14. Illegaal

 

De volgende morgen pakken we onze motortassen weer in. Vandaag vertrekken we naar Breskens, in Zeeuws-Vlaanderen. Over gebarsten betonwegen rijden we langs rechte kanalen naar dit vergeten stukje Nederland. Onderweg drinken we koffie en cola en vanaf onze plastic terrasstoelen zie ik een bordje ‘Smokkelaarsroute’ langs de weg staan. Ik wijs Michiel er op en begin aan een romantisch verhaal over vroeger, toen mannen in het donker met jute zakken vol sigaretten of pakjes boter op hun rug van België naar Nederland slopen. Of andersom, al naar gelang het prijspeil. Als kind vroeg ik me altijd af hoe ze in de zomer die boter goed hielden en waarom nou uitgerekend zulke bederfbare waar tot smokkelgoed was verheven. En spannend vond ik het natuurlijk. Ik zag in mijn fantasie die mannen door greppels kruipen, snuffelende honden van de douane aan alle kanten om hen heen en ondertussen zitten hun kindertjes thuis trillend van de zenuwen te wachten. Mooi leek het me ook wel om te kunnen zeggen dat, nou, mijn vader, die is, nou je weet wel, gewoon smokkelaar jongen. ‘Met een pistool?’ zouden je vriendjes vol ongeloof vragen. ‘Ja, natuurlijk, jongen, wat dacht jij dan? Heb je soms wel eens van een smokkelaar zónder pistool gehoord?’ ‘Maar is dat niet gevaarlijk dan?’ En dan glimlach je natuurlijk geheimzinnig. Want natúúrlijk is het gevaarlijk, maar wie daarover begint, zal dus nooit de zoon van een smokkelaar kunnen zijn. Die zwijgen en als ze wat groter zijn, sluipen ze met hun vader mee, in het donker, door de greppels.

“Ja, Jos”, onderbreekt Michiel mijn steeds verder afdrijvende verhalen. “Dat smokkelen was niet vroeger, dat gebeurt nog steeds.”

“O? Dat wist ik niet.”

Hij zucht. “Vuurwerk, Jos.”

 

Na een paar uur rijden over de gebarsten betonplaten van de Belgische smokkelaarsroute komen we in Nederland. Het gaat een beetje onopgemerkt. Na een paar vreemde plaatsnamen als Platheule, Lapscheure, De Preekboom, Vlienderhage en De Nagtegaal, rijden we op een weggetje waarvan de ene berm Belgisch is en de andere ons eigen land. Wanneer we de motor bij Sint Anna ter Muiden schuin de bocht in leggen, is er alleen nog maar Nederland. Via Sluis en Retranchement rijden we naar Cadzand, waar we een smal kustweggetje richting Breskens nemen. Langs de kant staan rijen auto’s met blije kartonnen platen achter de voorruit om het interieur te beschermen tegen de hitte van de zon. Balancerend tussen asfalt en helmgras lopen mensen met veel bloot, opvouwstoelen en koelboxen.

 

De camping waar we een trekkershut hebben gereserveerd, ligt aan de strandweg. Het is er keurig, zoals je een dorp bij elkaar zou kunnen dromen. Caravans die niet bedoeld zijn om te rijden, hun wielen discreet verborgen, tuintjes met stenen reigers rond een uitgegraven holletje met water en broederlijk naast de caravans geparkeerde auto’s onder plastic hoezen om ze te beschermen tegen zand, zout en water. De vrouwen liggen uitgestrekt op plastic meubelen, de mannen krabben aan hun buik en kinderen fietsen slingerend over de rechte paden en gillen naar een onzichtbare moeder dat er iemand pest.

 

Nadat we onze spullen onder het spiedend oog van een buurman met een afgezakte zwembroek en een zwarte hond hebben uitgepakt en in de hut gezet, gaan we naar het strand.

“Hier mag je niet in”, zegt Michiel gedecideerd wanneer we langs een bordje ‘Eigen Weg’ lopen. Net als de variant met het citaat uit het Wetboek van Strafrecht, heeft deze verordening een volkomen tegenovergestelde uitwerking op kinderen en volwassenen. “Dat zijn de mooiste plekjes”, zei mijn vader altijd, terwijl ik sidderend voor het nu onafwendbare onheil wel gedwongen was om achter hem aan door prikkeldraadversperringen en over roestige hekken de klimmen.

“Dat staat er toch niet voor niks”, zegt Michiel. “Daar mag je niet in.”

“Nee, joh, het betekent gewoon dat het een weg is die niet van de gemeente is of van de provincie, maar van iemand die hier woont. Waarschijnlijk van de camping.”

“Nou, dan hadden ze overal wel zo’n bordje neer kunnen zetten.”

“Ja, nee, nou, maar dat hebben ze niet gedaan.”

“Omdat je op de camping mag lopen, maar hier niet. Daarom.”

“Waarom zou je hier niet mogen lopen? Het is toch gewoon een pad naar het strand?”

“Omdat er een bord staat, Jos. Dat zie je toch wel?”

Terwijl hij nog zo’n beetje voortsputtert, ga ik toch gewoon het pad op. Het is een prima pad en ik zie ook zo gauw geen ander.

“Miech, kom nou mee”, roep ik wanneer hij in het zand naast het pad blijft staan.

“Nee, ik doe het niet.”

Het is warm. De middagzon maakt het asfalt van het paadje heet en zacht. Mijn slippers geven een plakkerig geluid wanneer ik omdraai. 

“Jezus, jongen, schiet nou op. Ik wil naar het water.”

“Nee, ik ga niet.”

“Miech, ajuu. Ik ga. Ik haal je vanmiddag wel weer op.”

Hij laat me een pas of tien richting zee lopen en komt dan achter me aan.

“Bruut”, mompelt hij. Ik hoor de tranen in zijn stem.

 

Illegaal of niet, na een laatste klim op olifantsbenen over een duin van wegglijdend zand, zien we het water. Het strand is breed en over het water van de Schelde vaart een kleurrijke parade van containerschepen, hun roestige lading hoog opgestapeld, op weg naar Antwerpen. Wat niet kan, volgens Michiel. Over aardrijkskunde lopen onze ideeën ver uiteen.

 

Even later lopen we samen naar het water. Ik in mijn blote kont, want we blijken op een stukje naaktstrand te zijn uitgekomen. Michiel met al zijn kleren aan. Bij de schuimrand die een vorige golf op het strand heeft getekend, knielt hij om zijn nieuwe gympen uit te trekken.

“Kan ik ze hier gewoon laten staan?”

“Ik zou ze een klein stukje verder op het strand zetten.”

“Waarom?”

“Anders worden ze bij de volgende golf nat.”

“Nou en?” vraagt hij. Een antwoord hoeft niet. Hij pakt zijn witte gympen en zet ze precies op het rafelige randje van witte luchtbelletjes. We lopen een stukje verder de zee in en laten het water aan onze voeten kriebelen.

“Lekker”, zegt Michiel. “Gaan we erin?”

“Moet je wel even je kleren uittrekken.”

“Waarom eigenlijk?”

Ik zucht. “Doe het nou maar gewoon. Leg ze bij de rest van de spullen, dan wacht ik hier wel even.”

“Okeee, dan.” Zijn voeten laten sleepsporen achter wanneer hij dan toch maar mijn belachelijke ideeën opvolgt. Even later komt hij met spichtige huppelsprongen weer terug gerend. Bloot.

“Waarom ben je er nog niet in?” vraagt hij. “Durf je niet?”

“Ik wacht op jou.”

“Ik ben er toch.” En meteen rent hij door, de golven in die met veel gespetter plaats voor hem maken.

 

Even later liggen we samen op de ene badhanddoek waar de motortassen ruimte voor boden. Hoofden naast elkaar op de zachte stof, vanaf de schouders in het hete zand.

“We worden zo rood als een kreeft”, hoor ik Michiel van heel ver weg naast me mompelen.

“Wil je zonnebrand?” vraag ik.

“Nee, laat maar”, klinkt het met een traag geluid naast me. “We verbranden wel gewoon.” En dat doen we.

 

’s Avonds eten we in het restaurant annex speelhal van de camping. We zitten voorzichtig rechtop want er is geen plek waar zelfs maar een dun shirtje mag raken, laat staan de leuning van een houten stoel.

“Mijn vel zit te strak”, concludeert Michiel, terwijl hij patat met een kroket eet.

Na het eten lopen we nog een keer samen naar het strand. Onze shirtjes laten we achter over een stoel in de houten trekkershut. Misschien dat de avondlucht onze schouders wat afkoelt. We schoppen kleine wolkjes zand voor ons uit. Het water van de zee is volkomen stil. Hier en daar hoor je een golfje tegen het zand kabbelen, maar zodra je kijkt is het weer weg. We turen over het gladde water en Michiel vraagt of hij het fototoestel mag lenen dat ik heb meegenomen om wat zeeschepen mee te fotograferen.

“Wat ga je nemen?” vraag ik.

“Nou, het water. Kan dat?”

“Natuurlijk kan dat.”

“Ja, maar ik bedoel van heel dichtbij”, zegt hij. “Dat je zo naar het water kijkt.”

Hij gaat erbij in het natte zand liggen en kijkt door de zoeker van het fototoestel vlak over het water naar het rode licht van de zon.

“Kan deze tegen water?” vraagt hij.

“Nee”, zeg ik.

“Jammer. Dan gaat het niet zo goed.” Hij probeert nog even in een paar standen om het plaatje dat hij in zijn hoofd heeft in het lensje van de zoeker te vinden.

“Ik zal in het water moeten”, besluit hij dan. Voor ik het weet stapt hij met zijn gymschoenen aan de zee in en gaat in een bevallige houding op zijn zij in het water liggen.

“Je wordt helemaal nat joh”, zeg ik.

“Nou én?” vraagt hij, zonder op te kijken van zijn fotografie.

“Eigenlijk moet het nog lager”, zegt hij, “maar dat kan die van jou niet.”

Ik kijk naar zijn rond de camera gebogen jongenslijf waar het water nu aan alle kanten omheen spoelt. Oranje gekleurd licht valt op zijn gezicht, waar de felle zon van vanmiddag nog in nestelt. Hij lijkt min of met tevreden met het beeld en drukt een paar keer af. Dan staat hij op en geeft het toestel aan mij terug.

“Ik ben nu toch nat, hè?” vraagt hij.

“Hoezo?” Maar dat had ik net zo goed niet kunnen vragen, want op hetzelfde moment laat hij zich ruggelings achterover in het water vallen. “Het is lekker”, roept hij, “kom je ook?”

“Nou, ik houd mijn spullen liever droog”, roep ik naar hem, terwijl hij spetterend de zee verder inloopt en zich ondertussen nog een paar keer languit laat vallen. Ik ga in het zand zitten dat de warmte van de dag heeft opgeborgen. Het late licht valt op Michiel die zich met luide schreeuwen door het water laat rollen. Druipend komt hij even later naar de kant. Hij gaat naast mij zitten en samen kijken we naar het water dat rustig de sporen uitwist van zijn wilde sprongen. Michiel trekt zijn natte gympen uit.

“Draag je me zo naar huis?” vraagt hij.

“Ja, ammehoela.”

“Doe je dat niet eens?”

“Nee, ik kijk wel uit.”

“Wat ben je nou voor een vader?” vraagt hij, terwijl hij een schelp mijn richting uit gooit. “Je durft de zee niet in, je verliest van mij met tafeltennis en nu laat je me ook nog over scherpe stenen naar huis lopen.”

Ik bedenk dat ik nooit het lef gehad zou hebben om zo tegen mijn vader te praten. Heerlijk lijkt me dat.

“Nou, draag je me?”

“Ammenooitniet.”

Mopperend sjokt hij door het zand achter mij aan, terug naar onze hut op de camping. Wanneer we bij het stenen paadje arriveren, zak ik een stukje door mijn knieën en houd mijn armen opzij. Klaar voor de ruitersprong. Michiel maakt er verder geen woorden aan vuil. Zijn natte shirtje plakt tegen mijn rug, wanneer hij op zijn paard springt.

Mooi motorverhalen
titlepage.xhtml
mooiemotorverhalen_split_000.htm
mooiemotorverhalen_split_001.htm
mooiemotorverhalen_split_002.htm
mooiemotorverhalen_split_003.htm
mooiemotorverhalen_split_004.htm
mooiemotorverhalen_split_005.htm
mooiemotorverhalen_split_006.htm
mooiemotorverhalen_split_007.htm
mooiemotorverhalen_split_008.htm
mooiemotorverhalen_split_009.htm
mooiemotorverhalen_split_010.htm
mooiemotorverhalen_split_011.htm
mooiemotorverhalen_split_012.htm
mooiemotorverhalen_split_013.htm
mooiemotorverhalen_split_014.htm
mooiemotorverhalen_split_015.htm
mooiemotorverhalen_split_016.htm
mooiemotorverhalen_split_017.htm
mooiemotorverhalen_split_018.htm
mooiemotorverhalen_split_019.htm
mooiemotorverhalen_split_020.htm
mooiemotorverhalen_split_021.htm
mooiemotorverhalen_split_022.htm
mooiemotorverhalen_split_023.htm
mooiemotorverhalen_split_024.htm
mooiemotorverhalen_split_025.htm
mooiemotorverhalen_split_026.htm
mooiemotorverhalen_split_027.htm
mooiemotorverhalen_split_028.htm
mooiemotorverhalen_split_029.htm
mooiemotorverhalen_split_030.htm
mooiemotorverhalen_split_031.htm
mooiemotorverhalen_split_032.htm
mooiemotorverhalen_split_033.htm
mooiemotorverhalen_split_034.htm
mooiemotorverhalen_split_035.htm
mooiemotorverhalen_split_036.htm
mooiemotorverhalen_split_037.htm
mooiemotorverhalen_split_038.htm
mooiemotorverhalen_split_039.htm
mooiemotorverhalen_split_040.htm
mooiemotorverhalen_split_041.htm
mooiemotorverhalen_split_042.htm
mooiemotorverhalen_split_043.htm
mooiemotorverhalen_split_044.htm
mooiemotorverhalen_split_045.htm
mooiemotorverhalen_split_046.htm
mooiemotorverhalen_split_047.htm
mooiemotorverhalen_split_048.htm
mooiemotorverhalen_split_049.htm
mooiemotorverhalen_split_050.htm
mooiemotorverhalen_split_051.htm
mooiemotorverhalen_split_052.htm
mooiemotorverhalen_split_053.htm
mooiemotorverhalen_split_054.htm
mooiemotorverhalen_split_055.htm
mooiemotorverhalen_split_056.htm
mooiemotorverhalen_split_057.htm
mooiemotorverhalen_split_058.htm
mooiemotorverhalen_split_059.htm
mooiemotorverhalen_split_060.htm
mooiemotorverhalen_split_061.htm
mooiemotorverhalen_split_062.htm
mooiemotorverhalen_split_063.htm
mooiemotorverhalen_split_064.htm
mooiemotorverhalen_split_065.htm
mooiemotorverhalen_split_066.htm