Hoofdstuk 13

Nicodemus liep op een drafje door de banen zonlicht die door de rechthoekige ramen stroomden. Buiten was de hemel zo blauw dat hij wel geëmailleerd leek. De frisse najaarslucht voerde de geur van rook mee, afkomstig van de vuren waarop het ontbijt was bereid.

Zijn allereerste compositieles... en hij was te laat. Hij probeerde zijn verhaal voor te bereiden, maar zijn gedachten dwaalden de hele tijd af. De echte wereld leek onwerkelijk. Bewakers uit het Noorden verdachten hem van moord. Een onmenselijke vijand maakte om onbekende redenen jacht op hem. De hoop was herleefd dat hij misschien toch de geprofeteerde Halcyon zou zijn. En wat ging hij doen? Een inleiding in spreukschrijven geven aan eerstejaars.

Het leek allemaal te vreemd om waar te zijn.

De magister wist wel wat hij deed, stelde hij zichzelf gerust, terwijl hij een brede trap beklom. Per slot van rekening was hij de assistent en Shannon de groot-magiër. Als zijn leermeester zich moest verweren tegen schrikwekkende, fanatieke bewakers, academisch gekonkel en onmenselijke moordenaars, dan moest hij toch zeker een klas dertienjarigen aankunnen.

Bij het lokaal aangekomen, ging hij naar binnen. Het was een ordelijke, vierkante ruimte met rijen lessenaren, witgekalkte muren en grote boogramen. Maar in die ruimte was de orde ver te zoeken.

De jongens verdrongen zich voor de ramen. Een paar schreeuwden naar andere leerlingen, die eveneens zonder toezicht in een naburige toren zaten. Anderen spuugden uit het raam en probeerden de slapende spreukbeelden op de begane grond te raken. De meisjes klitten samen aan de andere kant van het lokaal. De meesten zaten aan hun lessenaar met elkaar te kletsen of te giebelen. Sommigen speelden een spel waarbij geklapt en gezongen moest worden.

‘O...’ hoorde Nicodemus zichzelf uitroepen, ‘... alle donders.’

Er viel een doodse stilte. Als bij toverslag keerden een twintigtal kinderen hun gezicht naar hem toe. Op dat moment besefte hij dat hij zich had vergist. Niet Shannon maar hij had de zwaarste taak. De angst die bewakers en moordenaars zaaiden, was niets vergeleken bij het schrikbewind dat een stel aankomende pubers kon uitoefenen.

‘Jij bent magister Shannon niet,’ merkte een bleke jongen met een bruine bos haar op.

Dat klopte. Hij léék zelfs niet op Shannon. De oude man zou het lokaal zijn binnengekomen onder het bulderen van grappen en bevelen. Bij hem zouden de eerstejaars vol verwachting naar hun plaats zijn gestormd.

‘Ik ben Nicodemus Kras,’ kondigde hij aan met een zelfvertrouwen dat hij niet voelde. ‘De assistent van magister Shannon. Ik ga jullie de eerste les in compositie geven, dus op je plaats.’

Verbijsterd liepen de novieten naar hun lessenaar. De jongen met het bruine haar stak zijn hand op. Toen Nicodemus knikte, vroeg hij: ‘Waarom hebben we magister Shannon niet? Waar zijn alle magiërs eigenlijk?’

Nicodemus schraapte zijn keel. ‘Alle magiërs, dus ook magister Shannon, zijn voor een spoedvergadering bijeengeroepen.’

‘Heeft hij u het nieuws uit het Noorden verteld?’ vroeg een lang meisje met kort zwart haar.

Hij wilde antwoorden, maar bedacht dat bepaalde zaken misschien geheim moesten blijven. Na een diepe ademteug zei hij: ‘Ik weet niet zeker wat ik jullie mag vertellen.’

‘Of misschien weet u gewoon niets,’ zei de bruinharige jongen met een ernst die in tegenspraak leek met de provocerende lading van zijn woorden.

‘Misschien niet,’ gaf Nicodemus toe. ‘Maar daar breng je iets heel interessants naar voren. Ik heb niet gezegd of ik het nieuws ook echt heb gehoord, maar mijn uitspraak is zo geformuleerd dat het lijkt alsof ik dat wel heb.’

De jongen trok een denkrimpel.

‘Het lijkt onbenullig, maar het is een goed uitgangspunt als we het over spreukschrijven gaan hebben. Waarom zou ik dat doen?’

Stilte. Nog meer denkrimpels.

‘Waarom kies ik mijn woorden zo dat het klinkt alsof ik meer weet dan in feite het geval is? Waarom zou ik mezelf belangrijk proberen te maken?’

‘Omdat we u anders niet serieus nemen?’ opperde de bruinharige jongen sluw.

Nicodemus lachte, al voelde hij zich voor gek gezet. Een paar andere leerlingen lachten nu ook. ‘Daar zit wat in,’ gaf hij toe. ‘Maar ik wilde vooral jullie aandacht afleiden van het nieuws, zodat we ons bezig kunnen houden met de stof. Afgezien daarvan moeten jullie over zulke dingen nadenken. Als jullie magiër willen worden, moet je je afvragen hoe je door taal wordt gemanipuleerd, hoe die je in een bepaalde richting stuurt en je afhoudt van waar het om gaat.’

De jongen stak zijn hand weer op.

Deze keer keek Nicodemus hem grinnikend aan. ‘Laat je hand maar zakken. Ik ga je toch niet vertellen of ik werkelijk nieuws uit het Noorden heb gehoord. Dat was toch je volgende vraag?’

De jongen knikte.

‘Goed zo, volharding is een belangrijke eigenschap voor spreukschrijvers. Hoe heet je?’

‘Derrick, magister.’

Nicodemus zette grote ogen op. ‘Derrick Magister? Ben je al magiër?’ Een paar leerlingen lachten.

De jongen fronste zijn voorhoofd. ‘Ik –’

Nicodemus bracht zijn hand naar zijn mond alsof hij hoogst verbaasd was. ‘Maar je bent nog zo jong!’ Nog meer leerlingen begonnen te lachen.

‘Ik bedoel u, magister,’ zei Derrick op zo’n gebelgde toon dat Nicodemus wist dat hij moest stoppen.

‘Ik voel me gevleid, Derrick, maar ik ben een gewone assistent.’ Hij richtte zich tot de hele klas. ‘Misschien vinden jullie het vreselijk, maar vandaag moet je iemand van boven de twintig bij zijn voornaam noemen!’

Een paar leerlingen lachten geamuseerd.

‘Ik stel voor om te oefenen.’ Hij wees naar het meisje met kort zwart haar. ‘Hoe heet je?’

‘Ingrid.’

Hij wees op zichzelf. ‘En ik?’

Ze opende haar mond zonder dat er iets uitkwam en kreeg een kleur als een boei. Haar buurmeisje boog zich naar haar toe, maar Nicodemus greep op tijd in. ‘Nee, nee, anders bederf je het hele effect van de nieuweling die zich nog moet bewijzen.’

Er werd nerveus gegiecheld.

Het meisje glimlachte, maar werd nog roder.

‘Nnn...’ legde hij haar in de mond. ‘Nnnnicooo...’

Op de gok antwoordde ze: ‘Nicodermis.’

Hij protesteerde. ‘Dat klinkt als een huidziekte.’

Nu had hij de lachers op zijn hand.

‘Sorry dat ik je moet verbeteren, Ingrid, maar ik heet Nicodemus.’ Hij wendde zich tot de klas. ‘Nu wil ik van jullie mijn goede naam horen, dus geen huidziekte.’

Terwijl de leerlingen lachend zijn naam opdreunden, merkte hij een flikkering op in het zonlicht dat door de ramen viel. ‘Laten we met de les beginnen.’ Hij liep naar het venster toe. ‘Dit is een korte les en ik zal mijn best doen die interessant te maken...’

Hij zweeg, omdat de trillende lucht een eindje bij hem vandaan schoof. Een warme gloed trok over zijn wangen en het kostte hem de grootste inspanning te blijven glimlachen. ‘... de les interessant te maken als jullie goed opletten.’ Hij hield zijn toon zo ongedwongen mogelijk, hoewel hij nu zeker wist dat een subtekstuele spreuk, waarschijnlijk van een bewaker, in het lokaal aanwezig was.

‘Hoe leer je een magische taal?’ vroeg hij, zich tot de klas wendend. ‘Een magische taal leer je op dezelfde manier als een gewone taal of wiskunde. Eerst moet je de tekens leren. Voor taal gebruik je letters, voor wiskunde getallen, voor magische taal runen. Er is één verschil: iedereen die een ganzenveer en inktpot heeft, kan gewone teksten leren schrijven. Iedereen die kan zien, kan gewone tekst leren lezen. Maar om een magische tekst te leren lezen of schrijven, moet je geboren zijn met een voor de magie ontvankelijke geest.’

Derrick, de jongen met het bruine haar, boog zich naar een vriend toe en begon duidelijk hoorbaar te fluisteren.

Nicodemus liep naar de jongens toe. ‘Het is belangrijk te weten dat spreukschrijvers met een “geletterde” iemand bedoelen met aanleg voor het leren van de magische talen. Jullie zijn dus allemaal geletterd, omdat je tot de bevoorrechte groep behoort die geboren is met een voor magie ontvankelijke geest.’

Bij Derrick bleef hij staan, die daardoor moest ophouden met fluisteren. ‘Sommige auteurs – waaronder helaas ook een aantal spreukschrijvers – menen dat de Schepper ons bevoorrecht heeft, dat we van nature beter zijn dan de ongeletterden. Sommige auteurs vinden dat we voorbestemd zijn om de maatschappij te besturen. Ik wil jullie eraan herinneren, zoals magister Shannon mij als noviet heeft voorgehouden, dat jullie ouders allemaal ongeletterd zijn. Zonder de ongeletterden zouden wij niet bestaan. Daarom zijn we hun dankbaarheid verschuldigd. We zijn niet voorbestemd om te heersen maar om te dienen –’

Derrick viel hem in de rede. ‘Dat begrijp ik niet. Waarom zouden we anders niet bestaan?’

Nicodemus keek hem aandachtig aan. ‘Omdat spreukschrijvers geen kinderen kunnen krijgen. Bovendien hebben de ongeletterden een veel zwaarder leven.’

‘Ik begrijp het nog steeds niet.’ De toon van de jongen was serieus, maar de jongens om hem heen zaten te gniffelen.

Nicodemus kneep zijn ogen half dicht. ‘Wat begrijp je niet?’

‘Waarom kunnen wij geen kinderen krijgen?’ Er ging een golf van nerveuze hilariteit door de klas.

‘Spreukschrijvers zijn steriel,’ antwoordde Nicodemus, die alleen met veel inspanning zijn gêne kon verbergen.

‘Omdat we geen ziektekiemen hebben?’ vroeg Derrick, met een ondertoon van spot. De jongens om hem heen begonnen openlijk te grijnzen.

‘Nee, Derrick.’ Nicodemus keek hem strak aan. Als de jongen dit per se aan de orde wilde stellen, kon hij het maar beter zo snel mogelijk afhandelen. ‘Ik bedoel dat spreukschrijvers geen kinderen kunnen krijgen als ze aan seks doen.’

Er ging een lachsalvo door het hele lokaal. Hij vroeg zich ernstig af of hij de klas nog in de hand zou kunnen krijgen.

‘Seks?’ vroeg Derrick met gespeelde verontwaardiging en hij bracht zijn handen naar zijn gezicht. ‘Dat doet pijn aan mijn maagdelijke oren.’

‘En wat er nog meer maagdelijk aan je is,’ kaatste Nicodemus met een uitgestreken gezicht terug.

Het gelach zwol aan. Derricks gezicht werd paars van schaamte.

Nicodemus liep snel naar voren. ‘Terug naar de magische taal. We hebben vastgesteld dat jullie allemaal een geletterde geest hebben. Die gave stelt je in staat met behulp van spierkracht runen te vormen. Zoals bij elke andere taal moet je eerst woorden leren en begrip krijgen van de grammatica. Vervolgens leer je hoe je de runen in je lichaam kunt verplaatsen, hoe je ze tot zinnen aan elkaar kunt rijgen en ten slotte hoe je die zinnen de wereld in kunt werpen.’

Het gelach was weggestorven en twintig glimlachende gezichten waren naar hem opgeheven. Met meer zelfvertrouwen ging hij door: ‘Daarom hebben jullie anatomielessen gekregen en zullen jullie ontledingen moeten doen. Het is ontzettend belangrijk alle spieren en botten te leren kennen. Later wil je bijvoorbeeld de ene paragraaf om je humerus en de andere om je ulna wikkelen. Zijn er nog vragen?’

Derricks hand schoot de lucht in.

Nicodemus sloeg vertwijfeld zijn ogen op. ‘Laat ik het anders formuleren: zijn er nog vragen over spreukschrijven?’

De jongen liet glimlachend zijn hand zakken, wat opnieuw een lachbui veroorzaakte.

Nicodemus knikte. ‘Dan ga ik nu iets vertellen over de verschillende magische talen. Drie daarvan zijn bekend in alle magische samenlevingen en daarom noemen we ze de gemeenschappelijke talen. Jejunus is de eerste die jullie leren. Deze talen zijn betrekkelijk zwak, maar erg belangrijk. Iedereen die de gemeenschappelijk talen beheerst, kan ze een andere spreukschrijver ook leren.’

Hij stak een vinger op. ‘Als toekomstige magiërs zullen jullie echter veel langer moeten studeren op de niet gemeenschappelijke, zogenaamde “hogere” talen. Elke magische samenleving gebruikt en beheerst andere hogere talen. Het Numinus en Magnus zijn in handen van de magiërs. In tegenstelling tot de gemeenschappelijke talen kunnen de hogere niet door iedereen onderwezen worden. Ik kan het alfabet van het Numinus en Magnus vormen, maar ik kan ze jullie niet leren zonder gebruik te maken van een magisch voorwerp, een foliant.’

Hij beende van de deur naar de andere kant van het lokaal en weer terug. ‘Folianten zijn mooie, dikke boekwerken. Een krachtige schrijver kan door het contact met een foliant een hogere taal verwerven. Op dit moment zijn er maar drie folianten voor het Magnus en drie voor het Numinus. In Sterrenstee hebben we er van allebei een. Deze voorwerpen zijn belangrijk omdat...’

Een warme gloed vloog naar zijn wangen en hij bleef staan. Op hetzelfde moment nam hij een zwakke rimpeling in de lucht waar, een paar passen van de deur. Was er nog een gesubtekste spreukschrijver binnengekomen? Zijn maag kromp samen. Een andere bewaker misschien? Of werd hij van meerdere kanten in de gaten gehouden?

Hij zette al die vragen van zich af en draaide zich om naar de klas. ‘Sorry, maar zoals ik al zei: folianten zijn belangrijk omdat ze garanderen dat een magische samenleving de controle over zijn eigen taal houdt. Ook al zou je het Numinus en Magnus volledig beheersen, dan kun je nog niet in het geheim naar de priesters en hydrologen gaan om ze onze hogere talen te leren. Daarvoor heb je een foliant nodig. Je kunt wel op verzoek magische spreuken voor ze schrijven. Daarom mag je Sterrenstee niet zonder toestemming verlaten. En doe je dat toch, dan laat de Orde je opsporen.’

Hij zweeg en stak zijn armen uit zijn mouwen. ‘Nu zal ik een kleine demonstratie geven. Ik ben begonnen runen te vormen voor een eenvoudige Magnuszin. Die runen maak ik hier, in de buigspieren van mijn onderarm. De zin die zo ontstaat stroomt naar mijn gebalde vuist. Een spreuk moet zich in de juiste vorm plooien om actief te kunnen worden. Daar help ik haar nu bij. Steek je hand op als je de runen kunt zien.’

Een paar handen gingen de lucht in, waaronder die van Derrick.

Glimlachend schudde Nicodemus zijn hoofd en klakte met zijn tong. ‘Wie zijn hand opsteekt, liegt. Het is namelijk onmogelijk de magische runen te zien, tenzij je die taal goed beheerst.’

De klas lachte, en Derrick nog het hardst van allemaal.

Toen het rustig werd, nam Nicodemus de draad weer op. ‘Door mijn hand snel te openen... zo dus... gooi ik de spreuk omhoog. Als jullie Magnus kenden, zou je een glanzende lijn van zilveren runen in de lucht zien zweven, als een lint dat opwaait in de wind.’

Hij keek zijn leerlingen onderzoekend aan. ‘Wanneer ik de spreuk werp, horen sommigen van jullie misschien een klok in de verte luiden. Anderen worden misselijk of hebben het gevoel dat het hierbinnen warmer en lichter wordt. Dat is geen toeval. Jullie vangen mijn spreuk op, maar niet op een systematische manier. Dat komt omdat iemand die gevoelig is voor de magie zijn waarneming verplaatst naar zijn gewone zintuigen als hij met een onbekende of verborgen magische tekst in aanraking komt. Dit fenomeen wordt synesthesie genoemd. Het is een moeilijk woord met twee trocheeën. Ik wil dat iedereen herhaalt wat ik zeg: SIN-es-TEE-zie.’

De klas dreunde het woord op.

Hij knikte. ‘Synesthesie gebeurt ongemerkt, behalve als je er alert op bent. De reactie verschilt per persoon.’

Het meisje met het korte haar stak haar hand op. ‘Wat is jouw reactie?’

Hij keek uit het raam. ‘Bij verborgen spreuken wordt mijn gezicht warm. Het lijkt op blozen. Een leerling heeft meestal jaren nodig om te ontdekken wat zijn speciale vorm van synesthesie is, dus trek het je niet aan als –’

Er vloog een blos over zijn gezicht, misschien omdat hij het er juist over had. Zijn hart begon sneller te kloppen en hij kon alleen nog maar aan de subtekstuele bewakers denken. Weer keek hij naar de deur en hij schrok zich een ongeluk. Er stond een man in de deuropening die geheel in het zwart was gekleed. De nieuwkomer knikte hem toe. ‘Als de les voorbij is, moet ik de leerlingen naar hun toren brengen.’

‘O, ja,’ zei Nicodemus, opgelaten omdat hij de man nu pas herkende als een studiebegeleider van de eerstejaars. ‘We waren bijna klaar.’

De warmte trok langzaam weg uit zijn gezicht en zijn hart kwam tot bedaren. Hij wendde zich tot de klas. ‘Jullie hebben mijn eerste college overleefd. Dat is een hele prestatie. Loop achter elkaar de klas uit en volg jullie studiebegeleider. Derrick, jou wil ik nog even spreken.’

Nu de opwinding van het lesgeven van hem afviel, wreef hij in zijn ogen en voelde weer hoe moe hij was. Hij vroeg zich af wie er in gesubtekste gedaante zijn les hadden gevolgd en welke indruk hij op hen had gemaakt.

‘Krijg ik straf?’ hoorde hij iemand mistroostig vragen.

Hij keek op en zag dat alleen Derrick nog in het lokaal was. De jongen stond voor hem met neergeslagen ogen en zijn armen over elkaar.

‘Nee hoor.’ Nicodemus ging zitten en pakte pen en papier uit een van de lessenaars. Aan de ene kant van het vel schreef hij ‘verbieden’ en aan de andere kant ‘verbeiden’. ‘Ga zitten en lees wat hier staat.’ Hij hield het papier omhoog.

Derrick gehoorzaamde zonder hem aan te kijken. ‘Verbieden’ las hij na een blik op het woord te hebben geworpen.

‘En wat staat hier?’ Hij draaide het vel om.

‘Verbieden,’ herhaalde Derrick.

Nicodemus gaf hem een blanco vel met de pen erbij. ‘Schrijf het woord nu eens op.’ De jongen schreef ‘verbeiden’.

Langzaam uitademend zei Nicodemus: ‘Als ik het mis heb, moet je het zeggen, maar je behaalt slechte resultaten, ook al begrijp je de lessen prima.’

Derrick kreeg een kleur.

Op zachtere toon vervolgde Nicodemus: ‘Je bent een intelligente jongen, die heel slimme vragen stelt. Het spijt me als ik te streng tegen je was.’

‘Je was niet –’ begon de jongen.

‘Ik heb zo’n idee dat je met je gevatheid in de lessen iets anders probeert te verbergen. Dat zeg ik omdat ik vroeger met precies hetzelfde probleem heb gezeten. Begrijp je dat?’

Derrick ontspande zich en hij keek op. ‘Nee.’

Nicodemus hield het papier op. ‘Hier staat verbieden.’ Hij draaide het om. ‘En hier staat verbeiden. Ik kan die twee alleen uit elkaar houden doordat ik een stip bij ‘verbieden’ heb gezet. Als iemand anders die twee woorden had opgeschreven en me had gevraagd ze voor te lezen, had ik het verschil slechts met de grootste inspanning gezien. Ik heb mijn hele leven geprobeerd dat te veranderen, maar het is niet gelukt. Ik blijf woorden verkeerd lezen en schrijven. Begrijp je het nu?’

‘Een beetje.’

‘Luister goed. Je hebt een beperking, net als ik. De ene helft van de mensheid zegt dat je daarom dom en waardeloos bent, en de andere helft beweert dat je helemaal niets mankeert. Sommigen zien je onvermogen zelfs als een gave.’

Hij zweeg, en overpeinsde hoe de onzichtbare luisteraars in het lokaal zijn woorden zouden opvatten. ‘Het is allebei niet waar. Je bent geen mislukkeling, maar ook niet bijzonder begaafd. Je bent uitsluitend wat je er zelf van maakt. In dat opzicht verschil je niet wezenlijk van alle andere leerlingen. Hoeveel grappen en grollen je ook in de klas uithaalt, het zal je niet tegen de buitenwereld beschermen. Eerst moet je dit goed beseffen.’

‘Ik... ik begrijp het niet, magister.’

‘Noem me geen magister. Ik ben geen magiër en dat word ik misschien wel nooit. Het geeft niet dat je het niet begrijpt. Ik begreep het zelf ook pas goed toen ik het daarnet onder woorden bracht. Ik weet niet of ik het op jouw leeftijd al interessant vond of kon begrijpen. Maar herinner je je nog wat ik heb gezegd?’

De jongen knikte.

‘Herhaal het eens.’

Derrick kon het woordelijk herhalen.

‘Dat je nog precies weet wat ik heb gezegd, betekent dat je bepaalde talenten hebt, wat vaker bij ons soort mensen voorkomt. Beloof me in elk geval dat je nooit vergeet wat ik je heb verteld.’

De jongen beloofde het. Nicodemus moest een opkomende gaap onderdrukken. In stilte was hij dankbaar dat Shannon hem had opgedragen voor het middagmaal een dutje te doen.

‘Mag ik gaan?’ vroeg de jongen aangeslagen.

Nicodemus knikte. ‘Ja, ga naar je klasgenoten. Je hoeft niets over ons gesprek te vertellen. Als je studiebegeleider ernaar vraagt, zeg dan maar dat je een standje hebt gekregen omdat je een grote mond had in de klas.’ Hij keek de jongen glimlachend aan.

Zonder iets te zeggen, sprong Derrick op en rende weg.

Nicodemus moest weer geeuwen en bleef nog even zitten, met zijn ellebogen steunend op het bureau en zijn hoofd in zijn handen. Toen hij wilde opstaan, hoorde hij geschuifel bij de deur. Hij keek op in de veronderstelling dat de subtekstuele bewakers hun aanwezigheid kenbaar maakten, maar het was Derrick die nog in de deuropening stond.

‘Is er iets?’ vroeg hij.

‘Nee.’ De jongen keek hem voor het eerst aan. ‘Maar... ik wou u bedanken, magister.’