Geluk
‘Opstaan, Luthar.’
Jezals ogen gingen knipperend open. Het was zo licht dat hij amper kon zien waar hij was, en hij gromde en schermde zijn ogen af met zijn hand. Iemand had aan zijn schouder staan schudden. Negenvinger.
‘We moeten verder.’
Jezal ging zitten. Het zonlicht stroomde de smalle kamer in, recht in zijn gezicht, en stofjes zweefden rond. ‘Waar is iedereen?’ kraakte hij met een dikke, slome tong van de slaap.
De Noordman gebaarde met zijn hoofd naar het hoge raam. Jezal zag broeder Langvoet daar staan, die naar buiten keek, met zijn handen op zijn rug. ‘Onze navigator geniet van het uitzicht. De rest van het stel is buiten bij de paarden om de route te bepalen. Ik dacht dat je nog wel een paar minuutjes onder de dekens kon gebruiken.’
‘Bedankt.’ Hij had nog wel een paar uur kunnen gebruiken. Jezal smakte met zijn zure mond, likte langs de pijnlijke openingen tussen zijn tanden, de pijnlijke gleuf in zijn lip. Elke dag was de zwelling wat minder. Hij raakte er al bijna aan gewend.
‘Hier.’ Jezal keek op toen Negenvinger hem een koek toegooide. Hij probeerde die te vangen, maar zijn gewonde hand was nog onhandig en hij liet hem vallen. De Noordman haalde zijn schouders op. ‘Van een beetje stof ga je niet dood.’
‘Dat denk ik ook niet.’ Hij pakte de koek op, veegde die af en nam er een droge hap van, waarbij hij ervoor zorgde dat hij dat met de goede kant van zijn mond deed. Hij gooide zijn deken van zich af, rolde om en duwde zich stram overeind.
Logen zag hem een paar voorzichtige passen wagen, met zijn armen uitgestoken om in evenwicht te blijven en zijn koek in de hand. ‘Hoe is het met je been?’
‘Het is wel erger geweest.’ En ook beter. Hij hinkte behoorlijk, met zijn pijnlijke been gestrekt. De knie en enkel deden pijn als hij zijn gewicht erop zette, maar hij kon lopen, en elke morgen ging het iets beter. Toen hij bij de ruwe stenen muur was aangekomen, sloot hij zijn ogen en haalde diep adem; hij kon half lachen, half huilen van opluchting om de simpele vreugde van het weer op zijn eigen benen kunnen staan.
‘Van nu af aan zal ik dankbaar zijn voor elk moment dat ik kan lopen.’
Negenvinger grijnsde. ‘Dat gevoel houdt een dag of twee aan, en dan ga je weer klagen over het eten.’
‘Niet waar,’ zei Jezal overtuigd.
‘Nou, een week dan.’ Hij stapte naar het raam en wierp een langgerekte schaduw over de stoffige vloer. ‘Intussen moet je hier eens naar kijken.’
‘Waarnaar?’ Jezal sprong naast broeder Langvoet en leunde tegen de gehavende pilaar naast het raam, hijgend en schuddend met zijn pijnlijke been. Toen keek hij op en viel zijn mond open.
Ze moesten wel heel hoog zijn. Boven aan de steile helling van een heuvel misschien, uitkijkend over de stad. De pas opgekomen zon hing recht voor Jezals ogen, waterig geel in de heiige ochtendlucht. De hemel erboven was helder en bleek, met een paar flardjes witte wolken die bijna stil in de lucht hingen.
Zelfs nu het in puin lag, honderden jaren nadat de stad was gevallen, was het uitzicht over Aulcus nog steeds adembenemend.
Kapotte daken strekten zich tot in de verte uit, verbrokkelde muren die helder werden verlicht door de zon of in diepe schaduwen lagen. Statige koepels, wankele torens, enorme bogen en trotse zuilen staken boven de puinhopen uit. Hij zag de openingen van grote pleinen, van brede lanen, het enorme gat dat door de rivier was geslagen, in een flauwe bocht door het woud van steen rechts van hem, het licht glinsterend op het stromende water. In alle richtingen, zo ver Jezals oog reikte, gloeiden natte stenen in de ochtendzon.
‘En daarom hou ik zo van reizen,’ zei Langvoet ademloos. ‘In één klap, in één moment is de hele tocht de moeite waard geworden. Is er ooit eerder zo'n uitzicht geweest? Hoeveel mensen die nu nog leven kunnen dit hebben gezien? Wij drieën staan voor een venster op de geschiedenis, voor een poort naar een lang vergeten verleden. Niet langer zal ik dromen over het mooie Talins, glinsterend in de zee in het rode ochtendlicht, of Ul-Nahb, gloeiend onder de azuurblauwe koepel van de hemel in de stralende middagzon, of Ospria, trots op zijn berghellingen, met lichtjes die stralen als de sterren in de milde avondlucht. Vanaf dit moment zal mijn hart voor altijd toebehoren aan Aulcus. Waarachtig de parel onder de steden. Onbeschrijflijk subliem in de dood; durven we zelfs maar te dromen hoe het er bij leven moet hebben uitgezien? Wie kan niet stil worden van verwondering bij deze schitterende aanblik? Wie kan niet stil worden van ontzag bij…’
‘Een stel ouwe gebouwen,’ gromde Ferro pal achter hen. ‘En het wordt hoog tijd dat we weggaan. Pak je spullen.’ Ze draaide zich om en beende naar de deur.
Jezal keek fronsend om naar de glinsterende verzameling donkere ruïnes die zich tot in de verte uitstrekte. Het viel niet te ontkennen dat het prachtig was, en toch was het ook angstaanjagend. De schitterende gebouwen van Adua, de machtige muren en torens van de Agriont, alles wat Jezal vroeger prachtig had gevonden, leek maar een doodgewoon flauw aftreksel hiervan. Hij voelde zich net een onwetend jochie uit een barbaars landje, in een kleingeestige, onbelangrijke tijd. Hij was blij dat hij zich kon afwenden en de parel onder de steden in het verleden kon laten, waar hij hoorde. Hij zou niet dromen over Aulcus.
Nachtmerries misschien.
Het moest aan het eind van de ochtend zijn toen ze bij het enige plein van de stad aankwamen waar het nog druk was. Een enorme ruimte, en van de ene tot de andere kant volgepakt met een roerloze, zwijgende menigte. Een uit steen gehouwen menigte.
Standbeelden in alle houdingen, van alle groottes en materialen. Er was zwart basalt en wit marmer, groen albast en rood porfier, grijs graniet en wel honderd andere steensoorten die Jezal niet bij naam kende. De verscheidenheid ervan was al vreemd genoeg, maar het was dat ene wat ze allemaal gemeen hadden waar Jezal echt verontrust over was. Ze hadden geen van alle een gezicht.
Kolossale gezichten waren weggebeiteld, waardoor er vormeloze massa's pokdalige steen waren overgebleven. Kleintjes waren helemaal afgehakt, waardoor er alleen lege kraters van ruwe steen overbleven. Lelijke boodschappen in een taal die Jezal niet herkende waren over marmeren torsen, over armen, om halzen, in voorhoofden gekrast. Het leek erop dat alles in Aulcus op enorme schaal was aangepakt, en het vandalisme was daarop geen uitzondering.
Er lag een vrij pad midden door de sinistere verwoesting, breed genoeg voor de kar. Dus reed Jezal voor aan de groep door het woud van gezichtloze gestalten, aan weerszijden opdringend als de menigte bij een staatsieoptocht.
‘Wat is hier gebeurd?’ mompelde hij.
Bayaz keek naar een hoofd dat met gemak tien passen hoog was, de lippen opeengeperst, de ogen en neus helemaal weggehakt en hoekige letters diep in de wang gekerfd. ‘Toen Glustrod de stad innam, gaf hij zijn vervloekte leger één dag om hun gang te gaan met het volk. Om hun woede te koelen en hun dorst naar plundering, verkrachting en moord te lessen. Alsof ze ooit tevreden zouden zijn.’ Negenvinger hoestte en verschoof ongemakkelijk in zijn zadel. ‘Toen moesten ze alle standbeelden van Juvens in de stad omverwerpen. Van elk dak, van elke zaal, van elke fries en tempel. Er waren veel beeltenissen van mijn meester in Aulcus, want hij had de stad ontworpen. Maar Glustrod was bovenal grondig. Hij zocht ze allemaal op, liet ze hier bijeenbrengen en ontdeed ze allemaal van het gelaat, waarna hij er vreselijke vervloekingen in kerfde.’
‘Geen blije familie.’ Jezal had het nooit goed kunnen vinden met zijn eigen broers, maar dit leek hem wat overdreven. Hij dook weg bij de uitgestoken vingers van een enorme hand die op een doorgehakte pols rechtop stond, met een rafelig symbool in de handpalm gekrast.
‘Wat staat daar?’
Bayaz fronste zijn voorhoofd. ‘Geloof me maar, dat kun je beter niet weten.’
Een kolossaal gebouw, zelfs vergeleken met deze reuzenbegraafplaats, torende aan één kant boven het leger van standbeelden uit. De trap ernaartoe was zo hoog als een stadsmuur, de pilaren van de voorpui zo dik als torens, de monsterlijke gevelsteen bedekt met vervaagd snijwerk. Bayaz hield zijn paard in en staarde omhoog. Jezal stopte achter hem en keek nerveus naar de anderen.
‘Laten we doorrijden.’ Negenvinger krabde aan zijn gezicht en keek ongerust om zich heen. ‘Laten we hier zo snel mogelijk weggaan en nooit meer terugkomen.’
Bayaz grinnikte. ‘De Bloedige Negen, bang voor schaduwen? Ik zou het nooit hebben geloofd.’
‘Elke schaduw wordt door iets geworpen,’ gromde de Noordman, maar de Eerste van Magiërs liet zich niet opjutten.
‘We hebben tijd genoeg om even te stoppen,’ zei hij terwijl hij uit het zadel klom. ‘We zijn nu dicht bij de rand van de stad. Een uur, op z'n hoogst, dan zijn we eruit en kunnen we verder. Jij vindt dit misschien interessant, kapitein Luthar. En de anderen ook, als jullie mee willen.’
Negenvinger vloekte binnensmonds in zijn eigen taal. ‘Goed dan. Ik loop liever dan dat ik wacht.’
‘U hebt mijn nieuwsgierigheid gewekt,’ zei broeder Langvoet terwijl hij naast hen sprong. ‘Ik moet toegeven dat de stad er bij daglicht niet zo intimiderend uitziet als gisteren in de regen. Het is nu zelfs moeilijk te zien waarom hij zo'n duistere reputatie heeft. Nergens in de hele Cirkel van de Wereld kan er zo'n verzameling fascinerende relikwieën bestaan, en ik ben een nieuwsgierig man, dat durf ik best te bekennen. Ja, gewis, ik ben altijd een…’
‘We weten wat je bent,’ siste Ferro. ‘Ik wacht hier wel.’
‘Doe wat je wilt.’ Bayaz trok zijn staf van zijn zadel. ‘Zoals altijd. Jij en meester Quai kunnen elkaar ongetwijfeld vermaken met komische verhalen terwijl wij weg zijn. Het spijt me bijna dat ik de gezelligheid mis.’ Ferro en de leerling keken elkaar kwaad aan, en de anderen liepen tussen de verwoeste standbeelden door de brede tap op. Jezal hinkte en grimaste om zijn gewonde been. Ze gingen door een deuropening zo groot als een huis en stapten een koele, schemerige, stille ruimte in.
Het deed Jezal denken aan de Herenkoepel in Adua, maar dan nog groter. Een reusachtige ronde kamer, als een grote kom met gestapelde banken langs de zijwanden, gesneden uit steen in vele kleuren, waarvan grote delen verpulverd en kapotgeslagen waren. De vloer lag vol puin, ongetwijfeld de restanten van een ingestort dak.
‘Ah. De grote koepel is gevallen.’ De magiër keek door een onregelmatig gat omhoog naar de heldere hemel erboven. ‘Een passende metafoor.’ Hij zuchtte en schuifelde langzaam over het gebogen gangpad tussen de marmeren treden. Jezal keek fronsend op naar dat enorme gewicht van overhangende steen en vroeg zich af wat er zou gebeuren als er een brokstuk viel en op zijn hoofd belandde. Hij betwijfelde of Ferro dat nog zou kunnen hechten. Hij had geen flauw idee waarom Bayaz hem hier wilde hebben, maar dat kon hij eigenlijk over deze hele reis wel zeggen, en dat had hij in feite ook vaak gedaan. Dus haalde hij diep adem en hinkte achter de magiër aan, met Negenvinger achter zich. Hun voetstappen weerkaatsten door de reusachtige ruimte.
Langvoet zocht zich een weg over de kapotte treden en keek met veel belangstelling omhoog naar het ingestorte dak. ‘Wat was dit vroeger?’ riep hij, en zijn stem echode tegen de gebogen muren. ‘Een soort theater?’
‘Min of meer,’ antwoordde Bayaz. ‘Dit was de grote zaal van de Keizerlijke Senaat. Hier deed de keizer zijn staatszaken, hoorde hij debatten aan tussen de meest wijze burgers van Aulcus. Hier werden besluiten genomen die de koers van de geschiedenis bepaalden.’ Hij beklom een tree en schuifelde verder, wees opgewonden naar de vloer, en zijn stem kreeg een schril toontje.
‘Op deze exacte plek, zo herinner ik het me, stond Calica om de Senaat toe te spreken, om tot voorzichtigheid te manen bij de oostelijke uitbreiding van het rijk. Hierbeneden antwoordde Juvens dat ze doortastend moesten optreden, en hij won het. Ik keek gebiologeerd toe. Twintig jaar oud en ademloos van spanning. Ik herinner me hun argumenten nog, tot in de details. Woorden, mijn vrienden. Er ligt soms een grotere macht in woorden dan in al het staal binnen de Cirkel van de Wereld.’
‘Maar een zwaard in je oor doet toch een stuk meer pijn dan een woord,’ fluisterde Logen. Jezal proestte van het lachen, maar Bayaz scheen het niet te merken. Hij had het te druk met zich van de ene stenen bank naar de volgende te haasten.
‘Hier gaf Scarpius zijn uiteenzetting over de gevaren van decadentie, over de ware betekenis van het burgerschap. De Senaat luisterde in vervoering. Zijn stem galmde als… als…’ Bayaz plukte met zijn hand in de lucht alsof hij hoopte daar het juiste woord te vinden. ‘Bah. Wat maakt het nu nog uit? Er zijn geen zekerheden meer in de wereld. Dat was het tijdperk van grootse mannen, die deden wat juist was.’ Hij keek fronsend neer op het puin dat over de vloer van de kolossale ruimte verspreid lag. ‘Dit is het tijdperk van de kleine mannetjes, die doen wat ze moeten doen. Kleine mannetjes met kleine droompjes, die in de voetsporen van reuzen treden. Maar toch, je kunt zien hoe prachtig dit gebouw ooit was!’
‘Eh, ja…’ begon Jezal, terwijl hij wegstrompelde bij de anderen om naar de friezen te kijken die helemaal achter aan de banken in de muur waren aangebracht. Halfnaakte strijders in vreemde houdingen, prikkend naar elkaar met speren. Allemaal schitterend, natuurlijk, maar er hing hier een onplezierige geur. Van verrotting, van vocht, van zwetende dieren. De stank van een slecht schoongemaakte stal. Hij tuurde in de schaduwen en trok zijn neus op. ‘Wat stinkt er toch zo?’
Negenvinger snuffelde, en zijn gezicht betrok meteen. Een toonbeeld van afgrijzen. ‘Alle…’ Hij rukte zijn zwaard uit de schede en stapte naar voren. Jezal draaide zich om, graaiend naar de gevesten van zijn ijzers, terwijl een plotselinge angst op zijn borst drukte.
Hij dacht eerst dat het een soort bedelaar was: een donkere gestalte, gehuld in lompen, op handen en voeten in de duisternis, slechts een paar passen verderop. Toen zag hij de handen: verwrongen en klauwachtig op de verweerde stenen. Maar daarna zag hij het grijze gezicht, als je het een gezicht kon noemen: een haarloos voorhoofd, een bultige kaak met overdreven grote, uitstekende tanden, een platte varkenssnuit, kleine zwarte oogjes die fonkelden van woede terwijl ze hem aanstaarden. Iets tussen een mens en een dier in, maar veel lelijker. Jezals mond viel open en hij bleef gapen. Het leek amper de moeite waard om Negenvinger te vertellen dat hij hem nu geloofde.
Het was hem duidelijk dat Shanka dus toch bestonden.
‘Pak hem!’ brulde de Noordman, die met zijn getrokken zwaard in de hand de trappen van de grote zaal op rende. ‘Maak hem dood!’
Jezal schuifelde onzeker naar het ding toe, maar zijn been was nog niet echt bruikbaar en het schepsel was snel als een vos, draaiend en krabbelend over de koude stenen naar een barst in de gebogen muur, waar het zich doorheen wurmde als een kat door een hek, al voordat Luthar maar een paar wankele stappen had verzet.
‘Hij is weg!’
Bayaz schuifelde naar de ingang toe, en het geklik van zijn staf weerkaatste tegen het marmer boven hen. ‘Dat zien we, meester Luthar. Dat hebben we allemaal heel duidelijk gezien!’
‘Er zijn er meer,’ siste Logen. ‘Er zijn er altijd meer! We moeten weg!’
Het was gewoon pech geweest, dacht Jezal terwijl hij terughinkte naar de uitgang, van de gebarsten treden af stommelde en grimaste om de pijn in zijn knie. Pech dat Bayaz had besloten halt te houden, op dit moment en op deze plek. Pech dat Jezals been gebroken was en dat hij niet achter dat weerzinwekkende ding aan had kunnen rennen. Pech dat ze naar Aulcus waren gekomen in plaats van mijlen stroomafwaarts de rivier al over te steken.
‘Hoe komt dat ding hier?’ schreeuwde Logen naar Bayaz.
‘Ik kan er alleen maar naar gissen,’ gromde de magiër, grimassend en hijgend. ‘Na de dood van de Maker hebben we ze opgejaagd. We hebben ze verdreven naar de donkere uithoeken van de wereld.’
‘Er zijn maar weinig uithoeken donkerder dan deze.’ Langvoet haastte zich langs hen heen de trap naar de uitgang af, met twee treden tegelijk, en Jezal hopte achter hem aan.
‘Wat is er?’ vroeg Ferro, die haar boog van haar schouder liet glijden.
‘Platkoppen!’ brulde Negenvinger.
Ze keek hem niet-begrijpend aan, en de Noordman wapperde met zijn vrije hand naar haar. ‘Rij maar gewoon!’
Pech. Dat Jezal Bremer dan Gorst had verslagen en door Bayaz was uitgekozen voor deze krankzinnige tocht. Pech dat hij ooit een schermijzer ter hand had genomen. Pech dat zijn vader wilde dat hij bij het leger ging in plaats van niets met zijn leven te doen, zoals zijn twee broers. Vreemd hoe die dingen op dat moment allemaal geluk hadden geleken. Soms was het verschil moeilijk te bepalen.
Jezal strompelde naar zijn paard, greep de zadelknop vast en sleurde zichzelf onhandig omhoog. Langvoet en Negenvinger zaten al te paard. Bayaz stopte net met trillende handen zijn staf weer weg. Ergens in de stad achter hen begon een klok te luiden.
‘O jee,’ zei Langvoet, die met grote ogen tussen de vele standbeelden door keek. ‘O jee.’
‘Pech,’ fluisterde Jezal.
Ferro staarde hem aan. ‘Hè?’
‘Niks.’ Jezal klemde zijn kiezen op elkaar en gaf zijn paard de sporen.
Geluk bestond niet. Geluk was een woord dat dwazen gebruikten om de gevolgen van hun eigen overhaaste daden, hun egoïsme en hun stommiteit te verklaren. Pech betekende meestal niet meer dan slechte plannen.
En hier was het bewijs.
Ze had Bayaz gewaarschuwd dat er nóg iets in de stad was behalve zij en vijf roze idioten. Ze had hem gewaarschuwd, maar niemand had geluisterd. Mensen geloofden alleen maar wat ze wilden geloven. Stommelingen, in ieder geval.
Ze keek onder het galopperen naar de anderen. Quai, op de bok van zijn hotsende kar, met zijn ogen samengeknepen en zijn blik op oneindig. Luthar met zijn lippen opgetrokken van zijn tanden, in het zadel gedrukt met de houding van een ervaren ruiter. Bayaz met strak opeengeklemde kaken en een bleek en afgetrokken gezicht, die zich grimmig vasthield. Langvoet, die vaak met grote, angstige ogen over zijn schouder keek. Negenvinger, schommelend in het zadel, hijgend, die vaker naar zijn teugels keek dan naar de weg. Vijf stommelingen, en zij.
Ze hoorde een grom en zag een ding ineengedoken op een laag dak zitten. Het leek op niets wat ze kende: een kromme aap met lange ledematen. Apen gooien echter niet met speren. Haar blik volgde de speer die in een boog omlaag kwam. Hij plofte in de zijkant van de kar en bleef daar wiebelend staan, toen waren ze erlangs en snelden ze verder over de ongelijkmatige keien.
Deze had hen gemist, maar er waren nog meer van die schepsels in de ruïnes verderop. Ferro zag ze bewegen in de schemerige gebouwen. Kruipend over de daken, loerend vanuit de verwoeste ramen, de gapende deuropeningen. Ze kwam in de verleiding een pijl op hen af te schieten, maar wat zou daar de zin van zijn? Er waren er een heleboel daarbuiten. Honderden, of zo voelde het. Wat zou het voor zin hebben om er eentje af te maken, terwijl ze die dingen snel achter zich zouden laten? Het was verspilling van een pijl.
Plotseling dreunde er een rotsblok naast haar neer en voelde ze er een splinter van langszoeven en de rug van haar hand verwonden. Er lag een donkere bloeddruppel op haar huid. Ferro fronste en dook in elkaar, bleef laag boven de deinende rug van haar paard. Geluk bestond niet.
Maar ze kon wel een kleiner doelwit van zichzelf maken.
Logen dacht dat hij de Shanka ver achter zich had gelaten, maar na de eerste schok toen hij er een had gezien, was hij niet verbaasd. Hij had het inmiddels moeten weten. Je laat alleen maar vrienden achter. Vijanden zitten je altijd op de hielen.
De klokken klonken nu overal om hen heen, galmend vanuit de ruïnes. Het gebeier schalde door Logens schedel, overstemde de bonzende hoeven en krijsende wielen en gierende wind. Beierend, ver weg, vlakbij, voor hen, achter hen. De gebouwen flitsten langs, grijze omtrekken vol gevaar.
Hij zag iets langssuizen en draaiend op een steen afketsen. Een speer. Hij hoorde nog een geluid achter zich en zag er toen een voor zich op de weg landen. Hij slikte, kneep zijn ogen tot spleetjes tegen de wind en probeerde niet te denken aan de speer die elk moment in zijn rug kon belanden. Het was niet zo moeilijk. Zich alleen maar vasthouden vergde al zijn aandacht.
Ferro had zich in het zadel omgedraaid en schreeuwde iets naar hem, maar haar stem ging ten onder in het lawaai. Hij schudde zijn hoofd naar haar, en ze priemde woest met haar vinger naar de weg voor hen. Nu zag hij het. Een kloof opende zich in de weg verderop, en ze gingen er in galop op af. Logens mond viel even wijd open en hij slaakte een ademloze kreet van afgrijzen.
Hij trok aan de teugels, en de hoeven van zijn paard glibberden en gleden over de oude stenen toen het een scherpe bocht naar rechts maakte. Het zadel schoof wat weg en Logen greep zich vast terwijl de keien in een grijs waas onder hem door vlogen en de rand van de kloof op niet meer dan een paar passen afstand links van hem langsstoof, met uitlopers van scheuren die de verbrokkelde weg in sneden. Hij voelde de anderen vlakbij, hoorde stemmen schreeuwen, maar hij kon hen niet verstaan. Hij was te druk met pijnlijk op en neer stuiteren in zijn zadel, in de hoop dat hij op het paard zou blijven, en al die tijd fluisterde hij: ‘Ik leef nog, ik leef nog, ik leef nog…’
Een tempel doemde op, over de weg heen gebouwd, de reusachtige pilaren nog intact, met een monsterlijk groot driehoekig stuk steen er nog bovenop. De kar spoedde tussen twee pilaren door, en Logens paard vond zijn weg tussen twee andere, kortstondig in schaduwen gehuld en plotseling er weer uit, waarna ze allemaal in een grote zaal zonder dak uitkwamen. De kloof had de muur links opgeslokt, en als er ooit een dak was geweest, dan was dat allang verdwenen. Logen reed hijgend verder, met zijn blik op een wijde deuropening recht vooruit gericht, een vierkant licht in de donkere stenen, stuiterend en hotsend op zijn galopperende paard. Daar was veiligheid, hield Logen zichzelf voor. Als ze daar door konden komen, waren ze veilig. Als ze alleen dáár maar door konden komen…
Ook als hij de speer had zien aankomen had hij er niets tegen kunnen doen. Het was een gelukje, ergens, dat het wapen zijn been miste. Het drong diep in het paardenvlees er pal voor. Dat was minder gelukkig. Hij hoorde het paard snuiven toen zijn benen onder hem vandaan zakten, toen hij loskwam van het zadel, zijn mond openviel zonder dat er geluid uit kwam, toen de vloer snel naar hem omhoogkwam. Harde stenen dreunden tegen zijn borst en persten de lucht uit zijn longen. Zijn kaak smakte tegen de grond en hij zag een verblindend licht voor zijn ogen. Hij stuiterde nog een keer, rolde om en om terwijl de wereld als een dolle om hem heen draaide, vol vreemde geluiden en een verblindende hemel. Hij kwam schuivend op zijn zij tot stilstand.
Hij lag verdoofd te kreunen, met een tollend hoofd en suizende oren, niet wetend waar of zelfs maar wie hij was. Toen kwam de wereld plotseling weer bij hem terug.
Hij tilde met een ruk zijn hoofd op. De kloof bevond zich op niet meer dan een speerlengte van hem af, en hij hoorde het water diep beneden zich ruisen. Hij rolde om, weg bij zijn paard, waar stroompjes donker bloed vandaan liepen door de groeven in de stenen. Hij zag Ferro op haar knie zitten, pijlen uit haar koker trekken en die op de pilaren af schieten waar ze even daarvoor tussendoor waren gereden.
Er waren daar Shanka, een heleboel.
‘Barst,’ gromde Logen, die achteruitschuifelde terwijl de hakken van zijn laarzen over de stoffige stenen schraapten.
‘Kom op!’ schreeuwde Luthar, en hij sprong uit zijn zadel en hinkte over de vloer. ‘Kom op!’
Een platkop stormde krijsend op hem af, met een enorme bijl in zijn klauw. Het monster sprong plotseling op en draaide om in de lucht, met een pijl van Ferro in zijn gezicht, maar er waren er nog meer. Er waren er nog veel meer, sluipend om de pilaren, met hun speren in de aanslag.
‘Te veel!’ schreeuwde Bayaz. De oude man keek fronsend en met gespannen kaakspieren op naar de grote pilaren, naar het enorme gewicht van steen boven hen. De lucht om hem heen begon te trillen.
‘Barst.’ Logen zwalkte als een dronkaard naar Ferro toe, uit zijn evenwicht gebracht terwijl de zaal heen en weer kantelde en het geluid van zijn hartslag in zijn oren bonsde. Hij hoorde een scherpe knal en een scheur schoot langs een van de pilaren omhoog, een wolk stof verspreidde zich. Er klonk een knarsend gerommel toen het steen boven hen begon te verschuiven. Een paar Shanka keken wijzend en joelend op terwijl er stukken op hen neerregenden.
Logen greep Ferro's pols stevig vast. ‘Verdomme!’ siste ze toen ze een pijl liet vallen doordat hij half viel en haar meesleurde, overeind krabbelde en haar meetrok. Een speer zoefde langs hen heen en viel kletterend op de stenen, tuimelde over de rand van de kloof de leegte in. Hij hoorde de Shanka bewegen, grommend en knorrend tegen elkaar, proberend tussen de pilaren door de zaal in te komen.
‘Kom op!’ schreeuwde Luthar opnieuw, terwijl hij een paar hinkende stappen zette en heftig wenkte.
Logen zag Bayaz staan, met zijn lippen opgetrokken en zijn ogen uitpuilend uit zijn schedel, terwijl de lucht om hem heen draaide en rimpelde, het stof op de grond langzaam omhoogkwam en om zijn laarzen wervelde. Er klonk een ongelooflijke knal, en Logen keek over zijn schouder terwijl een enorme brok bewerkte steen van boven neerviel. Hij raakte de grond met een dreun waardoor de vloer beefde, en plette een ongelukkige Shanka voordat die zelfs maar kon gillen. Een gekarteld zwaard dat op de grond kletterde en een lange veeg bloed waren de enige bewijzen dat het schepsel ooit had bestaan. Maar er kwamen er nog meer aan, hij zag de zwarte gestalten door het stof, aanstormend met geheven wapens.
Een van de pilaren spleet in tweeën. Hij knikte door, belachelijk langzaam, en stukken ervan vlogen door de zaal. De enorme steenmassa erboven begon te barsten en omlaag te komen in stukken zo groot als huizen. Logen draaide zich om, dook op zijn buik en trok Ferro met zich mee, ineengekrompen op de grond, met zijn ogen stijf dicht en zijn handen over zijn hoofd.
Er volgde een gekraak, gescheur, gesplinter zoals Logen nog nooit van zijn leven had gehoord. Een gebrul en gekreun van gefolterde aarde, alsof de hele wereld instortte. Misschien was dat ook wel zo. De grond golfde en trilde onder hen. Er klonk nog een oorverdovende dreun, een langdurig gerommel en geschraap, een zacht geklik, en toen iets wat haast stilte was.
Logen haalde zijn bijna stukgebeten kiezen van elkaar en opende zijn ogen. De lucht hing vol prikkend stof, maar het voelde alsof hij op een soort helling lag. Hij hoestte en probeerde zich te bewegen. Er klonk een scherp, knarsend geluid onder zijn borst, en de stenen onder hem begonnen te verschuiven, waardoor de helling steiler werd. Hij hijgde en drukte zich er plat tegenaan, graaiend met zijn vingertoppen. Hij had zijn hand nog om Ferro's arm heen en voelde haar vingers zijn pols omklemmen. Hij draaide langzaam zijn hoofd, keek om zich heen, en verstijfde.
De pilaren waren weg. De zaal was weg. De vloer was weg. De enorme kloof had ze allemaal opgeslokt en gaapte nu onder hem. Woedend water klotste en bruiste tegen de verwoeste ruïnes ver beneden hem. Logen gaapte ernaar en kon zijn ogen amper geloven. Hij lag op zijn buik op een enorme plaat steen, die tot even daarvoor deel had uitgemaakt van de vloer van de zaal en nu op het randje van een ongelooflijke diepte balanceerde.
Ferro's donkere vingers omklemden zijn pols, haar gescheurde mouw was tot boven haar elleboog opgestroopt en de spieren van haar bruine onderarm stonden bol van de inspanning. Daarachter zag hij haar schouder, daarachter haar verstijfde gezicht. De rest van haar was onzichtbaar en bungelde over de rand van de plaat boven de gapende leegte.
‘Sss,’ siste ze met grote gele ogen, terwijl haar vingers wanhopig krabbelden naar houvast op de gladde helling. Een stuk steen brak plotseling van de onregelmatige rand af en Logen hoorde het vallen, kletterend en stuiterend op de gekloofde aarde.
‘Barst,’ fluisterde hij, al durfde hij nauwelijks adem te halen. Wat voor kans had hij hier in vredesnaam? Je kunt één ding zeggen over Logen Negenvinger, namelijk dat hij weinig geluk heeft.
Hij krabbelde met zijn vrije hand over het verweerde steen tot hij een richeltje vond waar hij zijn vingers omheen kon slaan. Hij trok zichzelf stukje bij beetje naar de rand van het steenblok boven hem. Hij spande zijn arm en begon aan Ferro's pols te trekken.
Er klonk een afgrijselijk geschraap en de steen onder hem bewoog en kantelde langzaam omhoog. Hij jammerde en drukte zich er weer tegenaan, probeerde hem met zijn geest te bedwingen. Er volgde een misselijkmakende golfbeweging, en er kwam een beetje stof in zijn gezicht. Stenen knarsten toen het blok een heel klein stukje de andere kant op zwaaide. Hij bleef liggen hijgen. Geen weg omhoog, geen weg naar beneden.
‘Sss!’ Ferro's ogen schoten naar hun handen, stevig om elkaars pols geslagen. Ze gebaarde met haar hoofd in de richting van de rand van het blok, toen omlaag naar de gapende kloof erachter.
‘Moet realistisch blijven,’ fluisterde ze. Haar vingers gingen open en lieten hem los.
Logen herinnerde zich dat hij zelf aan een gebouw had gehangen, ver boven een kringetje van geel gras. Hij herinnerde zich dat hij achteruit was gegleden en fluisterend om hulp had geroepen. Hij herinnerde zich Ferro's hand die zich om de zijne had geslagen en hem omhoog had getrokken. Hij schudde langzaam zijn hoofd en greep haar pols nog steviger vast.
Ze rolde haar gele ogen naar hem toe. ‘Stomme roze idioot!’
Jezal hoestte, draaide zich om en spuugde stof uit. Hij keek met knipperende ogen om zich heen. Er was iets veranderd. Het leek veel lichter dan eerst, en de rand van de kloof was veel dichterbij. Helemaal niet ver weg, in feite.
‘Uh,’ hijgde hij toen hij geen woorden vond. Het halve gebouw was ingestort. De achterste muur stond nog overeind, en ook een van de pilaren aan het uiteinde, althans de helft ervan. De rest was weg, verdwenen in de gapende kloof. Hij krabbelde overeind en grimaste toen hij zijn gewicht op zijn gewonde been zette. Hij zag Bayaz vlakbij tegen de muur zitten.
Het ingevallen gezicht van de magiër was kletsnat van het zweet, zijn ogen glinsterden koortsachtig boven zwarte kringen, zijn gezichtsbotten staken bijna door zijn uitgerekte huid. Hij leek wel een lijk van een week oud. Het was een verrassing om hem te zien bewegen, maar Jezal zag hem een knokige hand uitsteken en naar de kloof wijzen. ‘Haal ze,’ kraakte hij.
De anderen.
‘Hier!’ Negenvingers stem klonk verstikt en kwam van voorbij de rand van de kloof. Dus hij leefde in ieder geval nog. Een grote plaat steen stak schuin omhoog, en Jezal schuifelde er behoedzaam naartoe, bang dat ieder moment de vloer kon instorten. Hij tuurde het gat in.
De Noordman lag gestrekt op zijn buik, met zijn linkerhand vlak bij de bovenrand van het gekantelde blok en zijn rechtervuist vlak bij de onderrand, strak om Ferro's pols geslagen. Haar lichaam was niet te zien, haar gezicht vol littekens nog net. Ze leken allebei even bang. Enkele tonnen steen, heel zachtjes wiebelend, op een heel dun randje balancerend. Het was duidelijk dat de steen ieder moment de afgrond in kon glijden.
‘Doe iets…’ fluisterde Ferro, die niet eens haar stem durfde te verheffen. Jezal merkte echter op dat ze niet met een specifiek voorstel kwam.
Hij likte langs het kerfje in zijn lip. Misschien zou de steen, als hij zijn gewicht op deze kant zette, weer recht kantelen zodat ze er gewoon af konden kruipen? Kon het echt zo simpel zijn? Hij stak voorzichtig zijn hand uit, met zijn duimen nerveus langs zijn vingertoppen wrijvend, plotseling heel zwak en zweterig. Hij legde zijn hand voorzichtig op de onregelmatige rand terwijl Negenvinger en Ferro met ingehouden adem toekeken.
Hij oefende heel lichtjes druk uit en de steen begon soepel naar beneden te zwenken. Hij duwde wat harder. Er klonk een diep, knarsend geluid en het hele blok maakte een afschrikwekkende beweging.
‘Niet duwen, verdomme!’ schreeuwde Negenvinger, die zich met zijn nagels aan de gladde rotsen vasthield.
‘Wat dan?’ piepte Jezal.
‘Haal iets!’
‘Haal iets!’ siste Ferro.
Jezal staarde woest om zich heen maar zag niets wat kon helpen. Er was geen spoor van Langvoet en Quai te zien. Ze waren ofwel dood ergens onder in het ravijn, of ze hadden bijtijds een sprong naar de vrijheid gewaagd. Geen van beide opties zou hem erg verbazen. Als er iemand moest worden gered, dan zou Jezal het zelf moeten doen.
Hij trok zijn jas uit en draaide die wringend tot een touw. Hij woog het op zijn hand en schudde zijn hoofd. Dit zou vast nooit werken, maar wat had hij voor keus? Hij trok het recht en gooide het uiteinde naar Negenvinger. Het sloeg een paar keer net buiten bereik van Logens graaiende vingers op de steen en wierp wolkjes stof op.
‘Goed zo, goed zo, probeer het nog eens!’
Jezal tilde de jas hoog op, boog zich zo ver hij durfde over de steen naar voren en zwaaide de jas weer omlaag. De mouw kwam net dichtbij genoeg, en Logen greep hem vast.
‘Ja!’ Hij wond de mouw om zijn pols en het textiel spande zich strak over de rand van de plaat steen.
‘Ja! En nu trekken!’
Jezal zette zijn kiezen op elkaar en trok, zijn laarzen glijdend in het stof, zijn gewonde arm en zijn gewonde been pijnlijk van de inspanning. De jas kwam naar hem toe, langzaam, langzaam, glijdend over het steen, stukje bij folterend beetje.
‘Ja!’ gromde Negenvinger, die zich met zijn schouders op de plaat steen omhoog probeerde te werken.
‘Trekken!’ gromde Ferro, die haar heupen over de rand en de helling op wurmde.
Jezal trok uit alle macht, met zijn ogen bijna dichtgeknepen terwijl zijn adem sissend tussen zijn tanden door kwam. Een speer kletterde naast hem neer. Hij keek op en zag zeker twintig platkoppen aan de overkant van de grote kloof staan, zwaaiend met hun misvormde armen. Hij slikte en wendde zijn blik van hen af. Hij mocht niet aan het gevaar denken. Hij moest nu alleen maar trekken. Trekken en trekken en niet loslaten, hoeveel pijn het ook deed. En het lukte. Langzaam, langzaam kwamen ze omhoog. Jezal dan Luthar, eindelijk de held. Hij zou eindelijk zijn plekje in deze vervloekte expeditie verdienen.
Er klonk een luid scheurend geluid. ‘Barst,’ piepte Logen. ‘Barst!’ De mouw liet langzaam los van de jas terwijl de steken uitrekten, scheurden, losraakten. Jezal jammerde van afgrijzen, en zijn hand brandde. Moest hij trekken of niet? Nog een steek sprong open. Hoe hard moest hij trekken? Daar ging nog een steek.
‘Wat moet ik doen?’ jammerde hij.
‘Trekken, klootzak!’
Jezal trok zo hard mogelijk aan de jas, met brandende spieren. Ferro was nu op de steen, krabbelend over het gladde oppervlak met haar nagels. Logens graaiende hand had de rand bijna bereikt, was er bijna, zijn vier vingers strekten zich en reikten ernaar. Jezal trok nog eens…
En hij sloeg achterover met niets dan een slap vod in zijn hand. De plaat steen beefde, kreunde en kantelde omhoog. Er klonk een gilletje en Logen gleed weg, met de afgescheurde mouw flapperend in zijn hand. Er werd niet geschreeuwd. Alleen maar een gekletter van vallende stenen, toen niets meer. Ze waren allebei over de rand verdwenen. De grote plaat steen schommelde zachtjes en bleef liggen, vlak en leeg, op de rand van de kloof. Jezal staarde er met open mond naar, met de mouwloze jas nog in zijn bonzende hand.
‘Nee,’ fluisterde hij. Zo ging het nooit in de verhalen.