5. Woensdag 15 juli
6.54 uur
Op weg. Ik wil de schade van het vroege stoppen van gisteravond wat inhalen. Het wordt een mooie dag, heeft ook de hotelhouder beloofd. Voor het ontbijt twee Nerofen genomen, want de pijn in mijn rug is helaas nog niet verdwenen.
Eigenlijk zijn de avonden en de nachten het lastigst. Zolang ik kan blijven rijden, zijn de gedachten redelijk op orde. Als ik van de motor stap, komen de spinnenraggen in beweging. Dan draait ze zich weer, zoals toen, ‘s nachts naar me toe. ‘Ik wil het ook graag anders. Ik hou zoveel van je, maar je moet me tijd geven. Niks verwachten.’ Smeekbeden die me als een jojo aan een lijntje hielden, opgesloten in het eeuwige verlangen naar een bevrijdend schouderklopje. Wat niet kwam. Mijn tassen bonken tegen mijn benen wanneer ik ze de trappen van de KRO af draag.
8.30 uur
Voor ik vertrok heb ik al in de KRO ontbeten, met als enige gezelschap de schim van een mevrouw die koffie neerzette en een vertegenwoordiger aan een volgend tafeltje. Na een kleine honderd kilometer ontbijt ik nog eens en dan zoals het hoort: op de stoep van een benzinestation, met een go morgen. Ik moet er hier wel goed mijn kop bij houden, want het benzinestation ligt aan een ingewikkeld gedoe met een rotonde en allerlei paadjes en wegen en na het eten en wat koffie ben ik het gevoel daarvoor meestal kwijt. Om mezelf te beschermen tank ik in principe alleen aan de rechterkant van de weg, maar hier had ik geen keuze. De wereld blijft steeds nieuw, als je je niet kunt oriënteren. Maar lastig is het wel.
Aan alles is te merken dat ik nu echt in het hoge noorden ben aangeland. De zon schijnt, maar het is koud, vooral op de vlakkere stukken toendra tussen de fjorden. Langs de weg liggen delen van gletsjers die hier, ondanks de geringe hoogte, de hele zomer niet verdwijnen. Over grote afstanden zijn de wegen slecht. Soms is het onmogelijk nog een bruikbaar stukje asfalt te vinden en moet ik dwars door diepe kuilen vol water. Op de weg is het stil. Hier en daar nog een plukje vracht- en touringcarverkeer, maar verder heb ik de wereld voor mezelf. De goed voorziene benzinepleisterplaatsen zijn nu hele nederzettinkjes geworden. Hier kun je tanken, eten, kleren kopen, kamperen, een hut huren, handwerk van de Samen aanschaffen voor thuis, en een rendierengewei op je auto laten binden. Maar het meest van alles ben ik onder de indruk van de wonderlijke combinatie van beelden in de noordelijke fjorden: Alpenachtige taferelen van spitse bergen, met eeuwige sneeuw op de toppen, terwijl beneden aan de voet grote oceaanstomers in het blauwe water varen. En op de borden staan namen als Dunderlandsdalen en Mo I Rana.
9.42 uur
De poolcirkel! Ik maak een foto van mijn K bij het poolcirkelmonument en weet van dankbaarheid niet hoe ik kijken moet wanneer een echtpaar uit Duitsland aanbiedt dat zij een foto zullen nemen als ik er op ga zitten. Tegen al mijn overtuigingen in koop ik in het bezoekerscentrum een sticker met ‘Polarsirkel - 66°33' Nord’ erop. Met mijn vizierreiniger maak ik een plekje schoon en plak hem dan met een trots gebaar op de kuip van mijn K100.
De omgeving is alles wat een mens zich bij de poolcirkel voorstelt: kaal, koud, sneeuw, laag hangende wolken, wind. Ik laat me tranen in mijn ogen blazen en fotografeer, op hun verzoek, de voltallige BMW-club uit het Duitse Seedorf. Ze zijn bijna allemaal familie van elkaar en volgens hun eigen zeggen de grootste club van BMW-motorrijders van enige plaats in Europa. We zijn elkaar al een paar keer eerder tegengekomen want, zoals ‘der Rudy’, de leider van de expeditie, zegt: ‘Noorwegen is een groot land, met maar één weg. Je ontmoet elkaar altijd.’ We drinken samen koffie.
13.32 uur
Bensin en pølse. Sinds de stop bij de poolcirkel, reed ik lange stukken langs wildkolkende rivieren. Blauwgroen water dat schuimend rond grote witte rotsblokken joeg. Het reclamebureau voor die zalmspotjes moet hier ook geweest zijn. Tussendoor moest ik telkens door tunnels van het type koud, donker, nat en kilometers lang. De graad of achttien van buiten voelt als warme armen als je er eindelijk uit rijdt.
Wanneer ik in de berm mijn gegrilde worstje zit te eten, rijdt BMW-Seedorf het benzinestation binnen.
14.36 uur
Ik sta op de laatste pont die ik op het vasteland moet nemen, de oversteek over het fjord net onder Narvik, de noordelijkste havenstad van Europa. Tenminste, zo lang de zee niet is dichtgevroren. Tegen een achtergrond van mistige, altijd-ver-weg-bergen klampt een Nederlandse vrachtwagenchauffeur mij aan om herinneringen op te halen aan de tijd dat hij nog op zijn Goldwing reed. Vanuit zijn cabine monstert hij nog steeds de wegen die zich voor hem ontvouwen en schat hij in hoever hij hem plat zou moeten leggen. ‘Heerlijk zeker?’ vraagt hij, met een blik op mijn K. Zelf zit hij niet meer op de motor. Na een ongeluk in Schotland moest hij stoppen, orders van zijn vrouw. ‘Maar laatst in Ierland kon ik een Hondaatje van iemand lenen’, zegt hij, terwijl hij om zich heen kijkt of niemand meeluistert. En geeft dan een veelbetekenende knipoog.
‘Helemaal alleen?’ vraagt hij, terwijl de kapitein ruim voor de pont aan de overkant van het water is de voorpunt van de boot vast omhoog doet. Het geeft ons uitzicht op een houten kiosk met een picknicktafel ernaast en op de weg die zich daar in soepele kronkels vandaan slingert, de bergen in. Ik knik.
‘Daar is Noorwegen een goed land voor’, zegt hij.
‘Een prima land’, antwoord ik. Ik heb mijn oordopjes al weer in, dus mijn stem zal wel iets te hard over het dek geklonken hebben.
17.56 uur
Ik eet strøbakt torsk bij de lokale ‘Polar Grill’, een kilometer of vijftien ten noorden van Narvik. De torsk is een vis, diep verscholen onder paneermeel. De laatste tientallen kilometers heb ik keurig negentig gereden in het kielzog van de eerste politiewagen die ik tot nog toe ben tegengekomen. Evengoed houdt iedereen zich hier pijnlijk netjes aan de maximumsnelheden. Aan het begin van elk dorpje gaan de remlichten aan en sukkelt iedereen voort tot het allerlaatste houten huisje gepasseerd is.
Narvik is een prachtig voorbeeld van de combinatie van beelden die me zo aangrijpt. Besneeuwde bergen, blauw water en grote zeeschepen die voor de bergen langs drijven. Ik heb geprobeerd te fotograferen wat ik bedoel, maar weet nu al dat het straks niet verder komt dan een plaatje van een boot, met een gemompelde toelichting en de hoop op een vonkje van herkenning.
Na Narvik reed ik een hoogvlakte op. Echte toendra: een vrij vlakke, stenige bodem, begroeid met mos en hier en daar een struikje dat zich in een ijzige wind staande probeert te houden. De enigen die zich hier wagen zijn kleine groepjes Samen die langs de weg hun tenten van rendierenhuid neerzetten om souvenirs te verkopen. Zelf wonen ze in vervallen caravans ernaast.
Zoals het er nu naar uitziet zal ik morgen ergens in de buurt van de Noordkaap uitkomen en ik maak me een beetje zorgen om het kamperen. Als het daar zo koud is als op deze hoogvlakte, denk ik niet dat mijn slaapzak er tegen opgewassen is. Voor het eerst beginnen de muggen ook echt lastig te worden. Na het eten wil ik nog een stuk rijden, in de hoop dat de weg naar een lager gelegen gebied leidt, waar het klimaat wat vriendelijker is.
Het is een vreemde gewaarwording dat er nu voor het eerst langs de weg plaatsnamen verschijnen die nog verder liggen dan mijn reisdoel. Vlak voor de Noordkaap buigt de E6 af en gaat dan richting Finland. Eindpunt: Kirkenes, aan de Fins-Russische grens. Ruim duizend kilometer, volgens de borden. Voor mij bestaat er alleen maar de Noordkaap. Daarna nog niets.
Terwijl ik zit te eten, rijden Rudy en zijn neven en nichten binnen. De begroeting wordt steeds uitbundiger. Ik ben al bijna lid van BMW-Seedorf. Wanneer ik aan de wastafel bij het toilet een laag dode muggen van mijn vizier verwijder, neemt een wat oudere oom me in vertrouwen. Rudy’s tempo ligt veel te hoog naar zijn smaak. ‘Jetzt müssen wir nach dem Essen noch zweihunderd’, moppert hij. Ik ben dus niet de enige met een moordend rijschema.
20.28 uur
Ik zit voor mijn tentje op een camping in Nordkjosbotn, ongeveer honderdvijftig kilometer boven Narvik. Dankzij grote hoeveelheden DEET omzwermen de muggen mij nog wel, maar laten ze me verder met rust.
Het laatste stuk reed ik onder donkere wolken, die laag tussen de bergen hingen. Zo vriendelijk als die er in de zon uitzien, zo onheilspellend ogen ze wanneer het donker wordt en de regen in dichte gordijnen naar beneden komt. Met de komst van de donkere wolken, leek alle leven uit de omgeving weg te vloeien. Overal was de lucht donker en dreigend en het was of de bergen telkens een stapje naar voren deden. Het gebeurde net op een stuk dat volkomen uitgestorven was. Geen ander verkeer, geen dorpen, zelfs geen caravans van de Samen. Ik reed door het donkere, koude land, met tussen mijn handen het fel rode lampje van de benzinemeter dat al een kilometer of tien aangaf dat de reservetank werd aangesproken. Ik begreep opeens veel meer van de Noren, met hun onheilspellende verhalen over heksen, reuzen en trollen, die zich schuilhouden in de bergen. Tot de duisternis komt.
Een kilometer of tien verder, reed ik eindelijk dit plaatsje met zijn onuitsprekelijke naam binnen. Benzine, camping, alles was weer voor mij bij elkaar gezet. Toen ik bij het benzinestation naar binnen liep om af te rekenen, stopte het zelfs met regenen. ‘Wat is het hier toch prachtig geregeld’, zei ik tegen de jongen achter de toonbank. Hij keek me wat onderzoekend aan en legde me toen in zijn beste Engels uit hoe ik de ingang van de camping kon vinden. Gewoon om de hoek, bleek, maar voor de zekerheid vroeg ik hem het nog een keer uit te leggen.
Ik sta hier op een kleine veldje, met twee andere tenten, ook van mottorrijders. Twee Duitsers die voor de muggen gevlucht zijn en vanachter het gaas naar buiten kijken. En een Fransman op een BMW R 1100 GS. Achter zijn motor heeft hij een karretje op twee wielen, waar een complete keuken met overkapping uit te voorschijn is gekomen. Wanneer ik even kom buurten, staat hij het geheel met een emmertje sop en een spons af te nemen. Het driepitsgasstel, de roestvrijstalen pannetjes, het rekje met keukenkruiden, en het aanhangertje zelf. Met al zijn bepakking is hij via Finland naar de Noordkaap gereden en nu op weg terug naar Frankrijk. Veel rijden, net als ik. ‘Extraordinaire’, vindt hij het, zij het dat de campings hier in het noorden soms wel wat erg ‘rustique’ zijn naar zijn smaak. En de muggen. Hij zoekt zoveel mogelijk de kust op, in de hoop er wat minder last van te hebben.
Terwijl we staan te praten beginnen ze ondanks de DEET dwars door mijn T-shirtje heen te steken, maar ik blijf nog even staan want hij legt net uit wat hij nu zo mooi vindt aan Noorwegen. ‘De bergen op zich zijn al mooi’, zegt hij, ‘maar het is vooral de combinatie met de oceaan die het zo fantastique maakt.’ ‘Oui, oui’, knik ik uitbundig. Veel verder reikt mijn uitdrukkingsvermogen in het Frans niet, dus kloppen we maar wat op elkaars schouders en wensen elkaar nog veel geluk en een goede reis.
Zoals elke avond, bel ik ook nu met Arnoud. Hij heeft het prima naar zijn zin en wil weten hoe hij sperzieboontjes klaar moet maken. Af en toe wat vitaminen, had ik gezegd, en daar houdt hij zich aan. Van Mirjam en Michiel is nog steeds geen bericht. Ik moet erg mijn best doen om me daar niet steeds meer zorgen om te maken en controleer nog maar weer eens op de kaart waar het dichtstbijzijnde vliegveld is.