4. Dinsdag 14 juli

 

8.43 uur

 

On the road again. De dag is op de camping nog nauwelijks begonnen, maar ik wil rijden. Het regent en het is koud. Tussen de buien door heb ik mijn tent ingepakt, ontbijten doe ik onderweg wel.

 

Als ik klaar ben met mijn tent en alles is opgeladen, is er even een benauwd moment. De camping ligt vlak langs de weg, maar ik weet niet meer zeker van welke kant ik ben gekomen. Ik zie mezelf al uren in de verkeerde richting rijden. Met mijn helm al op klamp ik een Noorse buurman aan, die ook vroeg aan het inpakken is. Ik moet de vraag welke richting Trondheim is een paar keer herhalen. Er is in feite maar één weg, dus vragen hoe je rijden moet is hier waarschijnlijk niet zo de gewoonte. Een tikje verbaasd wijst hij het uiteindelijk.

 

Wanneer ik weg wil rijden, komt hij nog even naar me toe. Om me te waarschuwen. ‘De Noorse wegen zijn gevaarlijk als het regent’, zegt hij, ‘vooral voor motorrijders.’

 

9.02 uur

 

Hij heeft gelijk. Het asfalt heeft overal diepe groeven, van de sneeuwkettingen waar iedereen in de winter mee rijdt. Voor mijn K betekent het bij regen constant wegglibberen en spoorzoeken tussen de richels. Een paar kilometer na de camping ligt er, vlak na een bocht, ook nog een soort wildrooster van ijzer staven dwars over de weg. Spiegelglad natuurlijk. Ik heb het te laat in de gaten en heb geen tijd meer om de motor rechtop te krijgen. Terwijl ik schuin de bocht inga, voel ik hem met voor- én achterwiel opzij glijden.

 

Soms zie ik het in mijn fantasie gebeuren. Vooral toen ze net was opgestapt. Ik rij met de motor en in plaats van op de weg te blijven, stuur ik de ondergang tegemoet. Het water in. Of in een rustige sliding over het asfalt de wereld uit. Het is een beeld zonder geluid. Vlak voor het echt gebeurt, komen alle gedachten tot rust in een wattendoos van trage bewegingen. Maar als er echt iets mis dreigt te gaan, voelt het volkomen anders. Schrik vliegt door mijn lichaam en alles spant zich in om goed te reageren en de situatie te redden. Geen onverwachte bewegingen, iets gas bijgeven, en na de bocht de motor weer rechtop brengen. Gelukkig.

 

Daarna ben ik wel wat rustiger gaan rijden.

 

10.14 uur

 

Het wordt nu steeds verlatener. Zelfs een ontbijt en koffie zijn moeilijk te vinden. Uiteindelijk is het toch gelukt, bij mijn favoriete centrum van sociale activiteiten: het benzinestation. Luiers, tacodinners, gekookte en geroosterde pølser, alles is er. En ook een nieuwe ontdekking die mij meer dan ooit voor de Noren inneemt: een bakje yoghurt met daarop een iets kleiner bakje muesli en tussen die twee helften een zelf te monteren, in elkaar gevouwen plastic lepeltje. ‘Go morgen’, heet het. Zo voelt het ook. Op het stoepetje van het benzinestation zit ik net uit de regen. Terwijl ik naar de Noren kijk die hier aan komen rijden om een krantje en een zakje met ‘bulle’ te kopen, eet ik mijn goede-morgen-ontbijt. En als ik het op heb, koop ik er nog een. Ik sla meteen een rol koekjes en drie blikjes drinken in voor onderweg. Die verlaten wegen benauwen me toch wel een beetje.

 

Wanneer ik na mijn tweede go morgen opsta, schiet er een felle pijnscheut door mijn rug. Het duurt even voor ik rechtop kan komen, maar wanneer ik eenmaal weer op de motor zit, gaat het goed.

 

12.04 uur

 

Trondheim. Om mezelf niet al te veel onder druk te zetten, heb ik tijdenlang gezegd dat ik ongeveer tot Trondheim zou rijden en dan op mijn gemak weer terug. Het is nu dinsdagmorgen. Ik grinnik tevreden als ik het bord ‘Trondheim - 50’ passeer en klop mijn K op de zijkant van de kuip. Maar dan gaat het meteen fout. Ik zoek op de borden naar Stjørda, of Levanger, de eerste grote plaatsen op de E6 die ik van hier af vrijwel tot de Noordkaap kan volgen. Maar ik kan ze nergens vinden. Het enige wat er gebeurt is dat ik, in toenemende wanhoop, telkens op dezelfde rondweg uitkom. Pas bij de derde poging zie ik opeens een bord ‘Narvik’. Negenhonderd kilometer ver. Zeker anderhalve dag rijden en ongeveer halverwege Trondheim en de Noordkaap. Op het moment dat ik het in de gaten krijg, ben ik net de afslag alweer voorbij en moet ik nog een keer de weg afrijden. Omdat ik daar geen zin in heb, maak ik bij de eerstvolgende verkeerslichten een u-bocht en daarna nog een keer, om dan eindelijk op de goede weg uit te komen.

 

Meteen daarna rijd ik een benzinestation binnen. Even bijkomen. Ik was mijn handen en mijn gezicht en koop kaffe en een bulle. Die Noren die in Denemarken met hun handdoekje onder hun arm de snackbar binnenkwamen, zijn voor mij al een stuk gewoner geworden. De meeste toiletten bij benzinestations zijn hier ingericht voor rolstoelrijders en hebben, naast verchroomde leuningen en een alarmknop, de afmetingen van een kleine waszaal. Ideaal voor als je langs de weg woont.

 

En precies daar begin ik steeds meer plezier in te krijgen.

 

13.40 uur

 

Bij Trondheim ga ik de E6 op, een vrij smalle tweebaans weg die door de Noren officieel wordt aangeduid met ‘Nordkapp route’ en helemaal van Oslo naar het uiterste noorden loopt. Als enige zo’n beetje. Wie het noorderlicht wil zien, zal ooit op de E6 moeten komen. Het ziet er naar uit dat dat in groten getale gebeurt. Van de verlatenheid die me een voorraad koekjes en drinken in deed slaan, is inmiddels geen sprake meer. Sinds Trondheim is het filerijden, in beide richtingen. Veel Noren en Duitsers en beide rijden graag met flink materieel. Campers, 4 wheel-drives, stationcars met windtunnelbakken op het dak, vrachtwagens en air conditioned touringcars, waarvan tot mijn schrik een flink aantal iets met ‘Nordkapp’ op zijn flanken heeft staan. Die zijn hier op de E6 om te blijven.

 

Met de motor kan ik af en toe van gaten in de file gebruikmaken om tussen wat plukken door te zigzaggen. Maar ik had het me toch iets anders voorgesteld, met beelden van een enkele Lap, die blij was eindelijk een ander mens te zien. Dit is even slikken. En niet alleen voor mij, blijkbaar. Waar we de afgelopen honderden kilometers als motorrijders zo uitbundig naar elkaar zwaaiden dat het bijna uitliep op handjeklap op de middenstreep, gaat hier alleen nog een schuchter vingertje van het stuur. De enige troost is de Noorse ruimdenkendheid wat inhalen betreft. Als je er langs wilt met de motor, gaan ze desnoods met twee wielen in de berm rijden om je er door te laten.

 

14.34 uur

 

Ten noorden van Trondheim ontdek ik dat Noorwegen niet alleen zijn files, maar ook zijn lelijke plekken heeft. Het heeft te maken met steen en staal, de verwerking daarvan en de lelijkheid die ze daar omheen organiseren. Kale vlaktes, voertuigen op rupsbanden, stof, betonnen gebouwen met hoge schoorstenen, verroeste spoorrails. De entourage die in Nederland meestal iets te maken heeft met boeren die het coöperatief hogerop zoeken, maar dan allemaal nog wat groter, intensiever en stoffiger.

 

Met uitzicht op mannen die met grote grijpmachines stenen van de ene naar de andere kant van een terrein brengen, eet ik mijn pølse en bedenk dat ik alles wat er ondertussen aan verkeer voorbij komt weer in zal moeten halen. Wanneer ik na het eten overeind kom, merk ik dat de pijn in mijn rug flink verergerd is. Alle andere pijnen van het begin, in mijn polsen, mijn armen en mijn nek, zijn de een na de ander verdwenen. Maar die in mijn rug heeft besloten te blijven. En erger te worden. Ik neem twee Nerofen, in de hoop dat mijn rug zich wat ontspant en de pijn minder wordt.

 

Wat doe je met een benzinestation dat naast een stoffige steenhouwerij ligt, waar met mechanisch geweld grote brokken steen iets minder groot gemaakt worden? Zo snel mogelijk doorrijden, terwijl je eigenlijk honger hebt? Uit de wind gaan zitten en je gegrilde worstje eten? Zorgen maken om het fijne stof dat zich ondertussen overal in je bagage en je motorblok nestelt?

 

Ik ga naar de wc en bestel nog een kopje koffie. Er drijft wat stof in, maar de smaak is goed. Zo’n reis maken is telkens antwoord moeten geven op een bijna onafgebroken rij vragen. Zal ik doorrijden of niet, waar zal ik eten, wat zal ik eten, zet ik de tent op, of mag ik in een warm hotelbed? Wil dat leuk blijven, dan gaat het uiteindelijk om een soort vriendschap met jezelf, besef ik. En misschien niet alleen bij reizen.

 

16.15 uur

 

Ik sta op een parkeerplaats een kilometer of vijftig ten zuiden van Mosjøen. Ik kom nu duidelijk in het noorden. Twee motorrijders, helemaal uit Finland, kijken mij wat verbaasd aan wanneer ik tijdens het drinken van wat fris bewonderend opmerk dat ze wel van erg ver weg komen. Waar ik dan vandaan kom, willen ze weten. Holland. ‘Dát is ver weg!’ roepen ze uit. Zij zijn gisteren pas van huis gegaan. Later zie ik op de kaart dat ik mijn gevoel inderdaad moet bijstellen. Ik ben al ontzettend ver. Dit is Noord-Europa. Morgen bereik ik de poolcirkel, als ik in dit tempo door kan blijven rijden. De motorrijders die ik daarna tegenkom begroet ik al van verre met een brede armzwaai.

 

De files zijn inmiddels opgelost, op hier een daar een hinderlijke pluk caravans, touringcars en vrachtwagens na. En de plaatsen op de kaart worden langzamerhand zoals ik het me had voorgesteld: een paar huizen met een bord ernaast. In plaats van door fjorden rijd ik nu door een gebied met meren en snelstromende riviertjes, waar je de forel bijna uit ziet springen. Om die langs de weg te eten is trouwens niet eenvoudig. Alleen in dure hotels kun je wel eens vis krijgen, vertelt een Noor me, wanneer we samen op onze pølse staan te wachten. ‘Als we vis willen eten, vangen we er gewoon een en gooien hem thuis op de grill’, legt hij uit, ‘buiten de deur eten we hamburgers. En worstjes.’

 

20.05 uur

 

Mosjøen. Ik heb mezelf ingecheckt in een KRO, en goedkoop type hotel. Na mijn laatste pølse kon ik bijna niet meer uit mijn stoel komen van de pijn in mijn rug. Het is ook weer gaan regenen. Mijn tent is nog nat van vanmorgen. Ik heb een hete douche en een warm bed nodig. Terwijl ik beneden in het restaurant mijn avondeten bestel, hangt boven in mijn kamer de tent zoveel als mogelijk is te drogen. De buitentent op het bed, de binnentent over twee stoelen en het onderzeil listig gedrapeerd om de stang van het douchegordijn en de douchekop.

 

Eigenlijk wil ik zalm of forel eten, maar aan vis is er alleen iets gepaneerds. Ondertussen kijk ik uit op een grijs industriegebouw aan de overkant van de weg. Erboven hangen zwarte regenwolken. ‘Morgen krijgen we mooi weer’, vertelt het meisje achter de balie. ‘In het zuiden blijft het slecht, maar hier wordt het mooi. Meestal is het andersom.’

 

Wanneer ik terugkom in mijn hotelkamer, hangt daar een doordringende lucht van vochtige kampeermaterialen. Het opstaan na het eten viel niet mee. Gek genoeg heb ik op de motor en bij het op- en afstappen nauwelijks last van mijn rug, maar zodra ik op een gewone stoel ga zitten, kan ik nauwelijks nog overeind komen.

Mooi motorverhalen
titlepage.xhtml
mooiemotorverhalen_split_000.htm
mooiemotorverhalen_split_001.htm
mooiemotorverhalen_split_002.htm
mooiemotorverhalen_split_003.htm
mooiemotorverhalen_split_004.htm
mooiemotorverhalen_split_005.htm
mooiemotorverhalen_split_006.htm
mooiemotorverhalen_split_007.htm
mooiemotorverhalen_split_008.htm
mooiemotorverhalen_split_009.htm
mooiemotorverhalen_split_010.htm
mooiemotorverhalen_split_011.htm
mooiemotorverhalen_split_012.htm
mooiemotorverhalen_split_013.htm
mooiemotorverhalen_split_014.htm
mooiemotorverhalen_split_015.htm
mooiemotorverhalen_split_016.htm
mooiemotorverhalen_split_017.htm
mooiemotorverhalen_split_018.htm
mooiemotorverhalen_split_019.htm
mooiemotorverhalen_split_020.htm
mooiemotorverhalen_split_021.htm
mooiemotorverhalen_split_022.htm
mooiemotorverhalen_split_023.htm
mooiemotorverhalen_split_024.htm
mooiemotorverhalen_split_025.htm
mooiemotorverhalen_split_026.htm
mooiemotorverhalen_split_027.htm
mooiemotorverhalen_split_028.htm
mooiemotorverhalen_split_029.htm
mooiemotorverhalen_split_030.htm
mooiemotorverhalen_split_031.htm
mooiemotorverhalen_split_032.htm
mooiemotorverhalen_split_033.htm
mooiemotorverhalen_split_034.htm
mooiemotorverhalen_split_035.htm
mooiemotorverhalen_split_036.htm
mooiemotorverhalen_split_037.htm
mooiemotorverhalen_split_038.htm
mooiemotorverhalen_split_039.htm
mooiemotorverhalen_split_040.htm
mooiemotorverhalen_split_041.htm
mooiemotorverhalen_split_042.htm
mooiemotorverhalen_split_043.htm
mooiemotorverhalen_split_044.htm
mooiemotorverhalen_split_045.htm
mooiemotorverhalen_split_046.htm
mooiemotorverhalen_split_047.htm
mooiemotorverhalen_split_048.htm
mooiemotorverhalen_split_049.htm
mooiemotorverhalen_split_050.htm
mooiemotorverhalen_split_051.htm
mooiemotorverhalen_split_052.htm
mooiemotorverhalen_split_053.htm
mooiemotorverhalen_split_054.htm
mooiemotorverhalen_split_055.htm
mooiemotorverhalen_split_056.htm
mooiemotorverhalen_split_057.htm
mooiemotorverhalen_split_058.htm
mooiemotorverhalen_split_059.htm
mooiemotorverhalen_split_060.htm
mooiemotorverhalen_split_061.htm
mooiemotorverhalen_split_062.htm
mooiemotorverhalen_split_063.htm
mooiemotorverhalen_split_064.htm
mooiemotorverhalen_split_065.htm
mooiemotorverhalen_split_066.htm