Dus dit is pijn
‘Waar ben ik?’ vroeg Jezal, alleen wilde zijn kaak niet bewegen. De karrenwielen piepten bij elke draai, alles was verblindend licht en wazig, geluid en licht groeven in zijn pijnlijke schedel.
Hij probeerde te slikken, maar dat lukte niet. Hij probeerde zijn hoofd op te tillen. Steken van pijn schoten door zijn nek en zijn maag rolde om.
‘Help!’ piepte hij, maar er kwam niets anders uit zijn mond dan een bubbelend gekwaak. Wat was er gebeurd? Pijnlijke hemel boven, pijnlijke planken onder. Hij lag in een kar, met zijn hoofd op een ruwe zak, stuiterend en schuddend.
Er was een gevecht geweest, dat wist hij nog. Een gevecht tussen rotsblokken. Iemand had geroepen. Een krakende knal en een verblindend licht, toen niets anders meer dan pijn. Zelfs nadenken deed zeer. Hij tilde zijn arm op om aan zijn gezicht te voelen, maar dat lukte niet. Hij probeerde zijn benen te verplaatsen, zich omhoog te werken, maar ook dat lukte niet. Hij bewoog zijn mond, grommend, kermend.
Zijn tong voelde raar, drie keer zo dik als normaal, als een bloedige klomp ham die tussen zijn kaken was geduwd en zijn mond zodanig vulde dat hij amper kon ademhalen. De rechterkant van zijn gezicht was een masker van helse pijn. Met elke hobbeling van de kar rammelden zijn kaken op elkaar en trokken er withete pijnscheuten van zijn kiezen naar zijn ogen, zijn nek, zijn haarwortels zelfs. Hij had verband over zijn mond en moest door de linkerkant ademen, maar zelfs het gevoel van lucht door zijn keel was pijnlijk.
De paniek begon aan hem te klauwen. Elk deel van zijn lichaam gilde. Zijn ene arm was stevig over zijn borst gebonden, maar hij hield zich met de andere zwakjes vast aan de zijkant van de kar in een poging iets te doen, wat dan ook, met uitpuilende ogen, een bonzend hart en de adem snuivend door zijn neus.
‘Gugh,’ gromde hij, ‘gurr!’ En hoe meer hij probeerde te praten, hoe meer de pijn toenam, en toenam, tot het leek alsof zijn gezicht zou splijten, tot het leek alsof zijn schedel uit elkaar zou spatten…
‘Rustig.’ Een gezicht vol littekens verscheen boven hem. Negenvinger. Jezal graaide wild naar hem, en de Noordman greep zijn hand in zijn grote klauw en kneep erin. ‘Rustig maar, en luister naar me. Het doet pijn, ja. Het lijkt nu alsof je het niet aankunt, maar dat kun je wel. Je denkt dat je doodgaat, maar dat ga je niet. Luister naar me, want ik heb het meegemaakt en ik weet het. Elke minuut, elk uur, elke dag wordt het beter.’
Hij voelde Negenvingers andere hand op zijn schouder, die hem zachtjes omlaag duwde op de kar. ‘Je hoeft alleen maar te blijven liggen, dan wordt het vanzelf beter. Begrijp je? Jij hebt het makkelijk, jij mazzelende rotzak.’
Jezal liet zijn ledematen zwaar worden. Hij hoefde hier alleen maar te blijven liggen. Hij kneep in de grote hand, en de grote hand kneep terug. De pijn leek minder. Nog steeds vreselijk, maar draaglijk. Zijn ademhaling vertraagde. Zijn ogen gingen dicht.
De wind sneed over de koude vlakte, plukte aan het korte gras, trok aan Jezals versleten jas, aan zijn vettige haar, aan zijn vuile verband, maar hij negeerde het. Wat kon hij aan de wind doen? Wat kon hij waar dan ook aan doen?
Hij zat met zijn rug tegen het wiel van de kar en staarde met grote ogen naar zijn been. Een stuk gebroken speerschacht was aan weerskanten gebonden, omwikkeld met repen afgescheurde doeken, stevig en pijnlijk recht gehouden. Zijn arm was ongeveer net zo tussen twee duigen van een schild geperst en stevig vastgebonden over zijn borst, met een slappe witte hand aan het uiteinde, zijn vingers gevoelloos en nutteloos als worstjes.
Deerniswekkende, geïmproviseerde pogingen tot geneeskunst waarvan Jezal niet inzag hoe ze ooit zouden kunnen werken. Het zou bijna amusant zijn als hij de ongelukkige patiënt niet was geweest. Hij zou vast nooit meer herstellen. Hij was gebroken, verbrijzeld, verwoest. Zou hij nu een kreupele worden, zoals de lui die hij altijd ontweek op de straathoeken van Adua? Met wonden uit de oorlog, verlopen en vuil, die hun stompjes in het gezicht van voorbijgangers duwden en hun schurftige handen uitstaken voor koperstukken, onbehaaglijke herinneringen aan het feit dat er een duistere kant was aan het soldatenleven, waar liever niemand aan dacht?
Zou hij nu een kreupele worden zoals – een afgrijselijke kilte daalde over hem neer – zoals Sand dan Glokta? Hij probeerde zijn been te verplaatsen en kreunde van de pijn. Zou hij de rest van zijn leven met een stok moeten lopen? Een schuifelend monster, vermeden en geschuwd? Een nuttige les, waar men naar kan wijzen en over kan fluisteren? Daar gaat Jezal dan Luthar! Hij was ooit een veelbelovende jongeman, een knappe jongeman, hij won een Wedstrijd en de menigte juichte voor hem! Wie gelooft dat nu nog? Wat een verspilling, wat zonde, daar komt hij aan, laten we maar doorlopen…
En dat was voordat hij zelfs maar nadacht over hoe zijn gezicht er misschien wel uitzag. Hij probeerde zijn tong te bewegen en grimaste van de pijnscheut, maar hij kon voelen dat er een vreselijk onbekende geografie aan de binnenkant van zijn mond zat. Hij voelde scheef, vertrokken, en niets paste op elkaar zoals voorheen. Er zat een spleet tussen zijn tanden die een mijl breed leek. Zijn lippen tintelden onaangenaam onder het verband. Gescheurd, beurs, gebarsten. Hij was een monster.
Een schaduw viel over Jezals gezicht en hij keek op. Negenvinger stond over hem heen met een waterbuidel in zijn grote vuist. ‘Water,’ gromde hij. Jezal schudde zijn hoofd, maar de Noordman hurkte neer, haalde de kurk uit de buidel en stak die toch uit. ‘Je moet drinken. De boel schoonspoelen.’
Jezal griste chagrijnig de buidel uit zijn hand, tilde die voorzichtig naar de betere kant van zijn mond en probeerde hem te kantelen. Hij bleef opgezwollen en bol hangen. Hij worstelde er even mee voordat hij in de gaten kreeg dat hij niet kon drinken met slechts één functionerende hand. Gefrustreerd liet hij zich achteroverzakken, deed zijn ogen dicht en snoof door zijn neus. Hij knarste bijna met zijn tanden, maar gelukkig bedacht hij zich op tijd.
‘Hier.’ Hij voelde een hand onder zijn nek, die ferm zijn hoofd optilde.
‘Gugh!’ gromde hij woedend, half van plan om zich te verzetten, maar uiteindelijk gaf hij zich over aan de vernedering van te worden behandeld als een zuigeling. Wat had het immers voor zin om te doen alsof hij niet volkomen hulpeloos was? Zuur, lauwwarm water sijpelde in zijn mond en hij probeerde het door te slikken. Het leek wel gemalen glas. Hij hoestte en spuugde de rest uit. Dat probeerde hij althans, maar hij merkte dat het te veel pijn deed. Geen andere keus dan zich naar voren buigen en het uit zijn gezicht te laten kwijlen, waarbij het meeste langs zijn hals omlaag liep en in de vuile kraag van zijn hemd belandde. Hij liet zich met een kreun achteroverzakken en duwde met zijn goede hand de buidel opzij.
Negenvinger haalde zijn schouders op. ‘Best, maar straks moet je het nog een keer proberen. Je moet blijven drinken. Weet je nog wat er is gebeurd?’ Jezal schudde zijn hoofd.
‘Er was een gevecht. Ik en die vrolijkerd daar,’ hij knikte naar Ferro, die terugloerde, ‘hebben de meesten afgehandeld, maar schijnbaar zijn er drie om ons heen gekomen. Jij hebt er twee afgehandeld, en dat heb je goed gedaan, maar je had er eentje gemist, en die heeft je met een knuppel op je kop geslagen.’ Hij gebaarde naar Jezals verbonden gezicht. ‘En hard ook, en het resultaat weet je. Daardoor viel je, en ik vermoed dat hij je nog eens een mep heeft verkocht toen je op de grond lag, en zo zijn je arm en been gebroken. Het had een stuk erger kunnen zijn. Als ik jou was, zou ik de doden maar danken dat Quai erbij was.’
Jezal keek knipperend naar de leerling. Wat had hij ermee te maken? Maar Negenvinger beantwoordde zijn vraag al.
‘Kwam aanlopen en sloeg hem op zijn kop met een pan. Nou, ik zeg wel slaan, maar eigenlijk heb je zijn schedel tot moes getimmerd, hè?’ Hij grijnsde naar de leerling, die voor zich uit zat te staren over de vlakte. ‘Hij slaat hard voor zo'n mager ventje. Jammer alleen van die pan.’
Quai haalde zijn schouders op alsof hij bijna iedere ochtend wel een schedel kraakte. Jezal nam aan dat hij die ziekelijke sufkop dankbaar moest zijn voor zijn redding, maar hij voelde zich niet zo heel erg gered. In plaats daarvan probeerde hij de geluiden te vormen, zo duidelijk mogelijk zonder zichzelf pijn te doen, en hij wist amper meer dan een fluistering uit te brengen. ‘Oe egg iddut?’
‘Ik heb wel erger gehad.’ Een schrale troost. ‘Je redt je wel. Je bent jong. Je arm en been zijn zo weer in orde.’ Wat betekende, leidde Jezal eruit af, dat datzelfde niet voor zijn gezicht gold. ‘Altijd een tegenvaller, een wond, en nooit erger dan de eerste. Ik jankte als een kind bij elk van deze,’ en Negenvinger wuifde naar zijn gehavende gezicht. ‘Bijna iedereen jankt, en dat is een feit. Als je er wat aan hebt.’
Nee, hij had er niks aan. ‘Oe egg?’
Negenvinger krabde aan de dichte stoppels op zijn wang. ‘Je kaak is gebroken, je bent een paar tanden kwijt, je mond is gescheurd, maar we hebben je vrij goed gehecht.’ Jezal slikte en kon nauwelijks nadenken. Zijn grootste angsten schenen bewaarheid te worden. ‘Je hebt een ernstige wond, en op een rotplek. In je mond, zodat je niet kunt eten, niet kunt drinken, amper zonder pijn kunt praten. Je kunt natuurlijk ook niemand kussen, maar dat zou hier niet zo'n punt moeten zijn, hè?’ De Noordman grijnsde, maar Jezal was er niet voor in de stemming. ‘Ja, een rottige wond. Een benamingswond noemen wij dat, waar ik vandaan kom.’
‘Um wa?’ mompelde Jezal, maar hij had er onmiddellijk spijt van toen de pijn langs zijn kaak likte.
‘Een benamingswond, je weet wel.’ Negenvinger wiebelde met het stompje van zijn vinger. ‘Een wond waarnaar je kunt worden vernoemd. Ze zouden jou waarschijnlijk Kaakbreuk of Scheefbek of Tandweg of zoiets noemen.’ Hij glimlachte weer, maar Jezal had zijn gevoel voor humor op de heuvel tussen de rotsblokken achtergelaten, samen met zijn tanden. Hij voelde tranen in zijn ogen prikken. Hij wilde wel huilen, maar dan rekte zijn mond uit en trokken de hechtingen aan zijn gezwollen lippen onder het verband.
Negenvinger probeerde het nog eens. ‘Je moet het van de positieve kant bekijken. Je zult er nu waarschijnlijk niet meer aan doodgaan. Als de rot erin zou komen, dan was dat al gebeurd.’ Jezal gaapte hem vol afgrijzen aan, met ogen die steeds groter werden terwijl de betekenis van die laatste uitspraak tot hem doordrong. Zijn mond zou vast zijn opengevallen als hij niet gebroken was en stevig dicht was gebonden. Hij zou er waarschíjnlijk niet aan doodgaan? De mogelijkheid van een wond die ontstak was nooit bij hem opgekomen. De rót? In zijn mónd?
‘Ik help niet echt, hè?’ mompelde Logen.
Jezal sloeg zijn goede hand voor zijn ogen en probeerde te huilen zonder zichzelf pijn te doen, met stille snikken waarvan zijn schouders schudden.
Ze hadden halt gehouden op de oever van een groot meer. Klotsend grijs water onder een donkere hemel vol beurse plekken. Broeierig water, broeierige lucht, alles leek vol geheimen, vol bedreigingen. Sombere golven klotsten tegen het koude grind. Sombere vogels krasten naar elkaar over het water. Sombere pijn pulseerde door elk hoekje van Jezals lichaam en wilde niet stoppen.
Ferro hurkte voor hem neer, fronsend zoals altijd, en knipte het verband weg terwijl Bayaz achter haar stond en toekeek. De Eerste van Magiërs was kennelijk wakker geworden uit zijn apathie. Hij had geen uitleg gegeven over wat er de oorzaak van was geweest, of waardoor hij zo plotseling was hersteld, maar hij zag er nog steeds ziek uit. Ouder dan ooit, en een stuk magerder, met holle ogen, en zijn huid zag er dun uit, bleek, bijna doorschijnend. Maar Jezal had geen medelijden over, vooral niet voor de veroorzaker van deze ramp.
‘Waar zijn we?’ mompelde hij tussen de pijnscheuten door. Het was minder pijnlijk om te praten dan eerst, maar hij moest nog steeds rustig praten, voorzichtig, met een dikke, onhandige tong, als de dorpsgek.
Bayaz knikte over zijn schouder naar de grote watervlakte. ‘Dit is de eerste van drie meren. We zijn goed op weg naar Aulcus. Meer dan de helft van de tocht ligt achter ons, zou ik zeggen.’
Jezal slikte. Halverwege was niet bepaald de grootste geruststelling die hij zich had kunnen wensen. ‘Hoe lang was…’
‘Ik kan niet werken als je zit te kletsen, stommeling,’ siste Ferro. ‘Moet ik het zo laten, of hou je je kop?’
Jezal hield zijn kop. Ze pelde voorzichtig het verband van zijn gezicht, tuurde naar het bruine bloed op de doek, snuffelde eraan, trok haar neus op en smeet de doek aan de kant, en staarde toen een tijdje boos naar zijn mond. Hij slikte en speurde haar donkere gezicht af naar een teken van wat ze dacht. Hij zou zijn tanden op dat moment hebben gegeven voor een spiegel, als hij nog een volledig stel had gehad. ‘Hoe erg is het?’ mompelde hij, en hij proefde bloed.
Ze loerde naar hem op. ‘Je ziet me aan voor iemand die het wat kan schelen.’
Een snik kwam hoestend omhoog door zijn keel. Tranen prikten in zijn ogen, hij moest wegkijken en knipperen om te voorkomen dat hij zou gaan huilen. Hij was een deerniswekkend schepsel. Een dappere zoon van de Unie, een koene officier van de Koninklijke Lijfwacht, een winnaar van de Wedstrijd maar liefst, en hij kon amper zijn tranen bedwingen.
‘Hou vast,’ snauwde Ferro.
‘Eh,’ fluisterde hij, terwijl hij probeerde de snikken in zijn borst te bedwingen en te voorkomen dat zijn stem brak. Hij hield een uiteinde van het schone verband tegen zijn gezicht terwijl zij het om zijn hoofd en onder zijn kaak door draaide, rond en rond, zodat zijn mond weer bijna dichtzat.
‘Je overleeft het wel.’
‘Moet dat een troost zijn?’ mompelde hij.
Ze haalde haar schouders op terwijl ze zich omdraaide. ‘Er zijn er zat die het niet overleven.’
Jezal was bijna jaloers op hen terwijl hij haar nakeek, wegstampend door het wuivende gras. O, wat wenste hij dat Ardee hier was. Hij herinnerde zich de laatste keer dat hij haar zag, opkijkend naar hem in de motregen met die scheve glimlach. Ze zou hem nooit zo hebben achtergelaten, hulpeloos en met pijn. Ze zou lieve dingen hebben gezegd, en zijn gezicht hebben gestreeld, en hem hebben aangekeken met die donkere ogen, en hem zachtjes hebben gekust en… Sentimenteel gelul. Ze had waarschijnlijk al een andere idioot gevonden om uit te dagen en te verwarren en zijn leven tot een hel te maken, en had ongetwijfeld geen tel meer aan hem gedacht. Hij martelde zichzelf met de gedachte aan haar, dat ze lachte om de grappen van een andere man, glimlachte in de ogen van een andere man, kuste met een andere man. Ze zou hem nu nooit meer willen, dat was zeker. Niemand zou hem nog willen. Hij voelde zijn lippen weer trillen en zijn ogen weer prikken.
‘Alle grote helden van weleer, weet je – de grote koningen, de grote generaals – die hadden allemaal van tijd tot tijd met tegenslag te kampen.’ Jezal keek op. Hij was bijna vergeten dat Bayaz er was. ‘Leed geeft een man kracht, jongen, net zoals het meest gehamerde staal het hardst wordt.’
De oude man liet zich grimassend naast Jezal op zijn hurken zakken. ‘Iedereen kan met vertrouwen gemak en succes aan. Het is de manier waarop we met problemen en ongeluk omgaan die ons definieert. Zelfmedelijden hoort bij egoïsme, en er is niets deplorabeler bij een leider dan dat. Egoïsme is voor kinderen en halfzachten. Een groot leider stelt anderen vóór zichzelf. Je zou ervan staan te kijken hoe die handelwijze het gemakkelijker maakt om je eigen problemen te dragen. Om te handelen als een koning, hoef je alleen maar ieder ander als zodanig te behandelen.’ En hij legde zijn hand op Jezals schouder. Misschien moest het een vaderlijk en geruststellend gebaar voorstellen, maar hij voelde de hand trillen door zijn hemd. Bayaz liet hem even liggen alsof hij niet de kracht had om hem te verplaatsen, maar toen duwde hij zich langzaam overeind, strekte zijn benen en schuifelde weg.
Jezal staarde hem met lege ogen na. Een paar weken geleden zou hij hebben gebriest na zo'n preek. Nu zat hij er slapjes bij en liet het deemoedig over zich heen komen. Hij wist amper nog wie hij was. Het was lastig om enig gevoel van superioriteit vast te houden terwijl hij zo volkomen afhankelijk was van andere mensen. En dan ook nog mensen die tot voor zeer kort zo laag in zijn achting stonden. Hij had geen illusies meer. Zonder Ferro's woeste artsenij, en Negenvingers onhandige verpleging, zou hij zeer waarschijnlijk dood zijn geweest.
De Noordman kwam aanlopen, zijn laarzen knerpend over het grind. Tijd om terug te gaan op de kar. Tijd voor meer gepiep en gehots. Tijd voor meer pijn. Jezal slaakte een diepe, beverige, zelfmedelijdende zucht, maar halverwege onderbrak hij die. Zelfmedelijden was voor kinderen en halfzachten.
‘Je weet hoe het werkt.’ Jezal boog zich naar voren en Negenvinger haakte zijn arm achter zijn rug, de andere onder zijn knieën door, tilde hem op en over de zijkant van de kar zonder zelfs maar te hijgen, en dumpte hem zonder meer tussen de bagage. Jezal pakte zijn grote, vuile, viervingerige hand toen hij wegliep, en de Noordman draaide zich naar hem om, met één zware wenkbrauw opgetrokken. Jezal slikte. ‘Dank je,’ mompelde hij.
‘Wat, hiervoor?’
‘Voor alles.’
Negenvinger keek hem een hele tijd aan, en toen schokte hij met zijn schouders. ‘Niks te danken. Je behandelt mensen zoals je zelf wilt worden behandeld, dan kun je niet veel fout doen. Dat heeft mijn vader me geleerd. Die raad was ik lange tijd vergeten, en ik heb dingen gedaan die ik nooit meer kan goedmaken.’ Hij zuchtte diep. ‘Maar toch, het kan geen kwaad om het te proberen. Mijn ervaring? Uiteindelijk krijg je wat je geeft.’
Jezal keek verrast naar Negenvingers brede rug toen die naar zijn paard liep. Je behandelt mensen zoals je zelf wilt worden behandeld. Kon Jezal in alle eerlijkheid beweren dat hij dat ooit had gedaan? Hij dacht erover na terwijl de kar in beweging kwam, met krijsende assen, eerst achteloos, toen met steeds meer bezorgdheid.
Hij had zijn junioren gepest, geslijmd bij zijn superieuren. Hij had vaak geld uit vrienden geperst die zich dat niet konden veroorloven, had misbruik gemaakt van meisjes en die vervolgens de bons gegeven. Hij had zijn vriend West nog nooit bedankt voor zijn hulp en zou met alle genoegen met zijn zus het bed in zijn gedoken als ze hem de kans had gegeven. Hij besefte met stijgend afgrijzen dat hij zich nauwelijks een onzelfzuchtige daad van zichzelf kon herinneren.
Hij verschoof onbehaaglijk tegen de zakken voer in de kar. Je krijgt wat je geeft, uiteindelijk, en goede manieren kosten niks. Van nu af aan zou hij eerst aan anderen denken. Hij zou alle mensen behandelen alsof ze zijn gelijken waren. Maar dat kwam natuurlijk later. Hij had nog meer dan genoeg tijd om een beter mens te worden als hij weer kon eten. Hij streek met zijn hand over het verband om zijn gezicht, krabde er afwezig aan, moest er bewust mee ophouden. Bayaz reed pal achter de kar en keek uit over het water.
‘Hebt u het gezien?’ vroeg Jezal hem.
‘Wat heb ik gezien?’
‘Dit.’ Hij priemde met zijn vinger naar zijn gezicht.
‘Ah, dat. Ja, dat heb ik gezien.’
‘Hoe erg is het?’
Bayaz hield zijn hoofd schuin. ‘Weet je? Al met al denk ik dat het me wel bevalt.’
‘Het bevált u wel?’
‘Niet nu, misschien, maar als straks de hechtingen eruit gaan, de zwelling afneemt, de blauwe plekken vervagen en de korsten genezen en eraf vallen. Ik denk dat je kaak nooit meer precies de oude vorm krijgt, en je tanden groeien natuurlijk niet terug, maar wat je verliest aan jongensachtige charme krijg je ongetwijfeld terug in een bepaald gevaar, een flair, een ruig mysterie. Mensen hebben respect voor een man die actie heeft gezien, en je uiterlijk zal verre van geruïneerd zijn. Ik durf wel te zeggen dat er nog steeds meisjes voor je in katzwijm zullen vallen, als je iets zou doen wat het waard was om van in katzwijm te vallen.’ Hij knikte peinzend. ‘Ja. Al met al denk ik dat het wel voldoet.’
‘Voldoet?’ mompelde Jezal, met zijn hand weer tegen zijn verband gedrukt. ‘Voldoet waarvoor?’
Maar Bayaz dacht alweer aan andere dingen. ‘Harod de Grote had een litteken, weet je, op zijn wang, en hij heeft er nooit last van ondervonden. Je ziet het niet op de standbeelden, natuurlijk, maar mensen respecteerden hem er nog meer om. Werkelijk een groot man, Harod. Hij had de stralende reputatie dat hij eerlijk en betrouwbaar was, en dat was hij inderdaad ook vaak. Maar hij wist hoe hij het niet moest zijn, als de situatie erom vroeg.’ De magiër grinnikte in zichzelf. ‘Heb ik je wel eens verteld over die keer dat hij zijn grootste twee vijanden had uitgenodigd voor onderhandelingen? Voordat de dag om was had hij al een vete tussen hen veroorzaakt, en later vernietigden ze elkaars leger in de strijd, waardoor hij zich tot overwinnaar over hen allebei kon uitroepen zonder een vinger te hoeven uitsteken. Hij wist namelijk dat Ardlic een heel mooie vrouw had…’
Jezal ging achteroverliggen in de kar. Bayaz had hem dit verhaal al een keer eerder verteld, maar het leek zinloos om dat te zeggen. Eigenlijk genoot hij er wel van het nog een keer te horen, en hij had hoe dan ook weinig beters te doen. Er ging iets kalmerends uit van het repeterende gedreun van de zware stem van de oude man, vooral nu de zon door de wolken brak. Zijn mond deed zelfs amper pijn als hij stil bleef liggen.
Dus lag Jezal achterover tegen een zak stro, met zijn hoofd opzij gedraaid, zachtjes meedeinend met de bewegingen van de kar, en zag hij het land voorbijglijden. Keek naar de wind door het gras. Keek naar de zon op het water.