Tot de laatste man

VERTROUWELIJK
Aan Sand dan Glokta,
Superieur van Dagoska

Het is duidelijk dat ondanks onze inspanningen Dagoska niet veel langer in handen van de Unie kan blijven. Daarom draag ik je op onmiddellijk te vertrekken en je bij mij te melden. De havens zijn misschien verloren, maar je zou geen moeite moeten hebben om in de nacht weg te glippen in een klein bootje. Er zal verderop langs de kust een schip op je wachten.

Je zult het algemeen bevel overdragen aan generaal Vissbruck, als enige Unielid van de bestuursraad van Dagoska daar die nog in leven is. Ik hoef natuurlijk niet te zeggen dat de Gesloten Raad beveelt dat de verdedigers van Dagoska ook in leven moeten blijven.

Om te kunnen vechten tot de laatste man.

Sult
Hoofdlector van de Koninklijke Inquisitie

Generaal Vissbruck liet langzaam de brief zakken, met zijn kaken strak op elkaar. ‘Moet dit dan betekenen, superieur, dat u ons gaat verlaten?’ Zijn stem sloeg een beetje over. Van paniek? Van angst? Van woede? Wat het ook is, wie kan het hem kwalijk nemen?

De kamer zag er nog bijna net zo uit als op Glokta's eerste dag in de stad. De schitterende mozaïeken, het meesterlijke snijwerk, de gewreven tafel, allemaal glanzend in het licht van de vroege ochtendzon dat door de hoge vensters naar binnen viel. Van de bestuursraad zelf is echter bedroevend weinig over. Vissbruck, met wangzakken die over de stijve kraag van zijn geborduurde jas puilden, en haddish Kahdia, vermoeid onderuitgezakt in zijn stoel, waren alles wat ervan over was. Nicomo Cosca stond apart van de anderen, leunend tegen de muur bij het raam en pulkend aan zijn nagels.

Glokta haalde diep adem. ‘De hoofdlector wil dat ik… verantwoording kom afleggen.’

Vissbruck grinnikte piepend. ‘Om een of andere reden krijg ik een beeld voor ogen van ratten die een brandend huis ontvluchten.’ Een passende metafoor. Als de ratten aan de vlammen ontkomen en vervolgens in een gehaktmolen springen.

‘Kom, kom, generaal.’ Cosca liet zijn hoofd tegen de muur zakken en glimlachte flauwtjes. ‘De superieur had ons dit niet hoeven te vertellen. Hij had in de nacht weg kunnen glippen, en niemand had het geweten. Dat zou ik zelf hebben gedaan.’

‘Excuseer me als ik weinig achting heb voor wat jíj zou hebben gedaan,’ snauwde Vissbruck. ‘Onze situatie is kritiek. De landwallen zijn verloren, en daarmee alle kans om het nog lang uit te houden. In de sloppenwijken wemelt het van de Gurkense soldaten. Elke nacht doen we uitvallen vanuit de poorten van de Bovenstad. We steken een stormram in brand. We doden een paar wachtposten in hun slaap. Maar elke dag komen ze met meer machines. Binnenkort maken ze misschien een ruimte tussen de krotten vrij en zetten hun grote katapulten in elkaar. Kort daarna, denk ik, zal de Bovenstad onder een spervuur van brandende projectielen komen te liggen!’ Hij wees uit het raam. ‘Ze bereiken misschien van daaraf zelfs de Citadel! Deze kamer heeft straks misschien wel een rotsblok ter grootte van een schuur als blikvanger!’

‘Ik ben me maar al te zeer bewust van onze positie,’ snerpte Glokta. De stank van paniek is de afgelopen paar dagen zo sterk geworden dat de doden hem kunnen ruiken. ‘Maar de bevelen van de hoofdlector zijn zeer specifiek. Vechten tot de laatste man. Geen capitulatie.’

Vissbrucks schouders gingen hangen. ‘Capituleren zou hoe dan ook niets uithalen.’ Hij stond op, deed een halfslachtige poging om zijn uniform te fatsoeneren en schoof langzaam zijn stoel onder de tafel vandaan. Glokta had op dat moment bijna medelijden met hem. Hij verdient het waarschijnlijk ook, maar ik heb al mijn medelijden al verspild aan Carlot dan Eider, die het eigenlijk amper verdiende.

‘Laat me u nog wat advies geven, van iemand die de binnenkant van een Gurkense gevangenis heeft gezien. Als de stad valt, raad ik u ten zeerste aan zelfmoord te plegen voordat u gevangen wordt genomen.’

Generaal Vissbrucks ogen werden even groot, toen keek hij naar de prachtige mozaïekvloer en slikte. En toen hij weer opkeek, was Glokta verbaasd een bittere glimlach op zijn gezicht te zien. ‘Dit is niet bepaald wat ik in gedachten had toen ik bij het leger ging.’

Glokta tikte met zijn stok tegen zijn verwoeste been en grijnsde scheef. ‘Ik kan hetzelfde beweren. Wat schreef Stolicus toch ook alweer? “De rekruterende sergeant verkoopt dromen, maar levert nachtmerries”?’

‘Dat lijkt me wel passend in dit geval.’

‘Als het een troost is, ik betwijfel of mijn lot zelfs maar half zo plezierig is als het uwe.’

‘Een schrale.’ Vissbruck sloeg zijn gepoetste hakken tegen elkaar en sprong trillend in de houding. Hij bleef even verstijfd zo staan, toen draaide hij zich zonder nog een woord te zeggen om naar de deur. Zijn zolen klikten luid op de vloer en stierven weg in de gang buiten.

Glokta keek Kahdia aan. ‘Wat ik ook tegen de generaal heb gezegd, ik zou u willen aansporen de stad zo snel mogelijk te capituleren.’

Kahdia's vermoeide ogen lichtten op. ‘Na al die moeite? Nu?’

Vooral nu. ‘Misschien besluit de keizer genadig te zijn. Hoe dan ook, ik zie er weinig heil in als jullie doorvechten. Zoals het ervoor staat, is er nog iemand om mee te onderhandelen. U kunt misschien voorwaarden afspreken.’

‘En dat is de troost die u biedt? De genade van de keizer?’

‘Het is alles wat ik heb. Wat vertelde u me ook alweer over een man die is verdwaald in de woestijn?’

Kahdia knikte langzaam. ‘Wat de uitkomst ook wordt, ik wil u bedanken.’

Mij bedanken, stommeling? ‘Waarvoor? Omdat ik uw stad heb vernietigd en u aan de genade van de keizer overlever?’

‘Omdat u ons met enig respect hebt behandeld.’

Glokta snoof. ‘Respect? Ik dacht dat ik u alleen maar vertelde wat u wilde horen om mijn zin te krijgen.’

‘Misschien wel. Maar een bedankje kost niets. Ga met God.’

‘God wil niet mee naar waar ik heen ga,’ mompelde Glokta terwijl Kahdia langzaam de kamer uit schuifelde.

Cosca grijnsde langs zijn lange neus. ‘Terug naar Adua, hè, superieur?’

‘Terug, zoals je zegt, naar Adua.’ Terug naar het Huis van Vragen. Terug naar hoofdlector Sult. Het was niet bepaald een vrolijke gedachte.

‘Misschien zie ik u daar nog.’

‘Denk je?’ Het is waarschijnlijker dat je samen met alle anderen wordt afgeslacht als de stad valt. Dan mis je wel de kans om mij aan de strop te zien bungelen.

‘Als ik één ding heb geleerd, dan is het dat er altijd een kans bestaat.’ Cosca grijnsde terwijl hij zich afzette van de muur en naar de deur beende, met één hand zwierig op het gevest van zijn zwaard. ‘Een goede opdrachtgever raak ik liever niet kwijt.’

‘Ik zou ook liever niets kwijtraken. Maar bereid je maar voor op de mogelijkheid van een teleurstelling. Het leven is er vol van.’ En de wijze waarop het eindigt is meestal de grootste van alle.

‘Nou, als een van ons dan wordt teleurgesteld…’ Cosca maakte in de deuropening een theatraal zwierige buiging, terwijl het afbladderende verguldsel van zijn ooit zo prachtige borstplaat glinsterde in een bundel ochtendlicht. ‘Het was me een eer.’

Glokta zat op zijn bed, porde met zijn tong in zijn tandvlees en wreef over zijn bonzende been. Hij keek om zich heen in zijn kamer. Of Davousts kamer. Dáár schrok ik me rot van een oude tovenaar midden in de nacht. Dáár heb ik staan kijken naar de brandende stad. Dáár ben ik bijna opgegeten door een meisje van veertien. Ah, mooie herinneringen

Hij grimaste terwijl hij zich overeind hees en naar de enige kist hinkte die hij mee had genomen. En hier heb ik een ontvangstbevestiging ondertekend voor een miljoen mark, voorgeschoten door het bankiershuis Valint en Balk. Hij haalde het platte leren etui dat Mauthis hem had overhandigd uit zijn jaszak. Een half miljoen mark in geslepen edelstenen, amper aangeraakt. Hij voelde weer de verleiding om het etui open te maken, zijn hand erin te steken en die koude, harde, klikkende destillatie van rijkdom tussen zijn vingers te voelen. Hij hield zich met moeite in, bukte met nog meer moeite, schoof een paar opgevouwen kleren opzij en stopte het etui ertussen. Zwart, zwart en zwart. Ik zou eigenlijk eens een wat gevarieerdere garderobe moeten aanschaffen…

‘Gaan we weg zonder afscheid te nemen?’

Glokta kwam met een ruk overeind en moest bijna overgeven van een withete pijnscheut door zijn rug. Hij stak zijn hand uit en sloeg het deksel net op tijd dicht om zich er nog op te laten vallen voordat zijn been het begaf. Vitari stond in de deuropening en keek hem fronsend aan.

‘Verdomme!’ siste hij. Hij blies bij elke zwoegende ademteug spuug door de spleten tussen zijn tanden, zijn linkerbeen voelde aan als een blok hout en zijn rechterbeen verkrampte van pijn.

Ze liep de kamer in en keek met samengeknepen ogen rond. Kijkend of er niemand anders is. Een persoonlijk onderhoud, dus. Zijn hart bonsde toen ze langzaam de deur sloot, en niet alleen maar door de krampen in zijn benen. De sleutel rammelde in het slot. Alleen wij tweeën. Wat vreselijk spannend.

Ze liep geruisloos over het tapijt en haar lange, zwarte schaduw strekte zich naar hem uit. ‘Ik dacht dat we een afspraak hadden,’ siste ze vanonder haar masker.

‘Ik ook,’ snauwde Glokta, die probeerde een wat waardiger houding aan te nemen. ‘En toen kreeg ik een briefje van Sult. Hij wil dat ik terugkom, en ik denk dat we allebei wel kunnen raden waarom.’

‘Niet door iets wat ík hem heb verteld.’

‘Dat zeg jij.’

Haar ogen werden nog smaller en ze kwam dichterbij. ‘We hadden een afspraak. Ik heb me eraan gehouden.’

‘Fijn voor je! Je kunt jezelf met die gedachte troosten terwijl ik op mijn buik in de haven van Adua drijf en jij hier zit, wachtend tot de Gurken de… oef!’

Toen zat ze boven op hem, haar gewicht drukte zijn vergroeide rug op de kist en perste de lucht piepend uit zijn longen. Hij zag een heldere fonkeling van metaal, hoorde het gerammel van een ketting, en haar vingers gleden om zijn nek.

‘Jij kreupele worm! Ik zou je nu meteen de strot moeten afsnijden!’ Haar knie drukte pijnlijk in zijn maag, koud metaal kietelde tegen zijn nek, haar blauwe ogen priemden in die van hem, flitsten heen en weer, glinsterden als de stenen in de kist onder hem. Over enkele ogenblikken kan ik dood zijn. Zomaar. Hij herinnerde zich hoe hij had staan kijken terwijl ze Eider wurgde. Even achteloos als ik een mier zou plattrappen en ik, arme kreupele, ben even hulpeloos als een mier. Misschien had hij moeten jammeren van angst, maar het enige wat hij kon denken was: wanneer heb ik eigenlijk voor het laatst een vrouw boven op me gehad?

Hij lachte snuivend. ‘Ken je me dan helemaal niet?’ borrelde hij, half grinnikend, half snikkend, zijn ogen tranend van een verschrikkelijke mengeling van pijn en vermaak. ‘Superieur Glokta, aangenaam kennis te maken! Het kan me geen moer schelen wat je doet, en dat weet jij ook. Dreigementen? Je zult heel wat meer uit de kast moeten halen, rooie hoer!’

Haar ogen puilden uit van woede. Haar schouder kwam naar voren, haar elleboog ging achteruit, klaar om de grootst mogelijke druk uit te oefenen. Genoeg om mijn keel tot op mijn vergroeide ruggengraat door te snijden, ongetwijfeld.

Glokta voelde zijn lippen omkrullen in een ziekelijke grijns, vochtig van het spuug. Nu.

Hij hoorde Vitari's ademhaling gieren achter haar masker. Doe het.

Het mes drukte tegen zijn nek, een kille aanraking, zo scherp dat hij het bijna niet voelde. Ik ben er klaar voor.

Toen siste ze, bracht het mes omhoog en ramde het in het hout naast zijn hoofd. Ze stond op en draaide zich om. Glokta deed zijn ogen dicht en bleef even liggen ademen. Ik leef nog. Hij had een vreemd gevoel in zijn keel. Opluchting of teleurstelling? Moeilijk te bepalen.

‘Alstublieft.’ Het werd zo zacht gezegd dat Glokta dacht dat hij het zich had verbeeld. Vitari stond met haar rug naar hem toe, haar hoofd gebogen en haar vuisten trillend gebald.

‘Hè?’

‘Alstublieft.’ Ze zei het echt. En het kostte haar moeite, dat kon je merken.

‘Alstublieft, hè? Dus je denkt dat daar nog plaats voor is? Waarom zou ik je eigenlijk moeten redden? Je bent meegekomen om te spioneren voor Sult. Je hebt niks anders gedaan dan me voor de voeten lopen sinds je hier bent! Ik kan nauwelijks iemand bedenken die ik minder vertrouw, en ik vertrouw niemand!’

Ze draaide zich naar hem om, reikte achter haar hoofd, pakte de strikken van haar masker en trok het af. Er was een duidelijke streep van de zon te zien: bruin rondom haar ogen, haar voorhoofd en haar hals, wit rondom haar mond, met een roze veeg over haar neusbrug. Haar gezicht was veel zachter, veel jonger, veel alledaagser dan hij had verwacht. Ze zag er niet langer angstaanjagend uit. Ze zag er bang en wanhopig uit. Glokta voelde zich plotseling belachelijk slecht op zijn gemak, alsof hij een kamer in was gelopen en er iemand naakt had aangetroffen. Hij moest bijna zijn blik afwenden toen ze knielde en hem in de ogen keek.

‘Alstublieft.’ Haar ogen zagen er vochtig uit, glanzend, en haar lip trilde alsof ze op het punt stond te gaan huilen. Een glimp op de geheime hoop onder de felle buitenkant? Of gewoon een goeie toneelvoorstelling? Glokta voelde zijn ooglid trillen. ‘Ik vraag het niet voor mezelf,’ fluisterde ze bijna. ‘Alstublieft, ik smeek u.’

Hij wreef peinzend met zijn hand over zijn nek. Toen hij die weghaalde, zat er bloed op zijn vingers. Een heel lichtbruine veeg. Een krasje. Een schrammetje. Slechts een haarbreedte verder en mijn bloed zou nu over het prachtige tapijt pompen. Maar een haarbreedte. Levens scharnieren op dergelijke kansen. Waarom zou ik haar moeten redden?

Maar hij wist wel waarom. Omdat ik er niet zo veel red.

Hij draaide zich pijnlijk om op de kist zodat hij met zijn rug naar haar toe zat, en kneedde het dode vlees van zijn been. Hij haalde diep adem. ‘Best,’ snauwde hij.

‘U zult er geen spijt van krijgen.’

‘Ik heb er al spijt van. Verdomme, ik kan gewoon niet tegen huilende vrouwen! En je mag je eigen bagage dragen!’ Hij keek om en stak zijn vinger op, maar Vitari had haar masker alweer opgezet. Haar ogen waren droog, samengeknepen en fel. Ze zien eruit als ogen die nog in geen honderd jaar een traan zouden laten.

‘Maak u geen zorgen.’ Ze rukte aan de ketting om haar pols, en het kruisvormige lemmet sprong uit het deksel van de kist en plofte in haar wachtende hand. ‘Ik reis licht.’

Glokta zag de vlammen die werden weerspiegeld in de vlakke baai. Verschuivende vlekken rood, geel en fonkelend wit in het zwarte water. Vorst trok aan de roeiriemen, soepel, gelijkmatig, zijn bleke, uitdrukkingsloze gezicht half verlicht door de flakkerende vuren in de stad. Severard zat ineengedoken achter hem en loerde over het water. Vitari zat daarachter, in de voorsteven, en haar hoofd was niet meer dan een stekelige omtrek. De riemen doken in de zee en gingen bijna geruisloos door het water. Het leek amper alsof de boot bewoog, eerder alsof de donkere omtrekken van het schiereiland van hen wegglipten, de duisternis in.

Wat heb ik gedaan? Een stad vol mensen ter dood of tot de slavernij veroordeeld, en waarvoor? Voor de eer van de koning? Een kwijlende halfzachte die amper zijn sluitspier kan beheersen, laat staan een land kan besturen. Voor mijn trots? Ha. Die heb ik al lang geleden vergooid, samen met mijn tanden. Voor Sults goedkeuring? Mijn beloning is waarschijnlijk een kraag van touw en een lange val.

Hij zag nog net de donkerder omtrekken van de rotsen tegen de donkere nachthemel, de onregelmatige vorm van de Citadel erbovenop. Misschien zelfs de slanke vormen van de spitsen van de Grote Tempel. Alles bewoog richting het verleden.

Wat zou ik anders hebben kunnen doen? Ik had mijn lot kunnen verbinden aan dat van Eider en de rest. De stad weg hebben kunnen geven aan de Gurken, zonder te vechten. Zou dat iets hebben veranderd? Glokta likte zuur over zijn tandvlees. De keizer zou toch wel met zijn louteringen zijn begonnen. Sult zou me hebben laten ophalen, net als nu. Kleine verschillen, amper het opmerken waard. Wat zei Shickel ook alweer? Er zijn er maar heel weinig die een keus krijgen.

Een kille bries kwam langs, en Glokta trok zijn jas dicht om zich heen en sloeg zijn armen over elkaar, grimassend terwijl hij met zijn slapende voet draaide en probeerde de bloedsomloop op gang te brengen. De stad was niets anders dan een wolk van speldenprikjes licht, ver weg.

Het is precies zoals Eider zei, allemaal zodat de hoofdlector en zijn kornuiten naar een landkaart kunnen wijzen en kunnen zeggen dat dit of dat stipje van ons is. Zijn mond vertrok in een glimlach. En na alle inspanningen, alle offers, alle plannenmakerij, samenzweringen en moorden zouden we alsnog de stad niet in handen hebben. Al die pijn, en waarvoor?

Daar was geen antwoord op, natuurlijk. Alleen de deinende golven die tegen de zijkant van de boot klotsten, het zachte kraken van de dolpennen, het geruststellende kletsen van de roeiriemen op het water. Hij wilde walgen van zichzelf. Zich schuldig voelen over wat hij had gedaan. Medelijden hebben met al diegenen die aan de Gurkense genade zouden zijn overgeleverd. Zoals andere mensen misschien zouden hebben. Zoals ik misschien zou hebben gehad, lang geleden. Maar het viel niet mee om wat dan ook te voelen, behalve de overstelpende vermoeidheid en de eindeloze, zeurende pijn in zijn been, in zijn rug, in zijn nek. Hij grimaste terwijl hij achterover ging zitten op zijn houten bankje, zoals altijd zoekend naar een minder pijnlijke houding. Ik hoef mezelf immers niet te straffen.

Zijn straf zou gauw genoeg komen.