Stap voor stap
West knarste met zijn tanden terwijl hij de bevroren helling op ploeterde. Zijn vingers waren verdoofd en zwak en trilden van het klauwen in de koude aarde, om de ijzige boomwortels, in de bevroren sneeuw om zich op te trekken. Zijn lippen waren gebarsten, zijn neus liep eindeloos, de randjes van zijn neusvleugels deden ontzettend veel pijn. De lucht sneed in zijn keel, beet in zijn longen en kwam in jeukende hoestbuien dampend weer naar buiten. Hij vroeg zich af of het zijn domste daad ooit was geweest om zijn jas aan Ladisla te geven. Hij dacht waarschijnlijk van wel. Op het redden van die egoïstische rotzak zelf na, natuurlijk.
Zelfs toen hij in training was voor de Wedstrijd, vijf uur per dag, had hij zich nooit voorgesteld dat hij zo moe zou kunnen zijn. Vergeleken met Drieboom leek maarschalk Varuz een bijna lachwekkend milde oefenmeester. West werd iedere ochtend voor zonsopgang wakker geschud en mocht amper rusten tot nadat het laatste licht was vervaagd. Die Noordmannen waren machines, stuk voor stuk. Mannen gesneden uit hout dat nooit moe werd, dat geen pijn voelde. Al Wests spieren waren beurs van hun genadeloze tempo. Hij zat onder de blauwe plekken en schrammen van honderd valpartijen en duikelingen. Zijn voeten waren geschaafd en zaten vol blaren in zijn natte laarzen. Dan was er nog het vertrouwde pulseren in zijn hoofd, het bonzen in het ritme van zijn gejaagde hartslagen, onplezierig vermengd met het branden van de wond op zijn hoofdhuid.
De kou, de pijn en de vermoeidheid waren al erg genoeg, maar nog erger was het overstelpende gevoel van schaamte, schuldgevoel en falen dat hem met elke stap bedrukte. Hij was met Ladisla meegestuurd om te zorgen dat er geen rampen zouden gebeuren. Het resultaat was een ramp op bijna onvoorstelbare schaal geweest. Een hele divisie afgeslacht. Hoeveel vaderloze kinderen? Hoeveel vrouwen zonder echtgenoot? Hoeveel ouders zonder zoons? Had hij maar meer kunnen doen, vertelde hij zichzelf voor de duizendste keer, terwijl hij zijn bloedeloze handen tot vuisten balde. Had hij de prins er maar van kunnen overtuigen bij de rivier te blijven, dan zouden al die mannen nu misschien niet dood zijn. Zo veel doden. Hij wist amper of hij medelijden met hen moest hebben of ze moest benijden.
‘Stap voor stap,’ mompelde hij in zichzelf terwijl hij de helling op klauterde. Dat was de enige manier om het te bekijken. Als je hard genoeg op je kiezen beet en maar genoeg stappen zette, dan kon je overal komen. Eén pijnlijke, vermoeide, ijskoude, schuldbewuste stap tegelijk. Wat kon je anders?
Ze waren nog niet eindelijk boven aan de heuvel aangekomen of prins Ladisla liet zich tegen de wortels van een boom vallen, zoals hij minstens eenmaal per uur deed. ‘Kolonel West, alsjeblieft!’ Hij snakte naar adem, die opwolkte om zijn pafferige gezicht. Hij had twee strepen glinsterend snot op zijn bleke bovenlip, net als een peuter. ‘Ik kan niet meer! Zeg… Zeg ze dat we moeten stoppen, in naam van het medelijden!’
West vloekte binnensmonds. De Noordmannen waren al geïrriteerd genoeg en deden steeds minder moeite om dat te verbergen, maar of het hem nu beviel of niet, Ladisla was nog steeds zijn bevelvoerder. Niet te vergeten de troonopvolger. West kon hem moeilijk bevelen om op te staan. ‘Drieboom!’ hijgde hij.
De oude strijder keek om. ‘Je kunt me maar beter niet vragen om te stoppen, jongen.’
‘We moeten stoppen.’
‘Alle doden! Alweer? Jullie zuiderlingen hebben totaal geen ruggengraat! Geen wonder dat Bethod jullie zo'n pak slaag heeft gegeven. Als jullie rotzakken niet leren marcheren, geeft hij jullie er nog een, dat kan ik je wel vertellen!’
‘Alsjeblieft. Heel even maar.’
Drieboom loerde naar de onderuitgezakte prins en schudde walgend zijn hoofd. ‘Goed dan. Je mag even zitten, als je daarna sneller doorloopt, maar wen er maar niet aan, hoor je? We hebben nog niet half de afstand afgelegd die we vandaag moeten afleggen als we Bethod voor willen blijven.’ En hij beende weg en schreeuwde iets tegen de Hondman.
West zonk op zijn hurken, wiebelend met zijn verdoofde tenen, zijn ijzige handen verstrengelend en erop blazend. Hij wilde net zo graag gaan liggen als Ladisla, maar hij wist uit bittere ervaring dat als hij stil ging zitten, het alleen maar moeilijker zou worden om weer in beweging te komen. Piek en zijn dochter stonden bij hen en leken amper buiten adem. Het was hard bewijs, alsof dat nog nodig was, dat werken met metaal in een strafkolonie een betere voorbereiding was voor een tocht door een bruut landschap dan een leven van ononderbroken gemak.
Ladisla scheen te raden wat hij dacht. ‘Je hebt geen idee hoe zwaar dit voor me is!’ liet hij zich ontvallen.
‘Nee, natuurlijk niet!’ snauwde West, omdat zijn geduld bijna op was. ‘U hebt het extra gewicht van mijn jas te dragen!’
De prins knipperde met zijn ogen, keek naar de natte grond terwijl zijn kaakspieren zwijgend bewogen. ‘Je hebt gelijk. Het spijt me. Ik besef natuurlijk dat ik je mijn leven verschuldigd ben. Niet gewend aan dit soort dingen, snap je. Helemaal niet gewend.’ Hij plukte aan de gerafelde en vuile revers van de jas en grinnikte spijtig. ‘Mijn moeder zei altijd dat een man er onder alle omstandigheden goed uit moet zien. Ik vraag me af wat ze hiervan zou vinden.’ West merkte op dat Ladisla niet aanbood de jas terug te geven.
De kroonprins haalde zijn schouders op. ‘Ik neem aan dat ik ook een deel van de schuld voor deze hele toestand op me moet nemen.’ Een deel? West had hem graag een deel van zijn laars gegeven. ‘Ik had naar je moeten luisteren, kolonel. Ik wist het al die tijd al. Voorzichtigheid is het beste beleid in een oorlog, hè? Dat is altijd mijn motto geweest. Ik heb me door die sufferd van een Smund laten overhalen tot overhaast handelen. Hij is altijd een idioot geweest!’
‘Heer Smund heeft zijn leven gegeven,’ mompelde West.
‘Jammer dat hij het niet een dag eerder gaf, dan zaten we nu misschien niet in deze ellende!’ De lip van de prins trilde een beetje. ‘Wat denk je dat ze hier thuis over zullen zeggen, West? Wat denk je dat ze nu over me zullen zeggen?’
‘Ik heb geen idee, hoogheid.’ Het kon amper erger zijn dan wat ze nu al zeiden. West probeerde zijn woede de kop in te drukken en zichzelf in Ladisla te verplaatsen. Hij was zo volkomen onvoorbereid op de ontberingen van deze tocht, zo volledig zonder eigen vaardigheden, zo volledig voor alles afhankelijk van anderen. Een man die nooit een belangrijker besluit had hoeven nemen dan wat hij zou aantrekken, die nu vrede moest krijgen met zijn verantwoordelijkheid voor duizenden doden. Geen wonder dat hij geen idee had hoe hij dat moest aanpakken.
‘Waren ze maar niet weggevlucht.’ Ladisla balde zijn vuist en stompte nukkig op een boomwortel. ‘Waarom zijn ze niet blijven staan om te vechten, die laffe smeerlappen? Waarom vochten ze niet?’
West deed zijn ogen dicht, probeerde de kou, de honger en de pijn te negeren, en de woede in zijn borst te onderdrukken. Zo ging het nou altijd. Net als Ladisla eindelijk wat sympathie begon te wekken, zei hij weer zoiets walgelijks, waardoor Wests afkeer van de man hem weer overspoelde. ‘Ik zou het echt niet kunnen zeggen, hoogheid,’ wist hij er door opeengeklemde tanden uit te persen.
‘Zo,’ gromde Drieboom, ‘dat was het dan! Overeind weer, en geen uitvluchten!’
‘Hij zegt toch niet dat we alweer moeten opstaan, hè, kolonel?’
‘Ik vrees van wel.’
De prins zuchtte en hees zich grimassend overeind. ‘Ik heb geen idee hoe we dit moeten volhouden, West.’
‘Eén stap tegelijk, hoogheid.’
‘Natuurlijk,’ mompelde Ladisla, die achter de twee gevangenen aan tussen de bomen door strompelde. ‘Eén stap tegelijk.’
West draaide even met zijn pijnlijke enkels en bukte om te volgen, maar toen viel er een schaduw over hem heen. Hij keek op en zag dat Zwarte Douw op zijn pad was gestapt, de weg blokkeerde met een zware schouder en zijn grauwende gezicht vlak voor hem had gebracht. Hij knikte in de richting van de langzaam bewegende rug van de prins. ‘Wil je dat ik hem afmaak?’ gromde hij in het noords.
‘Als je hem ook maar aanraakt!’ West had de woorden al uitgespuugd voordat hij enig idee had hoe hij verder zou gaan. ‘Dan…’
‘Ja?’
‘Dan vermoord ik je.’ Wat kon hij anders zeggen? Hij voelde zich als een kind dat belachelijke dreigementen uit op het schoolplein. Een extreem koud en gevaarlijk schoolplein, tegen een jongen die twee keer zo groot was als hij.
Maar Douw grijnsde enkel. ‘Je hebt nogal een kort lontje voor zo'n mager ventje. We hebben het plotseling over een heleboel geweld. Weet je zeker dat je er de ruggengraat voor hebt?’
West probeerde zo groot mogelijk te lijken, wat niet meeviel op een helling terwijl hij krom liep van uitputting. Je moet geen angst tonen als je een gevaarlijke situatie wilt bedaren, hoe bang je ook bent. ‘Wil je het soms uitproberen?’ Zijn stem klonk deerniswekkend zwak, zelfs in zijn eigen oren.
‘Misschien doe ik dat wel.’
‘Waarschuw me even als het zover is. Ik zou het niet willen missen.’
‘O, maak je daar maar niet druk over,’ fluisterde Douw, die zijn hoofd afwendde en op de grond spuugde. ‘Je merkt het echt wel als je wakker wordt met een afgesneden strot.’ En hij slenterde de modderige helling op, langzaam, om West te laten weten dat hij niet bang was. West wenste dat hij datzelfde kon beweren. Zijn hart ging tekeer terwijl hij tussen de bomen door achter de anderen aan ploegde. Hij liep koppig Ladisla voorbij en haalde Cathil in, waarop hij naast haar bleef lopen.
‘Gaat het?’ vroeg hij.
‘Ik heb wel erger meegemaakt.’ Ze bekeek hem van top tot teen. ‘En jij?’
West besefte ineens hoe vreselijk hij eruit moest zien. Hij had een oude zak met armgaten erin over zijn vuile uniform getrokken, met zijn riem er stevig omheen gegespt en het zware zwaard erachter, dat doorlopend tegen zijn been bonsde. Hij had een jeukerige halve baard op zijn klapperende kaken, en hij vermoedde dat zijn gezicht een mengeling moest zijn van vurig roze en lijkgrijs. Hij stak zijn handen onder zijn oksels en grijnsde droevig. ‘Koud.’
‘Dat is te zien. Misschien had je je jas moeten houden.’
Hij kon niet anders dan knikken. Hij tuurde door de takken van de dennenbomen naar Douws rug en schraapte zijn keel. ‘Ze hebben je toch niet… lastiggevallen, hè?’
‘Lastiggevallen?’
‘Nou, je weet wel,’ zei hij stuntelig, ‘een vrouw tussen al die mannen, dat zijn ze niet gewend. Zoals die kerel Douw naar je kijkt, ik wil niet…’
‘Dat is heel nobel van je, kolonel, maar maak je maar geen zorgen om hen. Ik denk niet dat ze meer zullen doen dan kijken, en ik heb wel erger meegemaakt.’
‘Erger dan hem?’
‘Bij het eerste kamp waar ik zat vond de commandant me wel leuk. Ik had denk ik nog de gloed van het goeie, vrije leven op mijn huid. Hij liet me verhongeren om zijn zin te krijgen. Vijf dagen zonder eten.’
West grimaste. ‘En gaf hij het toen op?’
‘Ze geven het niet op. Langer dan vijf dagen kon ik het niet uithouden. Je doet wat je moet doen.’
‘Je bedoelt…’
‘Wat je moet doen.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ik ben er niet trots op, maar ik schaam me er ook niet voor. Trots en schaamte, daar kun je niet van eten. Het enige waar ik spijt van heb is van die vijf dagen honger, vijf dagen waarin ik goed had kunnen eten. Je doet wat je moet doen. Wie je ook bent. Zodra je begint te verhongeren…’ Ze haalde haar schouders opnieuw op.
‘En je vader?’
‘Piek?’ Ze keek naar de gevangene met het verbrande gezicht, die voor hen uit liep. ‘Hij is een goed mens, maar hij is geen familie van me. Ik heb geen idee wat er van mijn echte familie is geworden. Overal over Angland verspreid, waarschijnlijk, als ze nog leven.’
‘Dus hij is…’
‘Als je doet alsof je familie bent, behandelen mensen je soms anders. We hebben elkaar geholpen. Als Piek er niet was geweest, zou ik nog steeds op metaal staan te hameren in het kamp.’
‘En in plaats daarvan heb je nu dit heerlijke uitje.’
‘Huh. Je doet het met wat je krijgt.’ Ze boog haar hoofd en versnelde haar pas, weglopend tussen de bomen.
West keek haar na. Zij had ruggengraat, zouden de Noordmannen zeggen. Ladisla kon nog wel het een en ander leren van haar grimmige vastberadenheid. West keek om naar de prins, die met een nukkige frons op zijn gezicht bevallig door de modder probeerde te strompelen. Hij zuchtte diep en zijn adem stoomde. Het leek erop dat het voor Ladisla te laat was om nog iets te leren.
Een ellendig maal bestaande uit een brok oud brood en een kom koude stoofpot. Drieboom wilde ze geen vuur laten aansteken, hoezeer Ladisla ook smeekte. Te veel kans dat ze werden gezien. Dus zaten ze in de invallende duisternis en praatten zachtjes, een stukje bij de Noordmannen vandaan. Praten was goed, al was het maar om je af te leiden van de kou, en de pijn, en het ongemak. Al was het maar om je tanden te laten ophouden met klapperen.
‘Je zei dat je in Kanta had gevochten, Piek? In de oorlog?’
‘Klopt. Ik was daar sergeant.’ Piek knikte langzaam, en zijn ogen glinsterden in de roze puinhoop van zijn gezicht. ‘Amper te geloven dat we het toen altijd zo warm hadden, hè?’
West gorgelde droevig. Echt lachen lukte niet. ‘In welke eenheid zat je?’
‘Het eerste regiment van de cavalerie van de Koninklijke Lijfwacht, onder kolonel Glokta.’
‘Maar dat was mijn regiment!’
‘Weet ik.’
‘Ik herinner me jou niet.’
Pieks brandwonden verschoven een stukje, en West vermoedde dat hij glimlachte. ‘Ik zag er toen anders uit. Ik herinner me jou echter nog wel, luitenant West. De mannen mochten je graag. Goeie kerel om naartoe te gaan als je een probleem had.’
West slikte. Nu hadden ze niet veel aan hem voor het oplossen van problemen. Hij veroorzaakte ze alleen maar. ‘En hoe ben je dan in dat strafkamp geëindigd?’
Piek en Cathil wisselden een blik. ‘In het algemeen vraag je daar niet naar, onder de gevangenen.’
‘O.’ West boog zijn hoofd en wreef in zijn handen. ‘Sorry. Ik wilde je niet beledigen.’
‘Ik ben niet beledigd.’ Piek snoof en wreef langs zijn gesmolten neus. ‘Ik heb een paar foutjes gemaakt. Laten we het daar maar op houden. Heb jij familie die thuis op je wacht?’
West grimaste en sloeg zijn armen over elkaar. ‘Ik heb een zus, thuis in Adua. Ze is… ingewikkeld.’ Het leek hem het beste om het daarop te houden. ‘En jij?’
‘Ik had een vrouw. Toen ik hierheen werd gestuurd, besloot zij achter te blijven. In het begin haatte ik haar erom, maar weet je wat? Ik weet zo net nog niet of ik niet hetzelfde had gedaan.’
Ladisla kwam tussen de bomen vandaan en veegde zijn handen af aan de zoom van Wests jas. ‘Dat is beter! Moet dat gore vlees van vanochtend zijn geweest.’ Hij ging tussen West en Cathil in zitten, en ze loerde naar hem alsof iemand een lading stront naast haar had gedumpt. Je kon wel zeggen dat die twee het samen niet zo goed konden vinden. ‘Waar hadden we het over?’
West grimaste. ‘Piek had het net over zijn vrouw…’
‘O? Je weet natuurlijk dat ik ga trouwen met prinses Terez, de dochter van groothertog Orso van Talins. Ze is een beroemde schoonheid…’ Ladisla's stem stierf weg en hij keek fronsend om zich heen naar de beschaduwde bomen, alsof zelfs hij zich er vagelijk van bewust was hoe bizar het geklets over dergelijke dingen overkwam in de wildernis van Angland. ‘Hoewel ik begin te vermoeden dat ze niet bepaald overloopt van enthousiasme.’
‘Ik kan me niet indenken waarom,’ mompelde Cathil, zeker al de tiende sneer van de avond.
‘Ik ben de troonopvolger!’ snauwde de prins. ‘Op een dag zal ik jullie koning zijn! Het kan geen kwaad om me met een beetje respect te behandelen!’
Ze lachte hem recht in zijn gezicht uit. ‘Ik heb geen land en geen koning, en zeker geen respect voor jou.’
Ladisla slaakte een verontwaardigde kreet. ‘Zo laat ik me niet toespreken…’
Zwarte Douw dook uit het niets op. ‘Laat hem zijn bek houden!’ grauwde hij in het noords, priemend met een dikke vinger. ‘Bethod kan overal oren hebben! Zorg dat zijn tong ophoudt met flapperen, anders is hij hem kwijt!’ En hij smolt weer weg in de schaduwen.
‘Hij wil graag dat we stil zijn, hoogheid,’ vertaalde West fluisterend.
De prins slikte. ‘Ik had al zo'n vermoeden.’ Hij en Cathil haalden hun schouders op en loerden in stilte naar elkaar.
West lag op zijn rug op de harde grond, het canvas kraakte vlak boven zijn gezicht en hij zag de sneeuwvlokken neerdwarrelen voorbij de zwarte omtrekken van zijn laarzen. Cathil lag aan de ene kant tegen hem aan gedrukt, de Hondman aan de andere kant. De rest van de troep lag om hen heen, tegen elkaar aan geperst onder een grote, stinkende deken. Iedereen behalve Douw, die buiten de wacht hield. Zo'n ijzige kou was een geweldig middel om mensen nader tot elkaar te brengen.
Er klonk rommelend gesnurk van het uiteinde van de groep. Drieboom of Tul, waarschijnlijk. De Hondman schokte nogal in zijn slaap, trappelend en strekkend terwijl hij betekenisloze geluiden maakte. Ladisla's adem piepte rechts van hem, en het klonk verkouden en zwak. Iedereen was in slaap gevallen, min of meer, zodra ze gingen liggen.
Maar West kon niet slapen. Hij had het te druk met nadenken over alle ontberingen, en de nederlagen, en de verschrikkelijke gevaren om hen heen. En niet alleen bij hen. Maarschalk Burr was misschien ook ergens daarbuiten in de Anglandse bossen, repte zich naar het zuiden voor de redding, niet wetend dat hij in een valstrik liep. Niet wetend dat Bethod hem opwachtte.
De situatie was ernstig, maar ondanks alles voelde Wests hart licht. Feit was dat hierbuiten alles simpel was. Er waren geen dagelijkse veldslagen uit te vechten, geen vooroordelen te overwinnen, het was niet nodig om meer dan een uur vooruit te denken. Hij voelde zich voor het eerst in maanden vrij.
Hij grimaste en strekte zijn pijnlijke benen, voelde Cathil naast zich bewegen in haar slaap. Haar hoofd draaide tegen zijn schouder, haar wang drukte tegen zijn vuile uniform. Hij voelde de warmte van haar adem op zijn gezicht, de warmte van haar lichaam door hun kleren. Een fijne warmte. Het effect werd maar enigszins verpest door de stank van zweet en vochtige aarde, en Hondman die piepte en mompelde in zijn andere oor. West deed zijn ogen dicht, met een heel flauwe grijns op zijn gezicht. Misschien kon alles toch nog goed komen. Misschien had hij toch nog de kans om een held te zijn. Als hij Ladisla maar levend terug kon krijgen naar maarschalk Burr.