5
––––––––
Walt
Als ik aankom op het plein, is een tempelmedewerker in een wit gewaad net bezig de fakkels aan weerszijden van de ingang aan te steken. Er zullen meer mensen komen vanavond, want opa’s herdenking valt samen met het lentefeest. De meeste Hoophavenaars zullen straks verschijnen met gele bloesem in hun haar en gesneden gras en eieren in manden om de lente te eren en de zomer te verwelkomen. Ze spreken de hoop uit dat Annabel na deze lente komt en ons meeneemt naar het land dat niemand gezien heeft – de Wereld achter het Water.
Als ik naar het altaar loop, heeft opa net een dikke kaars aangestoken. Hij staat op eerbiedige afstand naar het vlammetje te staren dat oplicht in het halfdonker van de tempel. Met een glimlach steekt hij zijn hand naar me uit. Ik pak zijn hand en knijp er even in. ‘Dag, opa.’
‘Dag, jongen.’ Zijn ogen staan droevig. Eigenlijk heeft hij altijd een soort weemoed over zich gehad. Hij heeft ook geen gemakkelijk leven gehad: zijn eerste, grote liefde is hem afgenomen door de Ongelovigen, zijn vrouw heeft hem na tien jaar huwelijk verlaten, en zijn enige dochter – mijn moeder – is al op jonge leeftijd overleden. Het verbaast me soms dat hij nog zo’n rotsvast vertrouwen in de Godin heeft. Of misschien juist daarom wel. Met zoveel last op je schouders kun je nog maar twee dingen doen: opgeven, of je vertrouwen stellen in een hogere macht.
Opa Thomas neemt me mee naar de bank waar we altijd gaan zitten op deze speciale dag. Hij staat in een zijnis van de tempel vlak onder een schildering van Tresco. De hele westkust is ingekleurd en voorzien van mooie tekeningen van Annabel en haar dochters. De oostkant van het eiland is leeg en donker geschilderd; dat is het land achter de Muur waar ongeloof heerst. De plek waar opa’s eerste vriendin naartoe is ontvoerd. Erboven staat een tekst uit de Annalen van Praed de Eerste die ieder kind uit zijn hoofd leert in de tweede klas:
Ooit werd een sprookje verteld over een vreemde man in de dagen van weleer die over water kon lopen en zei dat hij door God gezonden was, maar we weten allemaal dat zulke verhalen alleen voor kinderen zijn. Niemand kan over water lopen, daarom komt onze Godin ons halen per schip als de tijd daar is.
‘Vertel me over haar,’ zeg ik zacht.
Zo beginnen we altijd – ik stel die vraag en opa vertelt. Hij vertelt dan hoe gelukkig hij en zijn verloofde samen waren, tot ze op een dag niet bij de tempel verscheen op een belangrijke feestdag en vervolgens was verdwenen. Meegenomen door de Ongelovigen.
Maar dit keer begint mijn grootvader anders.
‘Walt,’ zegt hij zacht, ‘ik ga je vertellen wat ik jouw moeder ook heb verteld toen ze bijna zeventien werd. Ik wil dat je begrijpt hoe fout het is om van ons pad af te dwalen en de Godin te vergeten.’
‘Maar dat weet ik toch allang, opa.’ Verbaasd kijk ik hem aan. Weet hij niet meer wat hij me verteld heeft en wat niet?
Opa zakt met zijn rug tegen de muur en staart naar het altaar. Dan begint hij langzaam te praten, alsof het hem moeite kost.
‘Toja en ik waren gelukkig samen, totdat ze op een dag tijdens het lentefeest niet bij de tempel verscheen. Ik maakte me zorgen, maar ik had ook de weken ervoor al gevoeld dat er iets met haar aan de hand was.’
Dit gaat een hele andere kant op dan ik had verwacht. Zonder erbij na te denken onderbreek ik zijn verhaal. ‘Hoezo? Wat dan?’
‘Ze begon zoveel vragen te stellen. Over van alles. Ze wilde weten hoe ver de wereld van Annabel precies van ons verwijderd was. Waarom we daar niet naartoe konden. Waarom de priesters zeiden dat we moesten wachten. Ze wilde zelfs weten hoe de Ongelovigen eruitzagen.’ Hij laat zijn stem dalen. ‘Ze ging niet meer naar de tempel, Walt, omdat ze de verhalen van de priesters onzin vond.’
‘Echt waar?’ zeg ik schor. Zijn woorden schokken me, en niet alleen maar omdat ik dit helemaal niet van opa’s vriendin verwachtte. Het lijkt wel of ik mijn eigen twijfels terughoor. Ik heb daarnet nog nagedacht over onze tempeldiensten, en of we niet gewoon zoet worden gehouden met verhaaltjes. En daar komt het verhaal van Yorrick nog bovenop.
‘Ja. En ik weet dat ze een breekpunt bereikte toen ik haar vroeg om met me te trouwen. Ze was bang. Ze was vergiftigd door het idee van iets beters dat aan de andere kant van het eiland op ons wachtte. Op Annabel wilde ze niet meer wachten.’
Ik blijf stil en kijk hem angstig aan. Want ik weet eigenlijk al wat hij gaat zeggen.
Zijn stem breekt. ‘Toja is uit eigen vrije wil en uit nieuwsgierigheid de Muur overgestoken. Maar ze is nooit meer teruggekomen.’
***
Die avond kom ik laat thuis. Ik heb doelloos door de beregende straten gezworven zonder echt iets te zien. Toen het begon te regenen, liep ik gewoon door. Ik ben niet eens meer naar het lentefeest geweest. Ongeloof en verbijstering razen nog steeds door me heen.
Dus opa’s vriendin is vrijwillig naar de Ongelovigen gegaan. Ze heeft mijn grootvader met opzet achtergelaten. Waarom in scheepsnaam? Ik bedoel, de wereld aan de andere kant van de Muur heeft me altijd wel gefascineerd, maar vooral omdat ik me de laatste tijd afvraag waarom de Ongelovigen zo netjes aan hun kant van Tresco blijven. Als ze echt zo bloeddorstig en gevaarlijk zijn als de priesters beweren, waarom vallen ze dan nooit aan?
Als ik de straat van Yorrick voorbijloop, zie ik Alisa net de deur van zijn huis uitkomen.
‘Hé, Walt,’ roept ze me als ze me in het oog krijgt. ‘Ben je op weg naar huis?’ Ze komt naast me lopen.
‘Eh, ja.’
Zwijgend lopen we naast elkaar voort. Alisa woont een straat achter mij, dus we moeten dezelfde kant op.
‘Hoe was het op het strand?’ vraag ik uiteindelijk maar.
‘Oh, het was heerlijk!’ roept Alisa uit. ‘We hebben in de zon gezeten en naar de schepen gekeken, en Yorrick heeft koeken voor ons allemaal gekocht.’
‘Maar hij heeft alleen jou mee naar huis genomen,’ merk ik met een glimlach op. Ik kijk opzij om haar blik te vangen. Ze bloost. ‘Had hij thuis ook nog koek voor je dan?’
Alisa draait zich naar me toe en kijkt me met grote ogen aan. ‘Walt! Hou op met die opmerkingen! Straks gaan er mensen over ons roddelen.’ Ze geeft me een tik op mijn arm. ‘Ik bedoel ... Hij is wel de zoon van de Boekhouder. Iedereen let op hem.’
‘Nou en,’ zeg ik vriendelijk, ‘hij heeft jou thuis uitgenodigd, dus daar heeft niemand iets mee te maken.’
Alisa glimlacht. ‘Heeft hij het wel eens over me?’ vraagt ze nieuwsgierig.
Ik haal mijn schouders op. ‘Soms.’
‘Wat zegt hij dan?’ dringt ze aan.
‘Gewoon ... Dat hij op je wil wachten na school.’ Dat heeft hij niet echt gezegd, maar ik weet wel dat het zo is.
Als we bij de hoek van haar straat staan, zegt ze: ‘Doe de groetjes aan Yorrick,’ en loopt ze met verende tred weg.
‘Geloof, hoop en liefde,’ groet ik terug. Ik kijk haar na en voel plotseling jaloezie. Ik wou dat iemand zo blij was met aandacht van míj.
***
‘Waar kom jij zo laat vandaan?’ vraagt mijn vader als ik binnenstap in mijn natte kleren.
‘Ik was in de tempel.’
Hij kijkt me met een frons aan. ‘Helemaal niet. Daar ben ik net gaan kijken omdat het zo lang duurde.’
Ik krijg een kleur. ‘Nou, oké dan. Ik wilde gewoon even nadenken. Alleen rondlopen.’
Papa gaat weer aan de keukentafel zitten en wrijft vermoeid over zijn gezicht. ‘Waarom moet je daar over liegen? Wat hebben ze je in die tempel allemaal verteld dat je zo van streek raakt en uren rond gaat dolen?’
Verbaasd ga ik ook zitten. Ik heb hem nog nooit kritiek op de tempel horen hebben, maar nu klinkt hij bijna beschuldigend. ‘Pap, wat is er?’
Hij zwijgt. Langzaam draait hij zijn beker melk om en om in zijn handen. Ernaast staan twee borden met vlees en groente; één vol en één halfleeg. Hij heeft op me gewacht met het eten, maar ik kwam niet.
‘Ik wil je gewoon je eigen weg laten gaan, Walt,’ zegt hij uiteindelijk ernstig.
‘Maar je bent het niet eens met hoe ik loop?’ vraag ik voorzichtig.
Hij glimlacht even. ‘Ik vind je een bijzonder verstandige jongen. Je leert goed op school, je haalt geen rottigheid uit en je hebt aardige vrienden. Je helpt je opa als hij je nodig heeft.’
Weer zwijgt hij, en nu zucht ik ongeduldig. ‘Zeg nou maar wat er is.’
‘Opa heeft jouw moeder vroeger continu één richting op willen duwen,’ zegt mijn vader dan. ‘Omdat zijn eerste geliefde over de Muur verdween, moesten zijn vrouw en dochter zich helemaal richten op het leven hier. Ze mochten niet eens in de richting van de Muur kíjken of hij barstte al tegen ze uit. Het verbaast me niet zo dat jouw oma hem heeft verlaten. Opa is gewoon nooit over het verlies van Toja heen gekomen. Zelfs nu nog herdenkt hij haar verdwijning.’
Nu papa het zo zegt, klinkt het inderdaad wel stom. Opa leeft in het verleden.
‘Ik wilde jou niet opvoeden zoals hij jouw moeder heeft opgevoed,’ vervolgt hij. ‘Ik wilde je gewoon jezelf laten zijn. Je eigen keuzes laten maken. Maar nu, de laatste tijd, zie ik je zo ... zoveel tijd in die tempel doorbrengen.’
En dat terwijl ik er juist twijfels over heb.
‘Ik wil niet dat je daar de komende tijd nog naartoe gaat,’ zegt hij dan bruusk. Met een ruk schuift hij zijn stoel naar achteren en staat op. Voor ik nog iets kan uitbrengen of kan protesteren, hem kan vertellen dat hij zich druk maakt om niets, draait hij zich om en loopt hij de keuken uit.
***
Die nacht droom ik over mama. Ik ben net zo oud als ik nu ben, maar toch houd ik haar hand vast als ik op straat loop met haar. Ik voel me jong, klein en bang. Overal lopen mensen met fakkels die het duister proberen te verjagen. Het is een donkere nacht en er is geen maan te zien, maar ik kan het gezicht van mijn moeder duidelijk ontwaren.
‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik in paniek. ‘Waar gaan al die mensen heen?’
Mijn moeder glimlacht. ‘Naar het schip van goud, Walt. Vanavond varen we. We gaan weg.’
‘Waarheen dan?’ De blik in haar ogen staat me niet aan. Ze lijkt langs me heen te kijken, naar iets waar ik niet kan komen.
‘Weg van hier. Naar Annabel.’
Dan staat mijn vader voor ons. Hij heeft tranen in zijn ogen. ‘Alsjeblieft, Sara, blijf bij ons,’ smeekt hij, en hij grijpt mijn moeder bij de schouders.
Die glimlacht nog steeds. Haar ogen zijn vol van leegte. ‘Ik moet gaan.’
‘Mam!’ schreeuw ik, als ze zich losrukt en begint te rennen, de straat af, richting de haven. Ik zie een zee van mensen die in de golven overloopt.
Als ik wakker word, weet ik niet meer hoe haar gezicht eruitziet.