Hoofdstuk 1
Nicodemus wachtte tot er niemand meer in de bibliotheek was voordat hij iets voorstelde waarop verbanning stond. ‘Als ik jou mag redigeren, kunnen we straks allebei rustig slapen,’ zei hij zo onverschillig mogelijk.
Nicodemus Kras was vijfentwintig, wat jong was voor een spreukschrijver en oud voor een assistent. Hij was een rijzige, kaarsrechte verschijning. Zijn lange, glanzende haar was gitzwart en zijn huid olijfkleurig, waardoor zijn groene ogen extra opvielen.
Tegenover hem zat een spreukbeeld dat voor de bibliotheken was geschreven, een levend wezen geconstrueerd uit magische taal. Zoals alle constructies in Sterrenstee was ze eenvoudig van samenstelling.
Complexe spreukbeelden bestonden uit een samenraapsel van dieren: een slangenkop op een varkenslijf, ledematen uitgerust met klauwen en tentakels, of een combinatie van slagtanden en veren. Dat soort wezens.
Maar het beeld dat gehurkt op tafel zat, had de gedaante van één enkel dier: een volwassen sneeuwaapje. Op haar slanke stenen romp en poten waren gestileerde tekens gekerfd, zodat het leek alsof ze een vacht had. Ze had een onbehaard kopje, bolle wangen en een doffe blik in haar ogen. De schrijver van het spreukbeeld had haar maar één bijzonder attribuut gegeven: een korte staart waaruit drie alinea’s van zilver proza staken, die als haken dienden. Terwijl Nicodemus haar aandachtig bekeek, pakte het aapje drie boeken op en hing ze met de sloten aan de drie haken van haar staart.
‘Wil je mij redigeren? Vergeet het maar,’ protesteerde ze, waarna ze langzaam op een boekenplank klom. ‘Bovendien ben ik zo geschreven dat ik pas slaap als de zon opkomt.’
‘Maar je hebt wel wat beters te doen dan de hele nacht boeken verplaatsen,’ wierp Nicodemus tegen en hij streek zijn zwarte assistentengewaad glad.
‘Misschien,’ gaf het spreukbeeld toe, terwijl ze zijwaarts over de boekenplank kroop.
Nicodemus hield een dik manuscript in zijn linkerarm. ‘Je hebt je ook wel eens door andere assistenten laten redigeren.’
‘Zelden,’ gromde ze, twee planken hoger klimmend. ‘En nooit door een kakograaf.’ Ze nam een boek van haar staart en zette het op de plank. ‘Je bent toch een kakograaf? Iemand die magische teksten in de war gooit zodra hij ze aanraakt?’ Ze kneep haar stenen ogen half dicht en keek hem aan.
Hoewel Nicodemus op die vraag had gerekend, kwam het toch hard aan. ‘Dat klopt,’ antwoordde hij toonloos.
Het spreukbeeld klom nog een plank hoger. ‘Dan is het tegen de regels van de bibliotheek: wij mogen ons niet door een kakograaf laten aanraken. De magiërs kunnen trouwens de banvloek over je uitspreken als je me redigeert.’
Nicodemus ademde langzaam in.
Aan weerszijden stonden rijen boekenkasten en rekken vol perkamentrollen. Ze bevonden zich op de negende en hoogste verdieping van de bibliotheek die Boekenstapel werd genoemd. Het was een vierkant gebouw waarin veel manuscripten van Sterrenstee werden bewaard. Be-halve Nicodemus en het spreukbeeld was er op dit late tijdstip niemand aanwezig. Door de papieren schermen voor de ramen viel gedempt maanlicht naar binnen, maar de meeste verlichting kwam van de fonkelende vlamvliegalinea’s die boven zijn hoofd fladderden.
Hij liep naar het spreukbeeld toe. ‘We zijn al zo lang boeken aan het sorteren dat je traag bent geworden. Ik hoef alleen je energetisch proza op te peppen. Daarvoor hoef ik je niet eens aan te raken. Alle andere assistenten hebben hun constructie geredigeerd en zijn dus al uren klaar.’
‘Maar dat zijn geen kakografen,’ zei het spreukbeeld terwijl ze een boek terug in de kast zette. ‘Kakografen moeten toch altijd laat doorwerken?’
Terwijl hij een scherpe opmerking inslikte, legde Nicodemus zijn boeken terug op de tafel. ‘Nee, onder normale omstandigheden hoeven we onze spreukbeelden geen energie toe te dienen. Het komt door die ellendige bijeenkomst. De magiërs trekken alle boeken uit de kast om indruk te maken op hun gasten.’
Het beeld trok een gezicht naar de stapel boeken die nog in de kasten gezet moest worden. ‘Dus daarom hebben we vanavond vier keer zoveel werk als anders.’
Nicodemus wierp haar een gekwelde blik toe. ‘Het is erger dan je denkt. Ik moet nog vóór morgenochtend een anatomietekst doornemen en twee spellingsopdrachten maken.’
Het spreukbeeld lachte. ‘Verwacht je soms medelijden van een simpele constructie? Ha! Al ben je kakograaf, je hebt tenminste vrijheid van denken.’
Toen Nicodemus even zijn ogen sloot, prikten ze van slaapgebrek. Het was al halféén en hij zou vroeg worden gewekt door de ochtendbel. Hij keek naar het spreukbeeld. ‘Als ik je energetisch proza mag opfrissen, krijg je morgen een modificatietekst van me. Die haal ik wel ergens vandaan. Daarmee kun je jezelf naar wens veranderen: met vleugels, klauwen, of wat je maar wilt.’
Behoedzaam klom de toverspreuk omlaag naar de tafel. ‘Vleugels van een kakograaf! Dat zal me wat fraais zijn, een tekst geschreven door een achterlijke –’
‘Aan jouw clichéproza valt anders niks te verprutsen,’ ketste Nicodemus terug. ‘Maar ik had het niet over “schrijven”, ik zei dat ik hem ergens vandaan zou halen, met andere woorden, “stelen”.’
‘Nee maar... er zit pit in de jongen.’ Het spreukbeeld grinnikte. Ze bleef stilstaan om hem aan te kunnen kijken. ‘Van wie wil je die tekst stelen?’
Nicodemus streek een zwarte haarlok uit zijn gezicht. Het omkopen van een spreukbeeld was weliswaar verboden, maar het gebeurde vaak genoeg in Sterrenstee. Hoewel hij het idee verfoeide, trok weer een slapeloze nacht hem nog minder aan. ‘Ik ben de assistent van magister Shannon,’ zei hij.
‘Magister Agwu Shannon, de bekende taalkundige?’ vroeg het spreukbeeld opgewonden. ‘De grote deskundige op het gebied van tekstuele intelligentie?’
‘Inderdaad.’
Er verscheen een glimlach op het stenen gezicht van de constructie. ‘Ben jij soms de jongen die ze voor de Halcyon aanzagen? Van wie ze dachten dat hij de geprofeteerde was, maar die uiteindelijk achterlijk bleek te zijn?’
‘Hebben we een afspraak of niet?’ vroeg hij fel, met zijn handen tot vuisten gebald.
Lachend kroop het spreukbeeld op tafel. ‘Zijn de geruchten over Shannon waar?’
‘Dat zou ik niet weten. Ik luister niet naar roddels,’ gromde Nicodemus. ‘En als je nog één kwaad woord over mijn leermeester zegt, hak ik je in zinsdelen.’
De spreukconstructie grinnikte. ‘Wat een loyaliteit, als je bedenkt dat jij een tekst van Shannon wilde stelen.’
Nicodemus klemde zijn kaken op elkaar en hield zich voor dat bijna elke student wel eens een constructie omkocht met werk van zijn leermeester. ‘Wat wil je?’
Zonder erover na te hoeven denken, antwoordde ze: ‘Een paar kilo meer gewicht, zodat de andere spreukbeelden me niet van mijn perkament kunnen afduwen als ik lig te slapen. En ik wil ook viervoudige cognitie.’
Zijn mond viel bijna open van verbazing. ‘Doe niet zo onnozel; dat bereiken de meeste mensen niet eens.’
Het spreukbeeld fronste haar wenkbrauwen en hing een boek aan haar staart. ‘Drievoudig is ook goed.’
Hoofdschuddend antwoordde hij: ‘Met jouw eenvoudige basistekst is tweevoudige cognitie het hoogst haalbare.’
Ze sloeg haar poten over elkaar. ‘Drievoudig.’
‘Dan kun je net zo goed de regenboog aan me vragen. Het kán gewoon niet.’
‘En jij vraagt of ik me door een kakograaf wil laten redigeren. Die staan er toch om bekend dat ze zich niet lang genoeg kunnen concentreren om een spreuk te voltooien?’
‘Nee,’ antwoordde hij kortaf. ‘Sommigen hebben dat probleem, maar ik gelukkig niet. Het enige kenmerk van een kakograaf is dat hij een ingewikkelde tekst in de war schopt door die aan te raken. En als ik je redigeer, hoef ik je niet eens aan te raken.’
‘Maar je vraagt mij ook om willens en wetens de regels van de bibliotheek te overtreden.’
Ditmaal keek Nicodemus lichtelijk wanhopig. ‘Jij kunt niet eens de regels overtreden, want je beschikt slechts over enkelvoudig denken. Je mag je alleen niet door mij laten aanraken. Maar ik wil je meer energetische taal geven. Dat kan ik doen zonder je aan te raken. Ik heb het eerder gedaan en dat spreukbeeld verloor niet één rune.’
Het aapje boog zich naar voren en keek hem uitdrukkingsloos aan. ‘Meer gewicht en tweevoudig denken.’
‘Afgesproken. Draai je om.’
Aan de staart van het beeld hing een dik spreukenboek. Maar in plaats van het los te haken, ging ze op het manuscript staan en draaide zich met haar rug naar Nicodemus toe.
Boven aan zijn mouwen, vlak bij de schouder van zijn zwarte assistentenpij, waren twee openingen aangebracht. Hij stak zijn armen erdoorheen en keek naar zijn rechterelleboog. Magische runen werden niet met een pen op papier geschreven, maar alleen door de spieren. Zoals elke spreukschrijver bezat Nicodemus de aangeboren gave om fysieke kracht om te zetten in tekens van magische energie. Door zijn biceps te spannen vervaardigde hij een aantal runen. Hij kon de zilveren taal door zijn huid heen zien glanzen. Opnieuw spande hij zijn armspieren en schikte de runen in een zin die hij naar zijn onderarm stuurde.
Met een snelle polsbeweging wierp hij de spreuk van zich af, die door de lucht kronkelde als een glanzende rooksliert. Daarna stak hij zijn arm uit en gooide de zin om de nek van het aapje.
Deze spreuk was gemaakt om de constructie uit elkaar te halen. Overal waar het aapje was geraakt, begon ze zilverachtig te glimmen. Met zijn linkerarm toverde Nicodemus een tweede zin die hij vlak naast de eerste liet neerkomen. Er liep een streep licht van haar nek tot haar staart, waarlangs haar rug openspleet. Voor zijn ogen verscheen een kolkende massa gloeiend proza.
De magische talen hadden verschillende eigenschappen en dit spreukbeeld bestond uit twee talen: Magnus, een robuuste zilveren taal die de fysieke wereld kon beïnvloeden, en Numinus, een sierlijke gouden taal die het licht en andere magische teksten kon veranderen. De gedachten van het spreukbeeld werden gestuurd door het Numinus, haar bewegingen door het Magnus.
Nicodemus wilde aan de constructie energetische Magnuszinnen toevoegen. Gelukkig waren dergelijke teksten zo eenvoudig dat zelfs een kakograaf ze zonder fouten kon opstellen. Ervoor wakend dat hij het spreukbeeld niet aanraakte, stuurde hij de energetische zinnen naar het aapje en algauw verscheen er een koord van zilveren licht dat van zijn bovenarmen naar het spreukbeeld liep.
Hoewel zijn teksten meestal wemelden van de fouten, kon Nicodemus sneller werken dan de meeste magiërs. Daarom besloot hij het beeld nog wat extra energie te geven; misschien liet ze zich niet nog een keer door hem redigeren. Nadat hij zijn handen dichter bij het aapje had gebracht, spande hij alles aan, van de fijne wormspieren tussen zijn vingerkootjes tot de ronde deltaspier bij zijn schouder. Even later stroomde er een grote hoeveelheid glanzende zinnen over naar de rug van het spreukbeeld. Het licht werd zo fel dat hij vreesde ongewenste aandacht te trekken. Gelukkig stond hij nog meters verwijderd van het dichtstbijzijnde raam, maar een magiër die lang had doorgewerkt en nog langs de bibliotheek liep, zou het schijnsel beslist opmerken. Als Nicodemus werd gesnapt, zouden ze hem verbannen en misschien voor de rest van zijn leven censureren.
Plotseling hoorde hij links van hem een harde klap. Geschrokken hield hij op met schrijven en draaide zich om in de verwachting dat er een woedende bibliothecaris op hem af zou komen. Maar hij zag alleen donkere boekenkasten en rekken met perkamentrollen en daarachter een rij smalle ramen, waar het maanlicht doorheen viel.
Een tweede klap deed hem opspringen. Het geluid leek van boven te komen. Hij keek naar het plafond, maar daar was niets te zien. In het donker hoorde hij gestamp, alsof er iemand over het dak rende. De voetstappen klonken eerst boven zijn hoofd en verplaatsten zich naar de andere kant van de bibliotheek.
Nicodemus volgde het geluid met zijn blik. Zodra de voetstappen het uiteinde van het dak hadden bereikt, werd het stil. Er gleed een schaduw langs twee papieren schermen voor de ramen.
Toen klonk er gemompel naast hem: ‘Ba, bal, ballon, ballistisch.’ Gevolgd door gegrinnik. ‘Symbolische ballistiek. Ha! Symbolisch, diabolisch. Sym... bolisch is het tegengestelde van dia... bolisch. Haha!’
Nicodemus keek omlaag en zag tot zijn schrik dat zijn hand verwikkeld was geraakt in de zilveren en gouden slierten tekst van het spreukbeeld. Zijn aanraking had de zinnen die eerst zo stabiel waren in de war gemaakt. Toen hij schrok van de klap, had hij het aapje waarschijnlijk per ongeluk aangeraakt. ‘Alle donders!’ fluisterde hij terwijl hij zijn hand terugtrok.
Zodra hij het spreukbeeld had losgelaten, klapte haar rug dicht. Onmiddellijk kwam het aapje overeind en staarde hem aan met een gouden en een zilveren oog. Beide ogen gaven licht. ‘Vertex, vortex, universiteit,’ mompelde ze en ze lachte haar scherpe tanden bloot. ‘Introvert, extravert. Haha! Aversie, aveeeeeersie.’
‘O! Donders!’ fluisterde hij met grote ogen, te geschokt en bang om zich te verroeren. Hij werd overweldigd door een misselijkmakend schuldgevoel. Waarschijnlijk had hij de basistekst van het spreukbeeld onherstelbaar beschadigd.
De constructie sprong van tafel en verdween in het gangpad. Het spreukenboek hing nog steeds aan haar staart. Doordat het openklapte, vielen er enkele alinea’s uit, geschreven in verschillende magische talen. De zinnen kronkelden over de vloer als wormen. Twee ontploften tot wolkjes van witte runen. Andere vielen langzaam uit elkaar tot er niets meer van over was.
‘Wacht!’ riep Nicodemus, en hij sprintte achter het spreukbeeld aan. ‘Stop!’
Het spreukbeeld hoorde hem niet, of wilde hem niet horen. Ze sprong op een vensterbank en stortte zich door het papieren scherm naar beneden. Nicodemus was net op tijd bij het raam om haar te zien vallen. Ze stortte negen verdiepingen naar beneden op de binnenplaats die was begroeid met iepen, gras en klimop. Uit het open spreukenboek dat aan haar staart hing, vielen losse alinea’s. Stralende gouden, zilveren, witte en groene woorden vormden een lichtende komeet van magische taal.
‘Hemelse goedheid, laat magister Shannon er niet achter komen,’ prevelde Nicodemus. ‘Alsjeblieft!’
Het spreukbeeld raakte de grond en ging er op een drafje vandoor, maar de alinea’s bleven vallen en beschenen de stenen torens, bogen en zuilengangen van de omringende gebouwen. Nicodemus draaide zich om en wilde achter het mislukte spreukbeeld aan gaan.
Ineens zag hij vanuit zijn ooghoeken iets bewegen. Hij wist niet wat het was geweest, want toen hij achterom keek, was het alweer verdwenen. Hij hield alleen een vage impressie over van een geheel in het wit geklede figuur met een kap over zijn hoofd, die op een versierde steunbeer stond.