11
Ik herinner me een wandeling, jaren geleden al. Hij woonde pas in die flat. Nog zonder poes en zonder manie. Of..
Op de stoep waar ik nu loop, begon hij over zichzelf, over religie en over verre reizen. Hij praatte altijd over meer dingen tegelijk. Ik heb daarom nooit gedacht aan een manie. Hij was nu eenmaal zo. Eigenlijk was het die dag veel te mooi weer om over moeilijke dingen te praten. Anders praatte ie alleen maar over de reis die hij ging maken, of de reis die hij net achter de rug had, maar die keer haalde hij er van alles bij.
Hij zou die zomer naar Israël gaan. Ieder jaar ging ie weer naar een ander, ver land.
‘Je moet ook vrijgezel worden,’ spotte hij meestal, ‘wie vrijgezel is, kan verre reizen doen en wie verre reizen doet, kan veel vertellen.’
‘Ik doe het wel met jouw kaarten,’ zei ik dan.
‘Bewaar je ze dan echt? ’ vroeg ie een keer verbaasd.
En toen op die stoep vroeg ie ineens:
‘Wat vind je van me? ’
Zomaar midden in het mooie weer. En hij begon te praten als een trein. Zei dat ie de kultuurhistorie als smoesje gebruikte om te reizen. En het reizen als smoesje om zichzelf te ontlopen. En dat dat niet eerlijk was. Iedereen moest zich de luukse kunnen permitteren om voor zich zelf op de loop te gaan. Jij ook, zei ie terwijl ie me niet aankeek.
‘Moet je daarvoor verre reizen maken? ’ vroeg ik.
‘Ik wel,’ zei hij, ‘in een huiskamer krijg ik het niet klaar, ik heb er cafés, hotelkamers, bergtoppen, stranden voor nodig.’
Diezelfde zomer stuurde hij ons een ansicht van de Dode Zee. Zelfs God blijft hier drijven, stond er op de achterkant.
Het is of ie weer naast me loopt op de stoep en of ik hem hoor praten, zijn bescheiden en toch een beetje bekakte aksent. Hij is het studentenjargon nooit helemaal kwijt geraakt. Het hoorde bij hem. Een soort schild. Zoals de vermeende dekadentie die hij kultiveerde in gezelschap van anderen. Hij gaf niets om vrouwen, maar ze waren er wel en draaiden om hem heen. Van die grote, belezen, onhuishoudelijke vrouwen, die nooit hun schoot openen, alleen maar hun mond.
Hij was gek van Couperus en Gide. Ging een paar keer per jaar naar het casino in Knokke. Niet om te spelen, maar om Magritte te zien. Je merkte het aan hem, als ie er geweest was, dan was ie weer depressief.
En als ik hem zei, dat ik meer hield van Duchamp en Miller en Kienholz en Raes, dan schold ie me voor barbaar. Wat ik in zijn ogen ook geweest moet zijn: aktief, weinig spiritueel, getrouwd.
Toen ie een keer om half zeven ’s avonds bij ons op bezoek kwam en ik stond af te wassen, zei ie zacht:
‘Een mens kan diep zinken.’ Maar hij hielp wel mee. Zoals die keer dat we bij vrienden tot de vroege morgen gedronken en geboomd hadden en hij gelijk met ons opstapte. We hadden de baby in de kinderwagen op de gang staan. Toen we buiten kwamen, werd de baby huilend wakker en ging net de zon op. We moesten ons met zijn drieën aan de kinderwagen vastklampen om niet om te vallen, zo kachel waren we. Hij en ik dan, vrouwen hebben een beter maatgevoel.
De baby bleef huilen. Maar hij kreeg haar stil met een verhaal over de pyramiden van Egypte. De baby keek met grote donkere ogen verbaasd naar de man die die onzin uitsloeg. Frank zei alleen maar, toen we vóór de deur stonden en afscheid namen:
‘Daarvoor hebben de farao’s al die graven laten bouwen, om haar stil te krijgen, jullie dochter. Dat is het fijne van de kultuurgeschiedenis. Wees er maar trots op.’
En hij liep lichtjes waggelend de hoek om naar zijn lege flat.