De weg naar de overwinning
West stond bij een groepje vergroeide bomen, in de snijdende wind op het hoge terrein boven de rivier de Cumnur, en keek naar de lange, bewegende rij. Of eigenlijk de lange, niet bewegende rij.
De ordelijke gelederen van de Koninklijke Lijfwacht, aan de voorhoede van prins Ladisla's leger, marcheerden dapper door. Je kon ze onderscheiden aan hun pantsers, die glinsterden in de karige, bleke zonnestralen die door de rafelige wolken braken, aan de felgekleurde uniformen van de officieren, aan de rood-met-gouden vaandels die klapperden in de wind voor aan elke compagnie. Ze waren de rivier al over, in ordelijke rijen, een sterk contrast met de puinhoop aan de andere kant.
De rekruten waren vroeg die ochtend gretig begonnen, ongetwijfeld opgelucht dat ze het ellendige kamp achter zich konden laten, maar het had nog geen uur geduurd voordat een man hier of een man daar, ouder dan de anderen of met slechter schoeisel, begon achter te blijven, en de rij was chaotisch geworden. Mannen glibberden en struikelden in de half bevroren smurrie, vloekten en botsten tegen hun buren, trapten met hun laarzen op de hakken van de man voor hen. De bataljons waren van nette blokken gedraaid en uitgerekt tot vormeloze klonters die samengingen met de eenheden ervoor en erachter, en de rij bewoog zich nu in grote golfbewegingen, doordat de ene groep snel doorliep terwijl de volgende stilstond, als de segmenten van een of andere monsterlijke, smerige worm.
Zodra ze de brug bereikten was elk spoortje orde helemaal verdwenen. De rommelige compagnieën persten zich in die smalle ruimte, duwden en gromden, vermoeid en chagrijnig. Degenen die erachter stonden drongen zich met steeds meer kracht naar voren omdat ze naar de overkant wilden om uit te rusten, waardoor alles nog meer verstopt raakte met lichamen. Toen was een kar, die daar hoe dan ook helemaal niets te zoeken had, halverwege de rivier een wiel kwijtgeraakt en was de trage stroom van mannen die over de brug liepen een stroompje geworden. Niemand scheen te weten hoe ze de kar weg moesten krijgen, of wie ze moesten halen om hem te repareren, en ze besloten er dan maar overheen te klimmen, of eronderdoor te schuiven, waardoor de duizenden mannen achter hen nog verder werden opgehouden.
Er had zich nogal een gedrang gevormd in de modder aan deze kant van het snelstromende water. Mannen beukten grommend tegen elkaar op, speren staken schots en scheef de lucht in, omringd door schreeuwende officieren en steeds grotere stapels troep en spullen die waren gedumpt. Achter hen bleef de lange slang van ploeterende mannen spastisch voorwaarts bewegen en voerde steeds meer soldaten aan naar de chaos voor de brug. Er was niet de geringste aanwijzing dat iemand er zelfs maar aan had gedacht om iedereen halt te laten houden, laat staan dat het was gelukt.
En dat gebeurde allemaal in een rij, zonder enige druk van de vijand, en met een best aardige weg om overheen te marcheren. West durfde niet eens te denken aan hoe het zou zijn om ze in gevechtslinie te krijgen, tussen bomen door of over onregelmatig terrein. Hij kneep zijn vermoeide ogen dicht en wreef erin, maar toen hij ze weer opende, was het afgrijselijke, dolkomische spektakel daar nog steeds. Hij wist eigenlijk niet of hij moest lachen of huilen.
Hij hoorde hoefgetrappel op de heuvel achter zich. Luitenant Jalenhorm, groot en sterk in het zadel. Hij had misschien niet veel fantasie, maar hij was een uitstekende ruiter en een betrouwbare vent. Een goede keus voor de taak die West in gedachten had.
‘Luitenant Jalenhorm, zoals verzocht.’ De grote man draaide zich om in het zadel en keek naar de rivier beneden. ‘Het lijkt erop dat er wat problemen zijn op de brug.’
‘Ja, hè? Nog maar het begin van onze problemen, vrees ik.’
Jalenhorm grijnsde. ‘Ik begrijp dat wij het voordeel van aantallen hebben, en van de verrassing…’
‘Aantallen misschien wel. Maar verrassing?’ West gebaarde naar de mannen die zich verdrongen op de brug, hoorde de vage, wanhopige kreten van hun officieren. ‘Dat zooitje? Een blinde hoort ons van tien mijl afstand aankomen. Een blinde en een dove zouden ons waarschijnlijk al ruiken voordat we de strijdlinies maar half hebben gevormd. Het duurt op deze manier een dag voordat we allemaal aan de overkant zijn. En dat is bij lange na nog niet de ergste van onze tekortkomingen. Wat het bevel aangaat, vrees ik, kan de kloof tussen ons en onze vijanden niet groter zijn. De prins leeft in een droomwereld, en zijn staf is er alleen om hem daar te houden, koste wat het kost.’
‘Maar er is toch wel…’
‘Het kan ons het leven kosten.’
Jalenhorm fronste zijn voorhoofd. ‘Kom op, West, ik wil niet bepaald de strijd in met die gedachte in mijn hoofd…’
‘Je gaat ook niet de strijd in.’
‘Nee?’
‘Jij kiest zes goede mannen en paarden uit je compagnie uit. Je rijdt zo hard als je kunt naar Ostenhorm, dan noordwaarts naar het kamp van maarschalk Burr.’ West reikte onder zijn jas en pakte zijn brief. ‘Dan geef je hem deze. Je vertelt hem dat Bethod al achter hem zit met het grootste deel van zijn leger, en dat prins Ladisla heel onverstandig heeft besloten om de Cumnur over te steken om tegen de Noordmannen te vechten, rechtstreeks tegen de bevelen van de maarschalk in.’ West klemde zijn kiezen op elkaar. ‘Bethod ziet ons van mijlenver al aankomen. We bieden de vijand de keus van het slagveld, zodat prins Ladisla doortastend kan lijken. Doortastendheid is het beste beleid in een oorlog, schijnbaar.’
‘West, zo erg kan het toch niet zijn?’
‘Als je bij maarschalk Burr aankomt, zeg hem dan dat prins Ladisla bijna zeker is verslagen, heel wel mogelijk is gesneuveld, en dat de weg naar Ostenhorm openligt. Hij weet wel wat hij moet doen.’
Jalenhorm staarde naar de brief, stak zijn hand uit om hem aan te pakken en weifelde. ‘Kolonel, ik heb echt veel liever dat je iemand anders stuurt. Ik moet vechten…’
‘Jij kunt met vechten echt het verschil niet maken, luitenant, maar misschien wel als je deze boodschap overbrengt. Ik doe dit niet uit sentiment, geloof me. Ik heb geen belangrijker taak dan deze, en jij bent de man die ik vertrouw om hem gedaan te krijgen. Begrijp je je bevelen?’
De grote man slikte, pakte de brief aan, maakte een knoop van zijn jas open en schoof het document er voorzichtig onder. ‘Natuurlijk. Het is me een eer.’ Hij wilde zijn paard wenden.
‘Nog één ding.’ West haalde diep adem. ‘Als ik mocht… komen te overlijden… Als dit voorbij is, kun je dan een boodschap overbrengen aan mijn zus?’
‘Kom nou toch, je hoeft echt niet…’
‘Ik hoop dat ik het overleef, echt, maar dit is een oorlog. Niet iedereen zal het overleven. Als ik niet terugkom, zeg dan tegen Ardee…’ Hij dacht even na. ‘Zeg maar gewoon dat het me spijt. Dat is alles.’
‘Natuurlijk. Maar ik hoop dat je haar dat zelf kunt vertellen.’
‘Ik ook. Succes.’ West stak zijn hand uit.
Jalenhorm drukte die. ‘Jij ook.’ Hij spoorde zijn paard aan en reed de helling af, weg bij de rivier. West keek hem een tijdje na, toen haalde hij diep adem en liep de andere kant op, naar de brug.
Iemand moest die stomme rij weer in beweging zien te krijgen.