Hoofdstuk 33

Amadi werd gewekt doordat er hard op haar deur werd geklopt. Even blikte ze verward naar de strakwitte muren van haar kale slaapkamer. In haar droom had ze geworsteld met een reusachtige boekenwurm. Haar verbonden arm deed pijn.

Toen er opnieuw werd geklopt, stond ze moeizaam op van haar strozak. Door het raampje zag ze dat het buiten nog donker was. ‘Wie is daar?’

‘Ik ben het, Kale.’

‘Kom binnen,’ riep ze naar haar secretaris en ze trok een nachtgewaad aan.

De jonge Ixoniër kwam stilletjes de kamer in.

‘Het is vast geen goed teken dat je komt. Ik heb nog maar een uur geslapen. Is de boekenwurmplaag teruggekeerd?’

‘Nee, magistra.’ Hij keek haar geschokt aan. ‘Weer een dode kakograaf.’

Amadi hapte naar adem. ‘Is Shannon ontsnapt?’

‘Nee, hij zit in zijn kerker onder de Zomertoren. Maar Devin Dorshear, de vrouw die bij Nicodemus op de verdieping woonde, is dood. Nicodemus en de grote man die Simpele John wordt genoemd, zijn allebei verdwenen. Tegen middernacht hoorden de jonge kakografen geschreeuw. Ze durfden pas een kwartier geleden van hun kamer te komen.’

Amadi riep een verwensing. ‘Maar de toren was toch beveiligd, zodat niemand erin of eruit kon?’

Kale bracht zijn hand naar zijn mond. ‘Ik ben verantwoordelijk voor deze fout, magistra. Het was mijn idee om de bewakers bij de toren weg te halen. Shannon heeft kans gezien de sleutel van de extra beveiliging op de deur naar Nicodemus te smokkelen. Het is mijn fout.’

‘Onzin,’ snauwde Amadi. ‘Het was mijn bevel.’ Ze liep naar haar kledingkist. ‘Wek de bewakers en waarschuw alle wachters. Jullie moeten meteen beginnen met zoeken. Ik zal me aankleden en naar het Bureau van de Provoost gaan.’

Kale knikte en draaide zich om.

‘Maar ik wil eerst de dode kakograaf zien. Geef me twee bewakers mee. Waar heeft de moord plaatsgevonden?’

Kale bleef bij de deur staan en keek om. ‘Op de bovenste verdieping van de Trommeltoren. Ik stuur er twee schrijvers naar toe. We hebben niets aangeraakt... maar het is een gruwelijk gezicht.’

Een kwartier later stond Amadi in de Trommeltoren en keek vol afschuw naar het ontzielde lichaam van de lagere magiër. De ene helft van haar gezicht was door een stompe spreuk verbrijzeld en ze lag in een plas half gestold bloed. ‘De moordenaar was een stuntelige schrijver,’ zei Amadi tegen de bewakers die achter haar stonden. ‘Hij heeft een loodschotspreuk of zoiets simpels gebruikt.’

Knarsetandend bedacht ze dat Shannon vrijwel zeker een vuil spelletje had gespeeld. De oude magiër werd betaald door een ongeletterde edelman, want hoe kon er anders zoveel geld in zijn woonverblijf liggen? Welk belang had hij anders bij de boekenwurmplaag? Toch leek het of ze nu met twee moordenaars te maken hadden. ‘Dit is het werk van een kakograaf,’ zei ze. ‘Van Nicodemus of van die andere kerel.’

Ze vroeg zich af of Nicodemus misschien Nora Finn had vermoord in opdracht van Shannon. ‘Jij daar,’ zei ze tegen een van de bewakers. ‘Ga naar de Zomertoren en maak Shannon wakker. Hij moet een paar vragen beantwoorden.’

Met een knikje vertrok de man uit de gemeenschappelijke ruimte.

‘Ik vind het vreemd dat er zoveel stof ligt,’ mompelde Amadi, terwijl ze heen en weer liep. Overal in het vertrek lag een laagje stof, maar naast de deur trof ze een hele berg aan, die was bedekt door een wit laken. Nog vreemder was het dat er in de hoek een hele hoop splinters lagen.

‘En jij,’ zei ze tegen de andere bewaker, een rijzige vrouw met grijs haar. ‘Doorzoek de andere kamers in de Trommeltoren en kom me vertellen of er elders ook stof of splinters liggen.’

Terwijl de vrouw haastig vertrok, kwam Kale aanlopen. Hij beet op zijn onderlip. Dat was een slecht teken. ‘Wat is er?’ vroeg Amadi.

‘Een bericht van de bibliothecarissen. Een van de kostbaarste boekwerken van Sterrenstee is verdwenen.’

‘Opgegeten door een boekenwurm?’

De secretaris schudde zijn hoofd. ‘Het lag in een afgesloten vertrek van de hoofdbibliotheek en daar zijn de boekenwurmen nog niet doorgedrongen.’

Amadi sloot haar ogen en haalde diep adem. ‘Het zou me niets verbazen als Shannon of Nicodemus het boek het laatst hebben ingekeken.’

Kale knikte. ‘En nog wat: het is de zogeheten Index, een naslagwerk waarmee je alle teksten in Sterrenstee kunt inzien. Degene die het boek heeft gestolen, heeft daarin de aanrakingsspreuk opgezocht.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Ieder exemplaar van die spreuk zit nu vol spelfouten.’

Amadi fronste haar wenkbrauwen. ‘Begrijp ik het goed? Heeft de gebruiker van dat naslagwerk fouten in die tekst veroorzaakt?’

Kale knikte. ‘Inderdaad, en alle bedorven aanrakingsteksten besmetten weer de manuscripten waarmee ze in aanraking komen. De hele pedagogische bibliotheek in de Marfiltoren is al onbruikbaar geworden.’

‘Dat is het werk van Nicodemus!’ zei Amadi ontstemd. ‘Als die jongen toegang krijgt tot teksten in de Boekenstapel of de hoofdbibliotheek, vernietigt hij straks nog de hele collectie van Sterrenstee.’

Kale knikte nogmaals.

‘Eerst de boekenwurmplaag en nu dit. De chaos in eigen persoon waart rond in Sterrenstee.’

‘Bedoelt u –’

‘Twijfel je daar nog aan? Denk eens aan alle ongeregeldheden van de laatste tijd, de moorden, de onverklaarbare doden, de omkopingsschandalen. Denk aan zijn litteken: een Vlecht onderbroken door een Inconjunct. Die jongen lijkt voorbestemd om wanorde te stichten.’

Kale haalde diep adem. ‘We weten niet zeker of de contra-profetie al in werking is gegaan.’

‘Ook al weten we het niet zeker, er zijn bewijzen te over dat we moeten optreden.’

Ze liep naar de deur. ‘Ik zal de bibliothecarissen ondervragen, want ik wil eerst meer over dat waardevolle voorwerp weten. Jij gaat naar de Erasminetoren en vertelt de dienstdoende medewerkers wat er is gebeurd. Als we de jongen niet te pakken krijgen, zal zijn geest alle pagina’s van onze boekenschat bederven, zoals een tumor een gezond lichaam aantast. De medewerkers moeten de provoost wekken en hem vertellen dat we waarschijnlijk de Stormvogel hebben gevonden.’

Felgram, die zich prettiger voelde in zijn nieuwe, lemen golem, sloop door het bos ten zuiden van Sterrenstee. Het was twee uur voor zonsopgang. Het was koud en nog donker. De aanzwellende wind bulderde door de bomen.

Ruim een uur geleden had hij de laatste signalen van de keloïd van Nicodemus opgevangen. Op dat moment was hij nog bezig geweest met het vormen van zijn nieuwe lichaam, zodat hij geen kans had gezien de plaats van de jongen exact te bepalen. Hij wist alleen dat het signaal ergens uit dit bos was gekomen. Vandaar dat hij systematisch de berghelling afzocht. Momenteel volgde hij een hertenspoor dat hem naar een groepje iepen voerde. Hij had gehoopt dat de keloïd weer zou gaan seinen, maar het zag ernaar uit dat de jongen een nieuwe beschermer had gevonden, die de signalen voor onbepaalde tijd tegenhield.

De wind blies een gestage stroom bladeren van de bomen. Felgram keek nijdig om zich heen. Zonder signaal zou zijn zoektocht niets dan dode herfstbladeren opleveren.

Een paar uur geleden had hij op de weg naar Grauws Kruising een verhaal tegen de onzichtbare Nicodemus afgestoken. Had hij de jongen kunnen overtuigen? Hij dacht van niet. Als Nicodemus zich had willen overgeven, was hij intussen wel naar Sterrenstee teruggekeerd, maar Felgram had geen bericht ontvangen van een door hem geredigeerd spreukbeeld. Hij ving een dwarrelend blad op en vroeg zich af waarom Nicodemus zijn aanbod niet had geaccepteerd.

Er waren twee mogelijkheden. Misschien was de jongen niet bang genoeg voor zijn dreigementen om zich over te geven, of hij voelde zich veilig met een beschermer die de signalen van zijn keloïd kon tegenhouden.

Terwijl hij het blad fijnkneep, ging hij na wie de jongen voor hem verborgen hield. Het kon geen godheid zijn, want dan had hij de goddelijke aanwezigheid wel opgevangen. Het leek hem ook onwaarschijnlijk dat het druïdenmeisje in haar eentje zo sterk was.

Misschien maakte het niet uit wie de jongen beschermde, maar moest hij hem bang maken met iets wat waardevoller was dan zijn eigen leven. Hij keek naar Sterrenstee, maar de donkere iepen belemmerden zijn uitzicht. Hij zag alleen de hoge Erasminetoren. Een sluwe glimlach gleed om zijn lippen toen een idee zich langzaam uitkristalliseerde.

Hij moest zijn ware lichaam gebruiken en had een dag nodig om alles voor te bereiden, maar het was een perfect plan. De bladerregen werd heviger. Felgram lachte. Hij wist minstens één ding waaraan Nicodemus meer waarde hechtte dan aan zijn eigen leven.

‘Heb je hem toegang gegeven tot de Index?’ blafte Amadi.

Shannon zat rustig op de rand van zijn brits. De wachters hadden een censuurspreuk in de vorm van een spinnenweb over zijn hoofd gelegd om hem voor alle magische talen af te schermen. Daardoor was hij nu volkomen blind. Hoewel hij waarschijnlijk doodmoe was, lag er een kalme uitdrukking op zijn gezicht. ‘Zonder mijn anti-golemspreuk is Nicodemus reddeloos verloren.’

‘Magister, zelfs de provoost verdenkt Nicodemus ervan dat hij de Stormvogel is, de voorvechter van taalverwarring, dus ik wil geen verhalen meer horen over die lemen –’

Shannon boog zich naar voren. Hoewel hij met dikke Magnusteksten rond zijn polsen en enkels aan de muur was gekluisterd, zat er genoeg speling in om Amadi terug te laten deinzen. ‘Heb je soms iets vreemds in de Trommeltoren gevonden?’ vroeg hij. ‘Het hoeft geen klei te zijn. Het kan ook een ander materaal zijn, bijvoorbeeld metaal, graniet of staal.’

‘Stof,’ antwoordde Amadi spontaan. ‘En een hoopje splinters, maar de gemeenschappelijke ruimte was bedekt met een laagje stof en er lag een hele berg van het spul naast een gescheurd wit kleed.’

Shannon sperde zijn nietsziende ogen wijd open. ‘Aan de arm die ik van de golem heb afgehakt, zat een witte mouw.’

Amadi schudde haar hoofd. ‘Dat verhaal over golems wil ik niet meer horen. Dat zijn toch spreuken van het oude continent?’

‘Inderdaad, maar door het over de Stormvogel te hebben, geef je zelf toe dat de demonen zich losmaken van het oude continent. En toch weiger je de mogelijkheid onder ogen te zien dat hun magie al de oceaan is overgestoken.’

Amadi reageerde niet.

‘Als jullie de jongen fatsoenlijk hadden bewaakt, zou er niets zijn gebeurd,’ zei Shannon streng. ‘Het minste wat je nu kunt doen is –’

‘Zwijg,’ snauwde Amadi. ‘Ik heb de jongen zo goed beschermd als de omstandigheden toelieten. Jij hebt de sleutel naar hem toe gesmokkeld om hem uit de Trommeltoren te laten ontsnappen. Daarom ben je verplicht je naam te zuiveren. Dus help ons de jongen op te sporen. Magister, we hebben je hulp nodig bij het terugkrijgen van de Index en het gevangennemen van de Stormvogel.’

Shannon keek verstoord.

Amadi haalde diep adem. Misschien had de oude man gelijk en had ze de wachters niet bij de Trommeltoren moeten weghalen. Als de provoost erachter kwam dat ze Nicodemus had laten ontsnappen, zou ze net als Shannon in de gevangenis terechtkomen. ‘Kun je de jongen opsporen?’ vroeg ze geduldiger. ‘Weet je waar hij zou kunnen zijn?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Maar als ik het wél wist, zou ik het niet zeggen. Door je te beroepen op de contra-profetie heb je aangetoond dat Nicodemus in Sterrenstee niet veilig is. De provoost zal waarschijnlijk zijn magische geletterdheid censureren zodra jullie hem te pakken hebben gekregen.’

‘Je hebt hem vast een code gegeven voor een ver-zendingsspreuk.’

‘Als dat zo was, zou ik hem niet gebruiken,’ beet Shannon haar toe. ‘Je kunt doen alsof je me vrijspreekt of me zelfs laten ontsnappen. Je kunt me in de gaten houden en kijken of ik naar hem toe ga. Maar ik zal hem nooit opzoeken wanneer ik maar het geringste vermoeden heb dat jullie me schaduwen.’

Amadi ijsbeerde door de kleine kerker. ‘Waarom bescherm je de jongen eigenlijk?’

‘Is het wel eens bij je opgekomen dat hij werkelijk de Halcyon zou kunnen zijn?’

‘Waarin zie je eigenlijk aanwijzingen dat hij een voorvechter is voor orde in de taal?’ vroeg ze. ‘In zijn kakografische geest die de hele boekencollectie van Sterrenstee met spelfouten heeft besmet? In zijn keloïd die toenemende chaos symboliseert? In het spoor van dood en verderf dat hem volgt als een stormvogel op zee?’

‘Denk na, Amadi! Een constructie uit de oude taal was bezig mijn studenten één voor één te vermoorden om bij hem te komen. Wie anders dan een demon kan de oude taal naar dit continent hebben gebracht?’

De bewaker perste haar lippen op elkaar.

De oude man ging door. ‘Het is het werk van die golem dat jij me ten onrechte verdenkt. Een demonische constructie zorgt ervoor dat jij je druk maakt over de contra-profetie, terwijl je je beter om de echte profetie kunt bekommeren.’

Amadi wilde iets zeggen, maar werd onderbroken doordat er hard op de deur van de kerker werd geklopt. ‘Kom binnen,’ riep ze. In de deuropening verscheen een wachter, een kleine man met een krullerige rode baard.

‘Wat is er,’ vroeg Amadi scherp.

‘Een boodschap van uw secretaris,’ antwoordde de wachter, terwijl hij naar een groene alinea in zijn handen tuurde. ‘Magistra,’ las hij, ‘de druïden Deirdre en Kyran worden vermist. De andere afgezanten van het Stille Verderf zeggen dat ze niets van hun verdwijning af weten.’ De wachter keek op. ‘Ondertekend door magister Kale.’

‘Bij het vurig bloed van Los!’ riep Amadi. ‘Wat kan er nog meer misgaan?’