Bragança
We hebben een prachtige rijdag. Bij Spanje stelde ik me lege wegen voor. Hete, droge wind, wijnvelden, olijfbomen, witte huizen met oranje daken en zon, zon, zon. Vandaag hebben we dat allemaal, maar dan in Portugal, waar we van Porto naar het oosten rijden. De rust kwam niet meteen, want dichtbij de grote stad, en zeker na het gevoelige voetbalverlies voor de Portugezen van gisteravond, zijn de wegen gevuld met auto’s vol jonge mannen die soms zo hard en zo rakelings inhalen dat de motor een slag opzij maakt van de luchtdruk. Portugezen zijn heel vriendelijk, tot ze achter het stuur zitten, was ons gisteravond al verteld. Dat klopt dus en de enige echte oplossing is een gebied zoeken waar gewoon niemand rijdt. Daar komen we al snel. Lege wegen zo ver we kunnen kijken. Hitte, bochten. En waar we ook stoppen, zoals ’s avonds in Bragança, uitgekozen vanwege de klank, is er heerlijk eten en drinken.
We eten bij de baas van ons hotel. Hij vroeg het bij het tonen van de kamer zo indringend, dat we er eigenlijk niet van buiten konden. We zitten helemaal alleen in een immense eetzaal, waar hij ons toeknikt vanuit een al even verlaten roestvrijstalen keuken.
De kaart is simpel. Je hebt vlees en je hebt vis. Van beide wijst hij er ééntje aan. Lam of kabeljauw. Die moeten we nemen. En als het zonodig moet, kan hij er ook nog wel wat sla bij maken.
Het lam blijkt een enorme bout, die hij eerder die dag heeft geroosterd. Voor hij een portie voor ons afsnijdt, draagt hij het mooi aangebruinde vlees op een grote schaal naar binnen om aan ons te laten zien. ‘Sehr gut’, zegt hij. Vroeger heeft hij in München gewerkt. Hard gewerkt. En genoeg verdiend om dit hotelletje annex café annex restaurant te kopen. ‘Besser so’, besluit hij, en kijkt even om zich heen. Even later zet hij met een ‘guten apetit’ twee borden geroosterd lam op tafel. We zouden er thuis moeiteloos het hele gezin van kunnen voeden. Daarna gaat hij zijn keuken schoonmaken.