45

––––––––

Walt

Leia knijpt even in mijn hand van spanning. ‘We gaan echt weg,’ zegt ze met trillende stem. ‘Ik kan niet geloven dat we van het eiland af gaan.’

Ik glimlach naar haar. ‘Ik ben blij dat je er zo naar uitkijkt.’

In de haven komt oom Nathan op ons af om de Oudste van Newexter te begroeten. Achter hem loopt Alisa, die met een brede glimlach naar me toekomt en me in de armen vliegt. ‘Walt,’ roept ze ademloos. ‘Het is je gelukt! En je leeft nog!’

Lachend maak ik me los uit haar knellende omhelzing. ‘Gelukkig wel. Hoe is hier alles gegaan?’

Ik stel Leia en Alisa aan elkaar voor. Alisa geeft me stiekem een vette knipoog, waardoor ik vreselijk rood word. Dan vertelt ze dat de Boekhouder heeft besloten om in Hoophaven te blijven nu de hele stad op zijn kop staat. Lang niet iedereen wil direct naar de Overkant varen – Alisa zelf ook niet – en er moet leiding worden gegeven aan de achterblijvers.

‘Ik ga direct aan de slag bij de ordebewaarders,’ zegt ze blij. ‘Ze hebben mensen nodig, en ik kan ernaast gaan studeren.’

‘Wat gaan ze eigenlijk doen met Bram en Finn?’ vraag ik nieuwsgierig.

‘Die gaan morgen naar Newexter.’ Alisa kijkt om zich heen. ‘Ik had van je oom begrepen dat er een crimineel van de oostkant hiernaartoe zou komen en dat wij dan onze ordeverstoorders naar hen konden sturen. Een uitwisseling van rotzakken, zal ik maar zeggen.’

Ik wijs onopvallend naar Ben, die bij een meerpaal is gaan staan en met nieuwsgierige ogen de drukte van de haven in zich opneemt. ‘Dat moet hij zijn.’

‘Hij?’ Alisa’s mond valt open. ‘Maar hij is nog zo jong.’ Verwonderd staart ze naar Ben.

‘Niet te jong om dingen verkeerd te doen,’ merkt Leia een beetje bitter op.

‘Misschien moet jij hem maar wegwijs maken als wij straks weg zijn,’ opper ik snel. ‘Hij verdient een nieuwe kans.’

Alisa knikt. ‘Dat zal ik doen.’

***

Als we om klokslag twaalf de trossen losgooien, staat er een hele menigte in de haven om ons uit te zwaaien. Bijna iedereen heeft wel een familielid, vriend of kennis die de reis gaat maken. We vertrekken met vijfenvijftig mensen aan boord – net iets meer bemanning dan de Annabel destijds.

De eerste paar minuten houd ik me net zo stevig vast aan de reling als Leia, want de branding is onrustig. Als we eindelijk in rustiger vaarwater terechtkomen, laat ik pas los en kijk ik Leia met een kleine glimlach aan.

‘Zo, we zijn op weg,’ zeg ik.

‘Op naar het beloofde land,’ stemt ze in.

Hand in hand kijken we vanaf het achterschip naar het eiland waar we zijn opgegroeid. De kustlijn beslaat eerst nog de hele horizon, maar de stroming en de wind in de zeilen nemen ons mee. Het duurt niet lang voor we Tresco kleiner en kleiner zien worden.

Pas als het eiland van Ongelovigen en Dwazen nog maar een stipje aan de horizon is, draaien we ons om en gaan we naar binnen.