en daar stond magister Kleinwoud. ‘Agwu! Heb je die verbijsterende hoeveelheid colaborisspreuken gezien? Er is afschuwelijk nieuws!’