6. Donderdag 16 juli

 

6.24 uur

 

Alles is ingepakt, op het onderzeil na dat ik nog even laat drogen. Het is helder en zonnig. Dit zou wel eens de eerste echte warme dag kunnen worden. Het is vroeg, maar ik wil op weg. Rijden is langzamerhand het bestaan geworden. Na de Noordkaap kan het een stuk rustiger, ik heb nog ruim een week om terug te komen, maar eigenlijk weet ik niet of ik daar wel blij mee ben.

 

Vannacht heb ik slecht geslapen. Zoals overal vieren de Noren ook hier dat het licht niet verdwijnt en soms doen ze dat nogal luidruchtig. Daarna had ik een nare droom. Iets met een vrouw. Het zal niet.

 

8.05 uur

 

Aan een houten tafel bij een benzinestation eet ik mijn go morgen. Vanillesmaak dit keer. Ik kijk uit op het blauwige water van de oceaan dat kalmpjes tussen de bergen ligt. Tientallen houten bootjes dobberen aan palen in het water.

 

Op weg hier naartoe reed ik telkens door heel verschillende soorten landschap. Beneden bij het water is het warm en lieflijk. Groene hellingen waar klaterende beken zichzelf naar beneden storten en prachtige slingerweggetje langs het water. Boven in de toendra is het vlak, koud en guur. Beneden wonen de vissers met hun rode houten huisjes en hun speelgoedbootjes, boven staan vervallen caravans rond wanhopige pogingen toeristen een herinnering aan het echte Lapland te verkopen. Het is moeilijk te begrijpen dat niet iedereen het groene dal opzoekt, ruimtegebrek kan het niet zijn.

 

11.52 uur

 

Ongeveer veertig kilometer ten zuiden van Alta, de laatste echte stad vóór de Noordkaap, moet ik vol in de remmen. Net na een bocht staat er plotseling een rendier midden op de weg. Het lukt om op tijd stil te staan zonder in een slip te raken en ik zet de motor midden op de weg. Met zenuwachtige gebaren haal ik mijn fototoestel uit de tanktas. Ondertussen blijft het beest geduldig op mij staan wachten. Hij kijkt wat nieuwsgierig naar mijn hoekige gebaren, lijkt het wel. Pas als ik de lens instel, vindt hij het wel genoeg geweest, draait zich om en kuiert op zijn gemak de weg af. Ik maak wat foto’s van zijn verdwijnende kont en ren hem nog even achterna in de hoop meer vast te kunnen leggen. Maar daar wil hij niet op wachten.

 

Ik ben helemaal opgewonden. Zo dichtbij, en wat een prachtbeest. Zijn vacht is rommelig, met slordige plukken vervilt haar. Ook zijn gewei zit vol knoestige, harige plekken. Het geeft hem de aanblik van een soort oerbeest. Alle moderne ontwikkelingen op dierengebied zijn aan hem voorbij gegaan. En zo staat hij daar, verdwaald op het asfalt. Ik zoek naar iemand om erover te vertellen, maar het land is leeg.

 

13.26 uur

 

Bensin en pølse. Ongeveer vijfenzeventig kilometer terug zag ik in Alta voor het eerst een bord met ‘Nordkapp’ er op. Nog 219 kilometer. Ik wil er nu echt komen, de wegen kunnen me niet recht genoeg zijn. Ik word daarin op mijn wenken bediend, want ruim een uur lang rijd ik over een kale hoogvlakte, waar de weg als een lange zwarte streep doorheen getrokken is. Tientallen kilometers lang zie ik hem als een liniaal voor me uit liggen, hier en daar een beetje golvend. De glooiingen zijn net diep genoeg om er een auto uit te voorschijn te laten komen. Maar dat gebeurt niet. Hier is niemand. Over het gletsjerijs waait een vrieswind die ik, ondanks het zonnetje, door mijn motorkleren heen voel. De maximum snelheid is negentig kilometer per uur. Zowat elke vijf kilometer staat er een bord om er aan te herinneren, maar wie last moet hebben van een streepje meer, is mij niet duidelijk.

 

15.05 uur

 

Wachten op de boot naar het laatste eiland, waar de Noordkaap op het uiterste puntje ligt. Het is druk. Met de motor kun je altijd mee, maar van de auto’s in de rij zullen er flink wat moeten wachten op de volgende boot, die over anderhalf uur komt. Mijn opgetogenheid over mijn ontmoeting met een rendier heb ik wat moeten temperen. Hele kuddes stonden er het laatste uur op de weg en ze waren beslist niet van plan opzij te gaan. Een slalom langs ruige vachten en bergen keutels is het enige dat er op zit.

 

De rendieren en de omgeving hier hoog in het noorden vormen samen een indrukwekkend geheel. Niet lieflijk, maar aangrijpend. Een land dat voelt als een terugtocht naar vergeten herinneringen. De rit er doorheen was ongelooflijk. Stukken kaal toendraland, met een ongenadige bodem en eeuwig bevroren sneeuw. Dan weer onderaan een bemoste berghelling, vlak langs de oneindig koude en diepe oceaan. Een ziltige wind blies mijn vizier binnen. Op de achtergrond lagen mistige heuvels, als walvisruggen in het water. Tranen.

 

Ik vertel mijn ontroering aan een Duitse motorrijder, die op een soort scooterachtige Honda, keurig van kleding en kapsel, vanuit Hamburg is gekomen en ook op de boot wacht. Maar veel begrijpt hij er niet van. Je moet er doorheen, wat hem betreft, maar dat iemand ‘die Höhe gerne hat’, wil er bij hem niet in.

 

De bootreis duurt bijna en uur. Veel langer dan ik gedacht had. Onderweg doemen alleen nog maar diezelfde walvisruggen op die er vanaf het land zo geheimzinnig uitzien. Van dichtbij eigenlijk nog meer en het feit dat er een uur varen zit tussen deze kale stukken maanlandschap in de oceaan en het vasteland, doet me een aantal keren op het vaarschema kijken om te zien wanneer ik weer terug kan. Evengoed besluit ik op het eiland te overnachten. Ik wil het gevoel dat ik er ben de gelegenheid geven in te zinken en misschien om middernacht naar het noorderlicht gaan kijken, alhoewel ik daar niet echt voor gekomen ben. Ik vraag me wel af of ik op het eiland eigenlijk mijn tent wel opgezet krijg vanwege de harde bodem en besluit dat op de eerste camping die ik tegenkom eerst maar eens te gaan bekijken.

 

17.50 uur

 

Ik zit voor mijn tentje op een camping net buiten Honningsvåg. Ik sta hier vrijwel alleen, op een groot leeg veld. De tentharingen gingen prima de grond in, dus van het huren van een houten hutje heb ik afgezien. Het is nog steeds stralend weer, wat hier zeer uitzonderlijk is, vertelde de mevrouw achter de balie. Eten kun je hier niet krijgen, dus ga ik voor de eerste keer sinds ik vertrokken ben mijn gaspitje te voorschijn halen en één van de droogmaaltijden klaarmaken die ik voor noodgevallen heb meegenomen.

 

18.30 uur

 

Dat eten koken valt nog niet mee. Het is de eerste keer dat ik de gasbrander gebruik. Gelukkig is de grond hier niet uitgedroogd, anders had ik mogelijk problemen kunnen veroorzaken toen ik hem per ongeluk op zijn kop probeerde aan te steken. De gedroogde maaltijd is ook geen doorslaand succes. Omdat ik de hoeveelheid water die erbij moet niet goed kan afmeten, is het resultaat een kleverige, meelachtige massa met harde brokjes erin, in plaats van de macaroni bolognese met kaas/roomsaus die me op het plaatje is voorgespiegeld. Het schoonmaken van de pan veroorzaakt vervolgens een totale verstopping van mijn handige schuursponsje en later van de gootsteen van de camping. En dingen uitpakken heeft ook zo zijn nadelen, merk ik. Alles past precies, maar om brander, pan, spatel, lucifers, lepel, schuursponsje, afgezaagd afwasborsteltje, zeepsop dat zelfs in koud zeewater nog belooft te schuimen en de theedoek weer terug te krijgen in dat ene handige opbergzakje, kost bijna net zoveel tijd als het klaarmaken van de bologneseschotel. Volgend keer weer gewoon een pølse bij de Polar Grill, besluit ik.

 

Inmiddels is het veldje waar mijn tent op staat, volgestroomd met motorrijders. Een clubje Polen, die met pruttelende tweetakters rondjes op het terrein rijden. De Duitse heer op zijn scooter. En, hoe kan het anders, de voltallige BMW-club Seedorf. De ontmoetingen beginnen rituele vormen aan te nemen van op de schouders kloppen en de laatste honderden kilometers doornemen. Naast mij staat een Belgische jongen met zijn vriendin en een glimmend racemonster. Hij toont mij trots alle gadgets van zijn speciale uitvoering. De superveren in geel kunststof, om met hoge snelheden door de bochten te kunnen blèren. De extra brede achterband, die hier in het noorden zowat kan concurreren met de breedte van de rijbaan zelf. Het speciale racestuur, extra laaggeplaatst en kort afgezaagd voor het supersnelle werk. Alleen jammer dat het hier allemaal zo smerig wordt, vertelt hij. Onderweg heeft hij samen met zijn vriendin de Yamaha XZS al drie keer een sopje moeten geven.

 

19.10 uur

 

De Noordkaap zelf is een beetje een ontgoocheling. Een uitgestrekte parkeerplaats, bedekt met losse stenen en stof, en een gebouw waar je kunt eten en drinken, souvenirs kopen, een certificaat van aanwezigheid laten afstempelen en een video bekijken. Toegang bijna tweehonderd kronen. Na een paar keer ‘two hundred? my god!’ van mijn kant gaat de prijs omlaag tot honderdveertig, maar dan zonder de video.

 

Via het gebouw kom ik bij het uitkijkpunt. De rand van de wereld, gemarkeerd met een monument en een roestig hek. Met mijn mobiele telefoon bel ik Arnoud. ‘Ik ben er. Ik sta hier aan de rand en kijk nu richting noordpool.’ Pas dan besef ik dat het me gelukt is. Ik wil op dat moment wel graag even alleen zijn, maar dat is daar niet voorhanden. De ene touringcar na de andere stort zijn vrachtje op de rots waar je niet verder kunt. Net als alle anderen, ga ik maar naar de souvenirwinkel. Ik koop een stapeltje kaarten van de Noordkaap in het noorderlicht, drie kleine Noormannetjes van tin voor de kinderen en een sticker voor op de motor.

 

De rit terug naar de camping is mooier dan de Noordkaap zelf. Een dun laagje mos is de enige begroeiing en alle vormen van het land zijn afgeslepen tot de ronde ledematen van een diepzeemonster. Hier en daar staat een camper of een tentje tussen de kale stenen. Eenzaamheid is hier geen gevoel, maar een landschap. Op de enige weg die over het eiland loopt, hebben de rendieren voorrang, vinden ze zelf. Ze draaien hun hoofd met stoffig gewei alleen naar je toe om te zien of jij er soms anders over dacht.

 

Ik stop langs de weg. Ondanks alle toeristen die hier door de boot naartoe zijn gebracht, is het volkomen stil. Er hangt een mistige sfeer tussen de afgeronde heuvels die even verderop beginnen. De enige manier om er te komen is de looproute volgen die vanaf de weg met bergjes stenen is aangeven. Iedere wandelaar draagt zijn steentje bij om deze markeringen in stand te houden. Halverwege de weg en de heuvels staan op de kale vlakte een paar grotere stukken steen recht overeind, ooit door iemand als een soort gedenkteken neergezet. Wie hier komt, verlangt naar een gebaar. Ik maak met de vizierreiniger een plekje schoon op de kuip van de motor. Uit mijn tanktas haal ik de sticker die ik in de souvenirwinkel heb gekocht. Een blauwe zee, een zwarte rots en de zon die vanuit het noorden gouden glitters op de golven maakt. ‘Nordkapp 71°10'21''’ staat erboven. Ik plak hem recht onder het blauwwitte BMW-logo. Heiligschennis, onder normale omstandigheden.

 

21.05 uur

 

Ik zit op de camping voor mijn tent en kijk naar de Polen die met slippende achterband hun rondjes maken. Bij wijze van pauze laten ze een fles whisky rondgaan. Seedorf maakt zich klaar om het noorderlicht te gaan bekijken. De Belgische jongen en zijn vriendin zijn gisteren al geweest. ‘Alla, tis schoon’, vinden ze. ‘Maar één keer volstaat.’

 

Ik pak het stapeltje kaarten dat ik bij het uitkijkpunt heb gekocht uit mijn tanktas en het boekje met adressen van iedereen die ik wil laten weten dat ik er ben. ‘Verder kan niet’, schrijf ik op de achterkant, ‘nu nog terug.’

 

0.45 uur

 

Om een uur of elf, rijd ik weer terug naar de Noordkaap om naar het noorderlicht te kijken. Mijn toegangskaartje geldt gelukkig nog, anders had ik er niet overheen gezien. Op het uitkijkpunt zijn een paar honderd mensen, voor een groot deel afgeleverd door de touringcars die in een rij op de parkeerplaats staan. Tegen twaalf uur komen daar nog wat taxi’s bij, van de gefortuneerden der aarde die zich op de zeldzame heldere dagen per vliegtuig naar de Noordkaap laten brengen om naar de ‘rising sun’ te kijken. Wie het echt voor zich uitgespreid wil zien, vaart rond diezelfde tijd met een luxe cruiseschip om de punt van het eiland heen.

 

Tegen middernacht loop ik een stukje van de drukte vandaan en ga op een stuk rots bij de rand van de oceaan zitten. Op een steen vlak naast me, komt een meeuw zitten. Om samen naar de zon te kijken, lijkt het wel. Ver beneden ons op het water, toetert het cruiseschip op het moment dat het precies twaalf uur is. Mensen klappen. Het is een soort oudejaarsavondspektakel.

 

Ik krijg er genoeg van en loop naar de parkeerplaats om de motor op te halen. Ik heb ook niet zoveel zin om in de stofwolken van de touringcars mijn weg naar de uitgang te moeten vinden. Wanneer ik op de motor zit, kijk ik in mijn achteruitkijkspiegel nog even naar de zon. En dan zie ik het. Hij is weer aan het stijgen. Terwijl ik terugrijd naar de camping, blijf ik telkens in mijn spiegels kijken. Al na een minuut of tien is het gewoon weer dag geworden en schijnt de zon met een vriendelijk licht over de afgesleten stenen heuvels. ‘Hij gaat gewoon weer omhoog!’ zeg ik een paar keer tegen mezelf, terwijl ik in mijn spiegels gebaar. Het is een simpele waarheid, maar het zien stelt me evengoed enorm gerust.

 

Terug op de camping is het leven nog in volle gang. Inmiddels is het weer helemaal licht en warm. De Polen zitten whisky te drinken en de Belgen vragen hoe ik het vond. Inderdaad, vinden zij ook, ‘ge moet het aanschouwd hebben.’ We bespreken de terugtocht. Zij hebben dezelfde plannen als ik. Eerst een stuk door Finland en dan langs de Botnische Golf verder naar het zuiden. Het voelt een beetje ongepast om over zoiets als een terugtocht te praten. Iedereen is hier om het eindpunt van Europa te bereiken, niet om terug te gaan. De Polen heffen hun whiskyfles. Even verderop arriveren nieuwe kampeerders. Een groep Franse survivalpubers stappen met rugzakken om hun schouders in een bus. De dag heeft hier geen grenzen. Ik probeer toch maar wat te gaan slapen.

Mooi motorverhalen
titlepage.xhtml
mooiemotorverhalen_split_000.htm
mooiemotorverhalen_split_001.htm
mooiemotorverhalen_split_002.htm
mooiemotorverhalen_split_003.htm
mooiemotorverhalen_split_004.htm
mooiemotorverhalen_split_005.htm
mooiemotorverhalen_split_006.htm
mooiemotorverhalen_split_007.htm
mooiemotorverhalen_split_008.htm
mooiemotorverhalen_split_009.htm
mooiemotorverhalen_split_010.htm
mooiemotorverhalen_split_011.htm
mooiemotorverhalen_split_012.htm
mooiemotorverhalen_split_013.htm
mooiemotorverhalen_split_014.htm
mooiemotorverhalen_split_015.htm
mooiemotorverhalen_split_016.htm
mooiemotorverhalen_split_017.htm
mooiemotorverhalen_split_018.htm
mooiemotorverhalen_split_019.htm
mooiemotorverhalen_split_020.htm
mooiemotorverhalen_split_021.htm
mooiemotorverhalen_split_022.htm
mooiemotorverhalen_split_023.htm
mooiemotorverhalen_split_024.htm
mooiemotorverhalen_split_025.htm
mooiemotorverhalen_split_026.htm
mooiemotorverhalen_split_027.htm
mooiemotorverhalen_split_028.htm
mooiemotorverhalen_split_029.htm
mooiemotorverhalen_split_030.htm
mooiemotorverhalen_split_031.htm
mooiemotorverhalen_split_032.htm
mooiemotorverhalen_split_033.htm
mooiemotorverhalen_split_034.htm
mooiemotorverhalen_split_035.htm
mooiemotorverhalen_split_036.htm
mooiemotorverhalen_split_037.htm
mooiemotorverhalen_split_038.htm
mooiemotorverhalen_split_039.htm
mooiemotorverhalen_split_040.htm
mooiemotorverhalen_split_041.htm
mooiemotorverhalen_split_042.htm
mooiemotorverhalen_split_043.htm
mooiemotorverhalen_split_044.htm
mooiemotorverhalen_split_045.htm
mooiemotorverhalen_split_046.htm
mooiemotorverhalen_split_047.htm
mooiemotorverhalen_split_048.htm
mooiemotorverhalen_split_049.htm
mooiemotorverhalen_split_050.htm
mooiemotorverhalen_split_051.htm
mooiemotorverhalen_split_052.htm
mooiemotorverhalen_split_053.htm
mooiemotorverhalen_split_054.htm
mooiemotorverhalen_split_055.htm
mooiemotorverhalen_split_056.htm
mooiemotorverhalen_split_057.htm
mooiemotorverhalen_split_058.htm
mooiemotorverhalen_split_059.htm
mooiemotorverhalen_split_060.htm
mooiemotorverhalen_split_061.htm
mooiemotorverhalen_split_062.htm
mooiemotorverhalen_split_063.htm
mooiemotorverhalen_split_064.htm
mooiemotorverhalen_split_065.htm
mooiemotorverhalen_split_066.htm