9

––––––––

Walt

‘Hé! Jij ook een honingbroodje?’

Yorricks vriend Samuel stoot me aan. In gedachten verzonken sta ik voor de kraam van de bakker en tuur naar de overkant van het marktplein. Ik dacht dat ik haar zag.

‘Eh, ja, doe maar,’ mompel ik afwezig. ‘En Yorrick wil een zoute krakeling.’

Ja, ze is het echt. Haar witgrijze haar is opgestoken in een nette knot. Vroeger was het witblond, zoals het mijne, maar ik heb het in de loop van de jaren van een afstandje steeds grijzer zien worden.

Oma. De ex-vrouw van opa, en de moeder van mijn moeder.

Door papa heb ik me laten vertellen dat mama heel erg op haar leek, maar dat kan ik niet geloven. Als ik aan mijn moeder denk, herinner ik me warmte, een lieve, zachte stem en geborgenheid. Als ik naar deze vrouw kijk, dan zie ik een kille muur waar mijn weinige pogingen tot contact maken op zijn afgeketst. Ze is zo oud en ongenaakbaar.

‘Loop je mee?’ Samuel begint ongeduldig te klinken. Hij trekt me aan mijn arm, maar ik maak me ongeduldig los uit zijn greep.

‘Ik moet even wat doen. Ga jij maar alvast naar Yorrick toe, ik zie jullie straks wel in het park.’

Zonder nog om te kijken steek ik het plein over. Ik ga recht op mijn doel af en vertraag mijn pas niet, ook niet als ik haar ogen groot van verrassing zie worden en haar mond verstrakt. Het moet maar eens afgelopen zijn met dit rare gedoe.

‘Dag, oma,’ zeg ik met een stem waar ik de trilling uit weet te weren die door mijn lichaam gaat. ‘Hoe gaat het met u?’

‘Prima.’ Haar blik glijdt over mijn gezicht en haar ogen worden wat zachter. ‘En met jou, Walt? Hoe oud ben je nu?’

‘Bijna zeventien. En het gaat niet zo goed, eerlijk gezegd.’

‘Oh.’ Ze kijkt me onthutst aan. ‘Wat is er dan?’

‘Hebt u tijd om ergens een kop thee te gaan drinken?’ Ik aarzel even en zeg dan eerlijk: ‘Ik wil het met u over mama hebben.’

Tot mijn verbazing knikt ze en wijst dan naar een steegje achter de groentekraam. ‘Loop maar met me mee. Ik woon hier vlakbij.’

Het ijs dat ze als een schild om zich heen draagt, is onverwacht gebroken.

Als we het smalle straatje door zijn, staan we op een rond pleintje met een stuk of zeven woningen. Mijn oma loopt naar een huis met een rode voordeur en witte bloemen op de vensterbank aan weerszijden van de deur.

Binnen hangt de geur van versgebakken koekjes in de lucht. Er klikt iets in mijn hersens. Dit doet me ergens aan denken. Deze lucht komt uit een tijd waarin ik nog ouders had, waarin mama voor mij en Yorrick zorgde als onze vaders moesten werken. Gedachteloos sluit ik mijn ogen en snuif ik de geur op.

‘Wat zing je daar?’ klinkt plotseling een stem achter me. Ik draai me om en zie hoe mijn grootmoeder wit is weggetrokken. Ze heeft de tas met boodschappen uit haar handen laten vallen. Appels stuiteren alle kanten op.

‘Ik ... Ik weet het niet,’ stamelde ik. ‘Stond ik te zingen?’

Ze knikt. Er staan tranen in haar ogen. ‘Dat is het lied van je moeder. Weet je dat nog?’

Een glimlach verspreidt zich over mijn gezicht. Het lied waar ik soms ’s ochtends mee wakker word als het de hele nacht door mijn hoofd heeft gespookt ... dat is dus écht wat mama zong. Yorrick kan het dak op met zijn spottende opmerkingen – ik weet nog hoe ze klonk. Ik herinner het me.

Als mijn oma zich bukt om haar groente en fruit op te rapen, doe ik een stap naar voren. ‘Dat doe ik wel, oma. Zet u maar thee. En ik wil er best een koekje bij.’

Ze lacht. ‘Het is een familierecept. Je moeder bakte ze ook altijd voor jullie.’

Terwijl ik alles opruim, maakt mijn oma thee in de keuken. Ze neuriet nu ook zacht mama’s lied en ik voel me thuis.

Even later zet oma met een glimlach een dienblad met thee en koek op tafel, maar haar gezicht wordt ernstig als ze me aankijkt. ‘Waar wil je over praten, Walt?’

Ik zwijg een lange tijd. ‘Eigenlijk wil ik weten waarom u niets met ons te maken wilt hebben,’ zeg ik dan verdrietig. ‘Ik snap wel waarom u opa niet wilt zien. U bent van hem gescheiden, en vrienden blijven, dat werkt natuurlijk niet.’

Oma neemt een slok thee en staart naar de schoorsteenmantel. ‘Weet je nog hoe je moeder eruitzag, Walt?’ Ze wijst naar een schilderij dat daar aan de muur hangt. Ik kijk met een brok in mijn keel naar het portret. Blauwe ogen en witblond haar, net zoals ik. Zag ze er in mijn droom ook zo uit? Vast niet, want wij hebben thuis geen beeltenissen van haar. Waarom eigenlijk niet?

Ze lijkt mijn gedachten te raden. ‘Ik geloof dat jouw vader na haar dood alle schilderijen van Sara heeft weggehaald omdat hij te veel verdriet had. En omdat hij zichzelf de schuld gaf.’

‘Waarom dan?’ Verbijsterd kijk ik haar aan. ‘Ze was toch ziek?’

‘Is dat wat Thomas jou heeft verteld?’ Oma lacht bitter. Haar theekopje trilt in haar hand.

‘Wat is er gebeurd?’ fluister ik schor.

‘Het gaat een hele tijd terug. Toen ik met Thomas trouwde, was hij al twee jaar alleen. Ik kende hem al lang en knoopte een hechte vriendschap met hem aan die mettertijd meer werd dan dat. Toen hij me een aanzoek deed, was ik dolgelukkig. Ik wist wel dat hij nog steeds veel over Toja nadacht, maar dat was niet belangrijk als hij ook van mij hield, vond ik.’

‘Hield hij dan niet van u?’

Ze zucht diep. ‘Op zijn manier wel. Alleen was dat niet genoeg voor mij. Ik kon het niet winnen van een vrouw uit het verleden die er helemaal niet meer was. En zijn constante angst voor wat er aan de andere kant van de Muur lag, heeft me nog verder van hem weggedreven. Na tien jaar gaf ik het op. Toen was Sara negen. Ze wilde bij hem wonen, niet bij mij. Thomas heeft er alles aan gedaan om Sara naar zich toe te trekken. Misschien dat ze te doen had met haar vader, die twee keer was verlaten en niet ook nog zijn enige dochter wilde verliezen.’

Mijn hart krimpt ineen. ‘Maar dat is wel gebeurd.’

‘Ja. En dat neem ik hem persoonlijk kwalijk. Ik wilde Sara laten zien dat er ook nog iets anders was dan de tempel, maar dat stond hij niet toe. Hij begon mijn bezoeken aan mijn eigen dochter aan banden te leggen, hij wilde niet dat ik jou zag. En jouw vader zei er niets van, die koos de kant van Thomas.’

Plotselinge woede stroomt door mijn lijf. Dus mijn vader en opa zijn er eigenlijk de schuld van dat ik deze vrouw nooit heb leren kennen? Dat is ... onvergeeflijk! Ik heb de neiging direct op te springen, naar huis te rennen en ze allebei ter verantwoording te roepen, maar mijn oma is nog niet klaar met haar verhaal.

‘Thomas was geobsedeerd door het idee dat we ons leven moeten inrichten naar de Komst van Annabel, en dat bracht hij op Sara over. Net zolang tot ze er in doorsloeg en bij de Orde van Het Gouden Schip terechtkwam.’

Een gouden schip? Dat zat ook in mijn nachtmerrie van afgelopen nacht.

Ze ziet mijn verwarring en schudt haar hoofd. ‘Nee, Walt, dat was voor jouw tijd. Ze zijn er niet meer. Zij geloofden dat Annabel in het leven hierna op ons wacht en dat hier wachten alleen maar onnodig en pijnlijk is.’

Met een misselijk gevoel in mijn buik laat ik haar woorden tot me doordringen. ‘Heeft ze soms ...’ fluister ik schor.

Oma knikt. ‘Ze zijn collectief uit het leven gestapt. Zodat hun schip van goud ze direct naar de Overkant zou brengen.’