Hoofdstuk 38

Deirdres gezicht, al verkild door de wind, werd gegeseld door de striemende regen. De lucht was bewolkt, op een paar open plekken na, waardoorheen grote stralenbundels op de Hooglanden vielen.

Deirdre galoppeerde lachend over de Hogekamweg. Ze was aan weerszijden omringd door steile bergen die doorsneden werden door diepe dalen. Sommige valleien vertoonden een rasterpatroon van stenen muurtjes en waren bespikkeld met Hooglandse schapen. Het wemelde er van de raven. Ze vlogen in zwermen door de donkere lucht of bezetten de bomen als lawaaierig, zwartgevederd fruit.

Op het hoogste punt van de bergkam gekomen keek Deirdre de weg af naar de uitkijktorens die de toegang bewaakten tot Glengorm, een versterkte nederzetting van haar clan. Terwijl ze verder galoppeerde, viel de zon op de weg en weerkaatste op haar wapenrusting. De schildwachten ontvingen haar juichend toen ze door de open poort stormde.

Ze reed pijlsnel de glen in, zonder veel oog te hebben voor de versterkte huizen en de houten omheiningen die bedoeld waren om het vee binnen en de weerwolven buiten te houden. Op het laagste punt lag een smal bergmeer met een steiger, waarop een klein stenen fort stond.

Pas op het stalerf van het fort toomde ze haar merrie in. Haar clangenoten in de stallen juichten van blijdschap. Anderen verschenen voor het raam. Ze steeg af en wierp de teugels naar de dichtstbijzijnde staljongen. ‘Zorg goed voor haar,’ zei ze met een wrange glimlach. ‘Ze heeft best hard gelopen.’

Dat was zwak uitgedrukt en de mannen die het hoorden, schoten in de lach. Deirdre hief haar vuist op en brulde: ‘Witte Vos is naar Dral ontsnapt! Een zwarte dag voor de Lornische Kroon!’ De mannen brulden haar oorverdovend na.

Ze herhaalde haar kreet en de mannen echoden in koor. Daarna liep ze haastig het fort in, beklom drie smalle trappen en opende de deur. Kyran liep onrustig heen en weer voor het raam.

Hoewel hij al minder opvallend hinkte, bleef hij het meeste kracht zetten op zijn linkerbeen. Dat zou waarschijnlijk de rest van zijn leven zo blijven. Zijn lange haar hing als een goudkleurig gordijn over zijn schouders.

Weer verscheen het wrange lachje op haar gezicht. ‘Nog geen half jaar geleden heeft de paladijn Garwyn dat been er bijna afgehakt.’ Ze gebaarde naar zijn verbonden rechterbeen. ‘Misschien moet je het wat ontzien.’

Kyran draaide zich om. Zijn bruine ogen lichtten verwachtingsvol op. ‘Dappere vrouw.’ Hij viel op zijn linkerknie voor haar neer.

Ze sloot de deur en liep naar hem toe. Hij keek naar haar op met zijn fris geschoren gezicht. Het litteken onder zijn oor was niet meer dan een rode lijn. ‘Is mijn neef veilig in Dral aangekomen?’ vroeg hij.

Deirdre onderdrukte de neiging hem uit te lachen. ‘Wat ben je toch altijd serieus. De Witte Vos rent vanavond door de woeste bossen. Hij werd door een vijftal woudlopers bij de rivier opgewacht. Als ze de weerwolven kunnen ontlopen, zijn ze binnen twee weken in Kerreac.’

Toen Kyran opgelucht glimlachte, verschenen er kuiltjes in zijn wangen. Hij pakte haar hand en maakte een buiging. ‘Ik zweer bij Bridget dat ik je hele wezen liefheb, van nu tot in alle eeuwigheid.’

Zijn aanraking gaf haar een licht gevoel in het hoofd. Hij had het niet uitdrukkelijk gezegd, maar ze wist dat hij met haar hele wezen ook haar godin bedoeld had. Met trillende handen bracht ze zijn kin omhoog. ‘En wij houden van jou.’

Hij stond op en drukte zijn lippen op de hare. Haar hart sloeg een paar keer over. Ze kreeg het gevoel dat ze een aura zag. Hoewel ze er lang naar had verlangd, wist ze ook dat het verboden was.

‘Ik had je op het eerste gezicht lief,’ fluisterde hij.

Lachend trok ze hem naar zich toe en smoorde zijn woorden met haar tong. Aan zijn kus kon ze merken dat ze zich had vergist. Zijn liefde was niet voor heel haar wezen. Die was alleen voor haar bedoeld. Hij omhelsde haar innig.

‘Hou je nog steeds van me?’ murmelde ze in zijn hals. ‘Alleen van mij?’

‘Ja,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Ik heb altijd van je gehouden. Ik hou nog steeds van je.

Haar warme gezicht tintelde en ze trok haar hoofd terug om hem opnieuw te kussen. Langzaam kantelde de kamer. Ze lagen met hun gezicht naar elkaar toe. Het werd schemerig. Haar handen trilden hevig. Zijn gezicht werd glad en onbehaard als dat van een jongen. Zijn lange haar waaierde uit, viel om hen heen en werd even zwart als het hare. Ze kneep in haar handen, terwijl een zalige warmte zich over haar rug verspreidde. In stilte bad ze dat ze geen aanval zou krijgen.

De ogen van haar geliefde veranderden van donkerbruin naar diepgroen. Het waren Kyrans ogen helemaal niet en ze had geen aanval gekregen. Ze was juist aan het bijkomen uit een aanval. Kyran leefde niet meer. Gillend sloeg ze haar armen uit en keerde zich van Nicodemus af.

Doordat Deirdre hem een zet gaf, vloog Nicodemus door de lucht. Met zijn armen maaiend dook hij achterover en landde op zijn rug. Alle lucht werd uit zijn longen geperst. Hij probeerde adem te halen, maar dat lukte niet. Plotseling boog Deirdre zich over hem heen en stamelde dat het haar speet. Haar witte druïdengewaad zat vol vuile strepen. Wanhopig hapte hij naar lucht. Deirdre nam zijn getatoeëerde handen in de hare. ‘Heb je je pijn gedaan? Waarom deed je dat?’

Eindelijk vulden zijn longen zich met zuurstof. ‘Ik deed niets,’ hijgde hij. ‘Jij was de enige die –’ Hij zweeg. Langs de keldertrap viel schemerig licht naar binnen, maar genoeg om te zien dat er tranen in haar ogen stonden.

‘Wat heb ik gedaan?’ vroeg ze met bibberige stem. ‘Ik kreeg een aanval en mijn godin nam mijn lichaam over. Ik kan me niets meer herinneren.’

Hij kreeg een brok in zijn keel. Toen hij snel naar John keek, stelde hij vast dat de grote man door alles heen had geslapen. Zenuwachtig richtte hij zich weer tot Deirdre. ‘Je... we hadden een gesprek over wat we moesten doen. Jij wilde zo snel mogelijk naar Grauws Kruising gaan om ons bij Boanns ark aan te sluiten. Ik vond het te gevaarlijk. De bewakers zullen nu wel naar me op zoek zijn.’

Deirdre schudde haar hoofd. ‘De ark is in een herberg aan de rand van het dorp. Daarom kunnen we er gemakkelijk ongemerkt naar toe sluipen.’

Nicodemus ging rechtop zitten. Zijn hoofd deed pijn van de val. ‘Ik heb de Index gestolen. Alle magiërs ten zuiden van Astrophel redigeren hun aanvalsspreuken en houden een klopjacht om mij te pakken te krijgen. Shannon heeft me meer dan genoeg goud meegegeven om naar Dar of de Stad van de Regen te vluchten. Jij hebt vast medestanders in de Hooglanden die ons willen helpen.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Het maakt niet uit waarheen je vlucht. Zonder goddelijke bescherming zal Felgram je vinden.’

Hij kromp in elkaar toen hij per ongeluk zijn wang aanraakte. De Magnushechtingen bleven goed zitten, maar de wond was nog steeds gevoelig. ‘Op dit punt liepen we de vorige keer ook vast. Jij begon over de schoonheid van je godin en toen...’ Hij wendde zijn gezicht af. ‘Je vertelde me ook...’

‘Nicodemus,’ fluisterde ze en ze gaf hem een kneepje in zijn hand. ‘Alle vleiende woorden die uit mijn mond kwamen, waren van Boann. Zij weet hoe belangrijk je bent en wil je beschermen.’

Hij keek haar recht in de ogen. ‘Bedoel je dat ze jou gebruikt om mij naar haar hand te zetten? Dat klinkt niet erg... Het spijt me, ik wou niet...’

Ze wreef de tranen uit haar ogen. ‘Verzet je niet tegen haar. Mijn verlangens zijn niet van mezelf. Ze zal mijn lichaam weer overnemen en me dwingen jou te overmeesteren om je mee te nemen naar haar ark.’

Nicodemus liet haar hand los. ‘Pas op met zulke dreigementen. Al ben ik geen magiër, ik kan wel spreukschrijven.’

Ze pakte zijn hand weer. ‘Ga je gang. Je mag me met je magie aan stukken snijden, maar Boann –’

‘Laat me los.’ Hij probeerde zijn hand te bevrijden. Ze sloeg haar andere hand om zijn getatoeëerde pols. ‘Niet doen. Je verliest het.’

In zijn tong vervaardigde hij een eenvoudige insnoeringspreuk, spuugde de tekst uit en mikte op haar ellebogen.

Verrast liet Deirdre een paar tellen haar greep verslappen, zodat hij zijn rechterhand kon lostrekken. Hij stak zijn arm naar achteren en schreef er een korte Magnusknuppel in. De tekst was waarschijnlijk verkeerd gespeld, zodat het slaghout na de eerste klap al zou breken, maar het was tenminste iets.

Deirdre worstelde uit alle macht tot ze de zinnen rond haar elleboog had laten knappen.

‘Stop, ik heb een spreuk in mijn –’ Nicodemus zweeg abrupt.

Ze hield het grote slagzwaard in haar rechterhand. Hun ogen ontmoetten elkaar.

‘Alsjeblieft,’ fluisterde ze, met ogen vol tranen. ‘Ik mag het niet opgeven.’

‘Dan moet je –’ Een golf van gedempt gouden licht spoelde door de kelder. Hij schrok op.

‘Wat is dat?’

Een tweede golf volgde. Nicodemus liet zijn Magnusknuppel vallen en ving een van de Numinuswoordjes op die de oorzaak van het vreemde licht bleken te zijn. Opgewonden drong het tot hem door wat er aan de hand was. ‘Het een ver-zending.’ Hij begon de gouden tekst te vertalen. ‘Een magisch baken.’

Deirdre liet het zwaard zakken. ‘Wie zou ons zoiets sturen?’

Nicodemus krabbelde overeind. ‘We moeten gaan. Laat me los.’ Deirdre gehoorzaamde en hij raapte snel de Index op.

‘Wat is er?’

Aan haar arm trok hij haar mee. ‘Dat leg ik je onderweg wel uit. Schiet op!’

Terwijl ze de trap op renden, keek hij naar het vertaalde woord dat zacht in zijn handpalm gloeide. Er stond nsohnannanhosn.

Deirdre keek ernstig toe, terwijl Shannon opnieuw dubbel klapte en kokhalsde zonder dat hij leek over te geven. Nicodemus schoot hem te hulp en hield de vlechten uit zijn gezicht. De Index lag naast hen. Azure, die op een hoopje stenen in de buurt was neergestreken, knikte nerveus met haar kopje.

Deirdre zat met Simpele John bij het kampvuur. Om hen heen lagen de nachtelijke Chtonische ruïnes. Ergens in het donker graasde het paard waarop Shannon had gereden. De kruinen van de bomen zwaaiden heen en weer, ritselend in de koude herfstwind. Het zachte geluid vormde een schril contrast met Shannons luidruchtige kokhalzen.

‘Wat mankeert hij?’ vroeg ze fluisterend aan Simpele John.

John werd bleek. ‘De magister braakt woorden uit. Slechte woorden. Te veel woorden, die elke keer terugkomen.’

Ze hadden Shannon een uur geleden in het bos gevonden. Op dat moment had hij er nog gezond uitgezien. De oude taalkundige had hen zelfs getrakteerd op een verhaal over zijn ontsnapping uit de gevangenis. Hij had erop aangedrongen dat Nicodemus rechtsomkeert moest ma-ken om zijn toevlucht te zoeken in de Burcht van Valster, waar ook een academie voor magiërs gevestigd was.

In Sterrenstee werd Nicodemus gezien als de Stormvogel die alles zou vernietigen, maar Shannon verwachtte dat hij zijn collega’s in Valster van het tegendeel zou kunnen overtuigen. Nicodemus, die dolgelukkig was met het weerzien van zijn leermeester, had met zijn voorstel ingestemd.

Op hun terugtocht naar de Chtonische ruïnes had Nicodemus de oude magiër alles verteld wat er was gebeurd sinds ze elkaar voor het laatst hadden gezien. Deirdre had betoogd dat ze eerst naar Grauw Kruising moesten gaan, waar ze de bescherming van haar godin zouden krijgen.

Haar redenatie was simpel. Felgram kon Nicodemus opsporen door de signalen van de keloïd. Ze zouden de Burcht van Valster niet levend bereiken zolang er nog een vloek op zijn litteken rustte. Alleen Boann kon de vloek opheffen. Daar twijfelde Deirdre geen moment aan. Daarom moesten ze eerst naar Grauws Kruising. Hoe logisch haar betoog ook klonk, toch hadden beiden haar advies naast zich neergelegd.

Maar de situatie was veranderd. Toen ze waren teruggekeerd naar de Chtonische ruïnes, was Simpele John bezig geweest gevilde konijnen boven het vuur te roosteren. Shannon had het voedsel nog niet naar zijn mond gebracht of hij was volkomen onverwacht gaan kokhalzen zonder iets uit te spugen. Zoals hij nu weer deed.

Deirdre richtte zich tot John. ‘Hoe komt het dat je ineens kunt praten terwijl je eerst maar drie zinnetjes kende?’

De grote man bestudeerde zijn handen. ‘Dat kwam door de vloek van Typhon. De demon had het deel van mijn brein uitgeschakeld waarin taal wordt gemaakt en mijn spraak tot drie zinnetjes beperkt.’

‘Het spijt me, ik –’ Ze werd onderbroken doordat Shannon opnieuw moest kokhalzen. ‘Wat is er met Shannon?’ vroeg ze aan Nicodemus, blij dat ze van onderwerp kon veranderen.

‘Niets,’ hijgde de groot-magiër terwijl hij rechtop ging zitten. ‘Het komt doordat de censuurspreuk te snel van mijn hoofd is gehaald.’

‘Nee,’ zei Nicodemus, die Shannon scherp in de gaten bleef houden. ‘Het komt doordat hij onzin uitkraamt.’

De oude magiër kneep zijn blinde ogen dicht en sprak ironisch: ‘Altijd dubbelzinnige grapjes, die jongen.’

Deirdre kuchte. ‘Ik begrijp het niet.’

‘Wat hij zegt slaat nergens op,’ antwoordde Nicodemus geërgerd. ‘Geen enkele censuurspreuk kan iemands ingewanden met Magnuswoorden vervuilen.’

Shannon sloot zijn ogen. Deirdre zag nu pas hoe broos hij was. De oude man zuchtte. ‘Ik had niet moeten komen. Ik heb er uren over gedaan en ben keer op keer teruggegaan om zeker te weten dat ik niet door het monster werd gevolgd. Ik hoopte dat hij had gelogen over de woekeringspreuk in de Oertaal, maar het is waar.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Uiteindelijk heb ik je toch opgezocht omdat ik bang was dat je me anders zou proberen te redden. Ik wilde zorgen dat je uit de buurt van dat schepsel bleef en dacht niet dat de logorroe zo snel zou toeslaan.’

Nicodemus legde zijn hand op de schouders van de magiër. ‘Vertel me wat er is gebeurd,’ zei hij vastberaden. ‘Ik heb recht op de waarheid.’

De oude man stak zijn knokige hand uit en Nicodemus nam die in de zijne. ‘Je lijkt jaren ouder geworden sinds gisteravond,’ zei Shannon.

‘Wij allemaal,’ zei Simpele John.

‘Daar zou je best gelijk in kunnen hebben,’ zei Shannon. ‘Goed, ik zal het hele verhaal vertellen, Nicodemus, maar beloof me dat je naar de Burcht van Valster vlucht. We mogen niet teruggaan. We mogen ons niet aan dat monster overleveren.’

Nadat Nicodemus hem dat had beloofd, vertelde Shannon hoe Felgram – niet als golem maar in zijn eigen levende lichaam – hem uit zijn cel had bevrijd en de smaragd van Arahest had gebruikt om hem te besmetten met logorroe, een vloek in de Oertaal, waardoor hij een woordenstroom uitbraakte.

‘Maar magister!’ zei Nicodemus toen de magiër was uitgesproken. ‘U hebt me iets laten beloven wat ik niet kon overzien. We gaan niet naar Valster, want daar komen we pas in het voorjaar aan. Voor die tijd bent u al gestorven.’

De oude man rechtte zijn rug. ‘Felgram zei dat de menselijke profetieën niet deugen, maar misschien is dat wel gelogen. Je zou nog steeds de Halcyon kunnen zijn. Daarom mag je voor mij je leven niet op het spel zetten. Bovendien kunnen we Felgram niet vertrouwen. Je hebt kans dat hij ons toch zal doden, ook als we ons overgeven.’

Nicodemus schudde zijn hoofd. ‘Ik kan niet aanzien dat u sterft.’

‘Egoïsme,’ snoof de magiër verontwaardigd. ‘Als jij je overlevert, geef je de demonen meer macht. Het is jouw plicht om de Separatie te verhinderen, ook als het betekent dat je me ziet worstelen met de woekering in mijn buik –’

Deirdre kreeg ineens een idee. ‘Lijken uw woekeringen op de gezwellen die een klerikaal uit het lichaam van ouderen snijdt?’

Alle gezichten draaiden haar kant uit. Shannon zei: ‘Klerikalen zijn spreukschrijvers die geneeswijzen hebben bestudeerd. Wij magiërs we-ten daar niets van.’

Een duizelingwekkende warmte verspreidde zich over Deirdres gezicht. ‘Boann heeft eens een woekering op mijn rug ontdekt. Bij avatars schijnt dat vaker voor te komen omdat ze zo lang leven. Het was haar plicht, zei ze, om zo’n gezwel op tijd weg te halen.’

Shannon keek ontstemd. ‘Bij mij gaat het niet om één woekering. Ik zie dat de runen de spieren bij mijn maag hebben aangetast. Het hele orgaan is ermee verweven. Al zou Boann dwars door mijn ingewanden snijden, dan kan ze nog niet alle gezwellen verwijderen.’

Deirdre schudde haar hoofd. ‘Maar ze is goddelijk! Je kunt niet –’

Nicodemus viel haar in de rede. ‘Weet je zeker dat Boann mijn meester kan genezen?’

‘Als je haar bescherming aanvaardt, doet ze alles voor je.’

Shannon protesteerde: ‘Ze kan me niet helpen, Nicodemus. Kijk maar naar de runen die in mijn binnenste verschijnen. Dan zie je zelf dat de woekering overal zit. Grauws Kruising is veel te gevaarlijk. Als jij de Halcyon bent, mogen we jouw leven niet in gevaar brengen om dat van een oude man te redden.’

‘Dat mogen we wel en dat zullen we doen als het nodig is.’ Nicodemus stond op. ‘Eerst moet ik nog iets uitzoeken in deze ruïnes. Misschien kom ik meer over de Oertaal te weten. Maar als ik geen andere manier kan vinden om uw vloek weg te nemen, gaan we naar Grauws Kruising.’

De oude man keek weer ontstemd. ‘Doe niet zo dom. Je mag jouw leven niet voor mij in de waagschaal stellen.’

‘Wel waar,’ zei Nicodemus. ‘Ik ben een kakograaf, geen kind meer.’ Hij wendde zich af en liep naar de ruïnes.

‘Losverdomd,’ bromde Shannon en hij stond moeizaam op. ‘Waar ga je naar toe?’

Nicodemus keek niet om. ‘Naar het Bestiarium.’