4. Rare mensen, die Fransen
Wanneer we aan het eind van de middag Boulogne sur Mer binnenrijden, is het behoorlijk heet. Een graad of dertig, schat ik. Als je door kunt rijden is dat op de motor nog wel te doen, maar langzaam door een stadje rijden is een heel benauwde bezigheid. En zeker voor stoplichten wachten. Bij ons allebei loopt het zweet onder onze helm vandaan en ik voel de natte plekken in mijn motorlaarzen en in de knieholtes van mijn motorbroek verschijnen. Mijn K100 heeft een kleine kunststof kuip rond het stuur en een stukje doorlopend langs mijn benen, waar de hitte van het motorblok achter blijft hangen. Ideaal in de winter. Michiel heeft een vrij dik leren pak, die zal het nog wel warmer hebben.
Boulogne sur Mer is echt Frans en groter dan ik gedacht had. Overal krioelen toeterende en gebarende automobilisten met hun voertuigen door veel te smalle straatjes die zonder navolgbaar plan telkens uitmonden in een bord ‘verboden in te rijden’. Ik heb een hotel gereserveerd uit een fietsgidsje van de Noordzeeroute. Uit de beschrijving weet ik dat het een niet te duur hotel is, maar verder niets. Geen idee waar het ligt en al helemaal niet of ik de motor daar enigszins veilig neer kan zetten. Na een paar tot niets leidende rondjes door het blakerende centrum, zet ik de motor op de stoep en loop samen met Michiel een kroegje binnen. Een plastic muggengordijn voor de ingang, houten stoelen en pastis drinkende mannen binnen. De man achter de bar gebaart met beide armen hoe we rijden moeten en in de spiegels achter zijn hoofd zien we het nog een keer of tien. Met ogen vertroebeld door de drank en Gauloises, kijken twee mannen die aan de bar zitten van ons naar de barman en weer terug naar ons, waarop zij met nog meer gebaren een nog veel slimmere route aanbevelen. Een zilverkleurig metalen mandje met een uitgedroogd croissantje speelt daarbij voor hotel. Wij zijn het zoutpotje, dat met schuifelende bewegingen zijn doel nadert.
“Dit is nou Frankrijk”, zeg ik, wanneer we weer samen in het helle licht staan.
“Leuk”, zegt Michiel.
Het hotel blijkt midden in het centrum te zijn en nergens een plek te hebben die ik zelfs bij benadering als een veilige parkeerplaats voor de motorfiets zou kunnen zien. Voor het hotel ligt een hoge stoep, vol voetgangers die rond etalages drommen. Ik laat Michiel afstappen en maak een rondje om goed haaks op de stoep uit te komen en wat vaart te kunnen maken. Om geen winkelende Fransen onder mijn voorwiel te krijgen, moet ik zodra ik op de stoep ben scherp afremmen, liefst zonder te vallen. Zweten dus. Ik rijd hem zo dicht mogelijk tegen de voorgevel van het hotel aan en zet hem op de middenbok. Michiel zit op een grijze traptrede die naar de ingang voert te wachten. Zijn helm ligt op de grond tussen zijn voeten. Zijn haren plakken van het zweet tegen zijn voorhoofd. Ik haal onze bagage van de motor. Aan de balie vertellen we wie we zijn en samen lopen we met de tassen een krakende houten trap op naar onze kamer.
Wanneer ik daar de ramen opendoe om frisse lucht naar binnen te krijgen, knalt het verkeerslawaai als een onstuimige waterval de kamer in. Het is te warm om het anders te doen, dus ik laat het maar zo. Ons raam blijkt precies boven de motorfiets te zijn. Wanneer ik er een stukje uithang kan ik over een brede stenen rand van het gebouw heenkijken en hem zien staan. Alles is nog in orde. Michiel en ik doen onze motorkleren uit.
“Het is wel warm in Frankrijk”, zucht hij.
Ik knik. “Ik ga even lekker douchen”, zeg ik.
“Dan ga ik na jou”, antwoordt Michiel. Hij haalt zijn leesboek uit zijn tas en gaat languit op zijn bed liggen lezen.
Een paar uur later lopen we door het stadje. Het verkeer is nu iets minder druk en we lopen langs een brede straat in de richting waar ik de zee vermoed. Michiel wil ansichtkaarten kopen, voor zijn vrienden en voor zijn moeder. We lopen hand in hand en hij vertelt hoe het is om half om half bij je twee ouders te wonen. Het zijn vooral aparte werelden, begrijp ik. Bij mij is het de wereld van voetballen met zijn vriendjes uit de straat. Daar is het de wereld van computerspelletjes. In beide heeft hij een graad van bedrevenheid waar ik met bewondering naar kan kijken.
“Maar hoe is het nu voor jou, zo in twee huizen?”
Hij haalt zijn schouders op. “Gaat wel”, mompelt hij. Hij legt me liever in detail uit wat hij allemaal heeft moeten doen om het volgende level te halen van Prince of Persia.
Wanneer we op een pleintje komen met terrasjes rondom, besluiten we om daar een hapje te gaan eten. Na twee rondjes langs het plein, kiezen we een restaurantje met blauwe stoelen en blauwe parasols, waar we buiten aan een klein wiebelig tafeltje tegenover elkaar gaan zitten. Ik bestel mosselen (‘getverdemme, neem je vis?’), Michiel neemt patat met een hamburger.
“Wat vind je van Frankrijk?” vraag ik.
“Mwa”, zegt hij. “Alle straten lijken op elkaar. Dat is bij ons niet. En ze hebben hier nog Sonic 1 in de winkels liggen. Dat is uit de jaren táchtig.” Dat laatste klinkt bijna als een vloek.
“En de mensen?” vraag ik, terwijl de ober zonder iets te zeggen onze borden op het tafeltje plettert.
“Een beetje asociaal”, zegt hij. “Maar ze praten wel netjes.” Hij probeert zo’n beetje na te doen wat we opvingen bij de man achter de bar die ons de weg wees en bij een groepje winkelende dames bij ons hotel, met hun glimmende tassen en hoge hakken. Hij maakt er een paar nuffige gebaartjes bij.
“Rare mensen, die Fransen”, concludeert hij.
Na het eten lopen we door een winkelstraat naar de zee. Er is een brede asfaltweg naar de kade waar de ferries en draagvleugelboten afmeren. Daarnaast is een stuk strand. We klauteren over grijze blokken steen om er te komen. Het zand is nog warm van de dag, de gloed van de zon kleurt de zee oranje. We sloffen door het zand. We kijken naar een blij gezinnetje. De vader en moeder zetten tassen vol eten in het zand. De kinderen en een oma zitten rond een uitgespreide deken en wachten in spanning af.
Op de parkeerplaats langs de boulevard richt een Engels echtpaar hun camper in voor de nacht. We gluren in het voorbijgaan naar het blauwe licht van hun televisie.
“De Tour de France!” herinnert Michiel zich opeens. “Waarom heb je nou geen hotel genomen met een televisie?”
Eenmaal daar terug val ik achterover op mijn bed. Michiel ligt voorover op het zijne en schrijft met zijn tong uit zijn mond een kaart aan zijn moeder. We bellen haar ook nog even met de mobiele telefoon.
“Met Michiel. Ik ben in Frankrijk”, zegt hij nuchter constaterend.
“Goed”, hoor ik hem zeggen. “Lekker, maar Jos heeft vis gegeten. Blèh. Hij stinkt er nu nog naar.”
Ik haal ondertussen de spreien van de bedden en poets mijn tanden.
“Kom”, zeg ik als hij klaar is met bellen. “We gaan slapen.”
Michiel poetst ook zijn tanden, gooit zijn kleren in een hoopje naast zijn bed, doet zijn pyjama aan en kruipt onder de dunne, versleten deken.
“Ga je al slapen?” vraagt hij.
“Hmmm”, mompel ik.
“Mag ik nog even lezen?”
“Da’s goed, jongen”, zeg ik. Opeens zou ik hem wel willen zoenen en dicht tegen me aan houden. Ik aai hem even over door zijn haren. “Welterusten”, zeg ik. Maar hij is al in de wereld van Sjakie en de Wondersloffen. Een voetbalheld zoals hij er zelf ooit een hoopt te worden.