(een straf voor onze zonden)
De meeste badgasten hebben een heenkomen kunnen zoeken in het Kurpaleis. Of het veilig is, weet nog niemand. Het schijnt dat de kreeften het nog niet op de gebouwen gemunt hebben. Hun belangrijkste prooi zijn auto’s, motors en semipermanente gebouwen, zoals patat- en viskramen, caravans, pavilloens en de keten van de reddingsbrigade. De hele badplaats is een slagveld. De mensen die het Kurhotel zijn binnengevlucht, kijken angstig door de brede en hoge ramen in de omloopgaanderijen van de grote Kurzaal naar de chaos op de boulevard en het eronder gelegen strand.
De bedrijfsleiding van het mammoethotel is er redelijk in geslaagd opkomende paniek het hoofd te bieden. Er is alleen een oude dame vertrapt en een paar mensen kregen een shoc, maar die zijn allen via een nooduitgang naar het Palacehotel vervoerd waar de hulpdienst van het Rode Kruis aktief is. Maar nu de mensen door de ramen de ravage buiten kunnen blijven zien die de kreeften aanrichten, dreigt er opnieuw paniek te ontstaan onder de duizenden mensen die in alle ruimten van het Kurpaleis samengepropt zijn.
Toch doet men vanwege de bedrijfsleiding van alles om de mensen op hun gemak te stellen en af te leiden van de gruwelen buiten het gebouw.
Men heeft zelfs een kindercrèche ingericht in een van de kleine zalen, waar anders kamermuziekconcerten plaats vinden of recitals. Er zijn via de interkom van het hotel zelfs kleuterleidsters opgetrommeld die met de kinderen spelletjes doen, voorzover de mogelijkheden daartoe aanwezig zijn.
Er zijn - waar ze vandaan komen weet niemand - zelfs speelgoedautootjes, blokkendozen en kralenplankjes. De bejaarden en allen die niet meer zo goed ter been zijn, zijn in één van de benedenzalen bijeengebracht waar een reisburo toeristische filmpjes draait over zonnige kusten in Spanje en Griekenland. Niets mag immers de mensen herinneren aan de vreselijke ervaring van zojuist en de gevolgen ervan kunnen voorlopig maar het beste onbekend blijven. De mannen van de Bescherming Burgerbevolking hebben van de vluchtende badgasten bij het binnenkomen meteen alle transistorradio’s gevorderd. Want als de mensen de nieuwsberichten zouden kunnen volgen, zou er zeker paniek uitbreken. De mensen worden trouwens steeds onrustiger. Vooral de jongeren in de grote zaal. Af en toe klinkt er ineens hysterisch gegil. Van één van de gaanderijen komt een vrouw de zaal inrennen: ze hebben mijn auto, mijn nieuwe auto! Een ander loopt verdwaasd rond, roepend: mijn vrouw, ik zie mijn vrouw nergens.
Eén van de direktieleden, een nog jonge man in een keurig gesneden grijs kostuum met donkerrode stropdas en modieuze schoenen, slaat vanuit een hoek alles gade met een trek om de mond van: dat zal verdorie heel wat bedrijfsschade met zich meebrengen. Hij wenkt één van de kelners in muisgrijze smoking die langs de wanden onhandig uit de toon staat te vallen, en zegt zacht: ‘Er moet wat gebeuren, anders breken ze straks de boel af. Organiseer wat man.’
De man neemt zijn onderlip tussen duim en wijsvinger en denkt na, maar er komt niks. Dan heeft één van de liftjongens die het gesprek staat af te luisteren, het lumineuze idee, de popgroep die elders in het gebouw aan het repeteren is voor een koncert vanavond, nu dat koncert te laten geven voor de gevluchte badgasten.
De bedrijfsleiding roept het even later om en nadat men de zware gordijnen op de omloopgaanderijen met een druk op een centrale knop heeft gesloten, is er niets meer wat herinnert aan de griezelige dingen buiten.
De mensen komen dan ook na een tijdje allemaal naar de grote zaal, aangetrokken door de keiharde muziek.
Na twee nummers is het publiek gewonnen.
‘We hebben ze plat,’ zegt de jongen met de saxofoon tegen de leadgitaar, terwijl hij zijn kauwgom naast zich op de grond spuwt. De jongeren beginnen nu mee te zingen, klappen in de handen en fluiten na elk nummer fanatiek, alsof er buiten niets aan de hand is. Het wordt alleen bloedheet in de zaal, omdat de airconditioning niet is berekend op zoveel mensen. Maar ook daar weet de bedrijfsleiding iets op. De manager in het grijze pak laat omroepen dat er gratis koele dranken en ijs verkrijgbaar zijn na het koncert in de omloopgaanderijen van de grote zaal op alle verdiepingen. Er wordt alleen ekstra personeel gevraagd om de konsumpties te helpen uitdelen. Er bieden zich onmiddellijk tegen goed beloning een aantal platzakke badgasten aan.
Een meisje van de boekhouding komt op hoge benen, een bloknoot in haar hand, naar de manager toe en fluistert wat.
De man grinnikt en zegt:
‘Boeken bij onvoorziene uitgaven. Vragen we straks terug bij de overheid liefje. Met rente. Zullen ze moeilijk kunnen weigeren. Geef trouwens maar door dat ze het publiceren in de kranten met de merknamen, snap je. Coca Cola, Seven up. Dan is er van die kant ook nog wel het een en ander te halen.’
Het meisje kijkt haar werkgever bewonderend aan. Ze kan niet ruiken hoe zijn gedachten stinken, ze snuift alleen zijn after-shave. Ze beent weer weg, het korte rokje strijkt langs de blote benen van de badgasten. Coca Cola around the world. Ook nu die wereld bezig is te vergaan. Maar dat merken de badgasten niet. De overgordijnen van het Kurhotel zijn van vingersdik pluche. Dus ze zien niet wat de jongen en het meisje in de bunker zien door de dunne spleet.
Afleiding genoeg. Popmuziek, frisdranken, de filmpjes in de benedenzaal en de bouwdozen in de kindercrèche. Toch ontstaat er weer even onrust als één van de aanwezigen, kennelijk een priester, tussen twee nummers van de popgroep in het podium beklimt en een preek begint af te steken. Maar omdat de man veel te pathetisch staat te bewegen vóór de mikrofoon, vangt die maar de helft van zijn zinnen. De mensen in de zaal horen alleen maar flarden.
... straf voor onze zonden...de techniek die zich tegen ons keert...monsters die we hebben geschapen........en onze onsterfelijke zielen besmeuren... dan de ten hemel schreiende vervuiling van.... en niet in het minst in onze eigen zielen... is het wonder dat de machines die we eigenhandig schiepen (nou begint ie de mikrofoon-techniek door te krijgen) zich met alle middelen teweer stellen tegen hun scheppers. En daarom zal de chaos...
Als de man teveel mensen op zijn hand begint te krijgen en velen weer bezorgd naar de uitgangen van de zaal kijken, komt iemand de priester in het oor fluisteren dat de direktie van het Kurhotel er prijs op stelt hem als dank voor zijn stichtelijke woorden een diner aan te bieden in de grillroom beneden. Dat is voldoende om de stem gods het zwijgen op te leggen. De man kijkt nog even met een donkere blik naar zijn gehoor, zwaait bezwerend met de armen en likt al zijn baard: kreeftecoctail, steak du chef, fromage varié du pays.
De jongens van de popgroep zijn zo taktisch hun koncert te vervolgen met een nummer uit Jesus Christ Superstar en de mensen worden weer rustig. De direktie is zeer tevreden. Die jongens krijgen een dubbele gage.
In de benedenzaal zijn de meeste bejaarden in slaap gesukkeld tijdens een filmpje over de Azoren, duizelig van het elektrische zonlicht op het doek. De kinderen in de kindercrèche spelen met de blokkendozen en de bouwdozen ‘kreeft-ik-heb-je’ en hebben de grootste lol. De in het gebouw aanwezige mannen van de politie en de burgerwacht volgen met kleine transistors aan hun oor de nieuwsberichten. De minister-president heeft zijn kollega’s van miljeu-beheer, defensie en verkeer in spoedzitting bijeengeroepen, maar het ziet er naar uit dat de heren onderweg in hun auto door kreeften zijn tegengehouden en hoogstwaarschijnlijk vermorzeld. De afschuwelijke beesten zijn nu reeds genaderd tot de Veluwezoom. En ook uit Bretagne en de Zuidkust van Engeland komen alarmerende berichten.
Het schijnt dat de monsters zich voeden met benzine, want er is een ooggetuige die beweert één van de ondieren bij een pompstation te hebben zien drinken uit één van de pompen, minuten lang tot de pomp leeg was.
De radio meldt dat vrijwel alle badplaatsen langs de kust door de schrootkreeften onveilig worden gemaakt. Over het lot van de duizenden badgasten is nog niets met zekerheid te zeggen. Minister-president Wiegel spreekt een kort in memoriam over beide zenders als inderdaad bevestigd wordt dat de bewindsman van Landschap en Miljeubeheer, Van Duyn, op weg naar het kabinetsberaad het slachtoffer is geworden van de monsterachtige beesten.
Eén van de politiemannen laat de transistor zakken en kijkt ineens achter zich, gealarmeerd door een licht gekraak in de muur. Dan staat ie als verlamd. Het stucwerk valt in brokken op de grond en een enorme stalen klauw wordt zichtbaar.