(naar de bunker)

Een eind verder wordt het rustiger en kunnen ze weer gewoon op de weg lopen. De meeste mensen blijven blijkbaar toch het liefst in de bebouwde kom, hopend ergens binnen in een huis, een hotel of een dancing een veilig heenkomen te vinden. Aan het eind van de boulevard klimmen de twee jongelui over het prikkeldraad en bestijgen het duin.

‘Daarboven is het,’ hijgt de jongen en trekt het meisje mee naar boven. Haar haren hangen los en ze heeft lange schrammen op haar been van het prikkeldraad.

Maar als ze boven op het duin staan, zien ze de bunker. Ze moeten zich door een heel klein gat wurmen om erin te komen. Het is er aardsdonker en het stinkt er naar pis en stront. Anders spelen kinderen hier hun spelletjes. De jongen deed het vroeger ook, daarom kende hij deze schuilplaats.

‘Het stinkt hier,’ zegt het meisje pruilend.

‘Klets niet! Wil je soms terug? ’

‘Nee,’ zegt ze en leunt huilend tegen hem aan.

Als hun ogen aan het donker gewend zijn, zien ze vóór zich een smalle spleet licht.

‘Hier kun je naar buiten kijken,’ zegt de jongen en samen gaan ze met hun gezicht voor de spleet staan. Je kunt de zee zien van hieruit en een stuk van de boulevard tot aan het Kurhotel. Overal zien ze nu de kreeften. Ze hebben nu pas de kans er goed naar te kijken. Door hun enorme grootte lijken ze dichterbij dan ze in werkelijkheid zijn.

‘Hoe kan dat nou dat die beesten van die schroothoop afkomstig zijn? ; vraagt het meisje.

‘Dat moet je mij niet vragen,’ zegt de jongen met zijn mond vlak bij haar wang.

‘Zet de radio eens aan,’ zegt zijn meisje, ‘misschien zeggen ze wel iets.’

De jongen drukt de knop in en draait aan de muziek tot ie iemand hoort praten.

.... wetenschappelijk gezien een volslagen raadsel.

Professor Krol van de universiteit van Amsterdam beweerde in een vraaggesprek met Echo dat het in principe mogelijk is dat de in het schroot nog aanwezige olieresten gevoegd bij de metaaloxyden van het schroot misschien onder invloed van de in het zeewater aanwezige zouten een chemische reactie zouden kunnen vertonen die de massa tot een bepaalde primitieve vorm van leven zouden kunnen wekken. Maar dat zoiets hoogstens in een zeer geperfektioneerd laboratorium onder optimale kondities mogelijk zou zijn. De in de olieresten aanwezige Gen H atomen zouden zich in princiep kunnen binden aan de in de bevuilde atmosfeer aanwezige O, N en metaalatomen.

En daardoor eiwitachtige strukturen kunnen aannemen. Maar Professor Krol stond erop dit hoogstens als een hypothese gepubliceerd te zien...

‘Doe maar weer uit, snap jij het? ’ zegt het meisje.

‘Nee,’ zegt de jongen en duwt de knop in. Ze kijken weer naar buiten.

‘Ze komen hier niet, wedden? ’ zegt de jongen plotseling overmoedig, terwijl hij haar tegen zich aandrukt. Blij dat zijn plan gelukt is. Ze zijn hier veilig.

Zijn meisje zegt niks, maar beantwoordt zijn druk. ‘Wedden dat ze hier niet komen? Ze blijven bij de huizen,’ echoot hij zichzelf.

Er zijn nu veel meer helikopters in de lucht. Ook die grote, van de marine zeker. Wanneer er een te laag komt vliegen, heffen de kreeften hun enorme scharen. En dan wint het toestel weer snel hoogte.

‘Ze zijn nu op de grote parkeerplaats,’ zegt de jongen, terwijl hij door de spleet blijft turen.

‘Ik zie niks,’ zegt ze.

‘Rechts naast het Kurhotel, zie je ze niet? ’

En dan ziet ze het ook. Een paar kreeften zijn bezig de nog geparkeerde auto’s met één simpele klap van hun scharen te vernietigen. Eén auto raakt in brand. Maar de kreeften lopen door het vuur en voelen blijkbaar niets. Het lijkt er zelfs op dat ze het vuur blussen als ze het raken. Maar dan moeten de monsters een zeer lage temperatuur hebben.

Er zijn helemaal geen mensen meer te zien. Die zijn nu allemaal ergens naar binnen gevlucht of door de kreeften vertrapt.

‘Als er mensen in hun auto gevlucht zijn, dan zijn ze nou morsdood,’ zegt de jongen meer tegen zich zelf dan tegen zijn meisje. Goddank zijn zij niet naar de auto gevlucht.

‘Zouden ze jouw auto ook...? ’ vraagt het meisje dat zijn gedachte raadt.

‘Weet niet,’ zegt hij en hij vraagt zich af wat ze thuis zullen zeggen, als ie zonder auto thuis komt, als hij tenminste nog ooit thuis komt. Hij heeft weken gezeurd of ie de auto een keer mocht. Hij wou indruk maken op zijn gloednieuwe meisje. Zag haar voor het eerst in een koffiebar. Tijdje geleden. En nu staat ze vlak naast hem en voelt hij haar borsten tegen zich aan, alsof ze al een heel leven met elkaar achter de rug hebben. Terwijl ze vanmorgen op het strand nog zo lullig deed.

Maar hij deed ook lullig, net zo goed. Hij durft nooit met meisjes. Het is of ze hem hoort denken en wat terug wil doen.

‘Dat was een goed idee van je om hiernaartoe te vluchten,’ zegt ze met haar mond vlak bij de zijne. En ineens moet ie haar kussen en drukt ze zich tegen hem aan. Ze moeten staande vrijen, want op de vloer van de bunker ligt allemaal vuiligheid. Het stinkt er tenminste naar.