Slowakije – Polen: de monteurs
Na de grens met Slowakije verlaten we vrijwel meteen de doorgaande route om via kleine bergweggetjes en zoveel mogelijk passen door de Tatra naar Polen te rijden. Het is allemaal niet vreselijk steil en de hellingen duren niet erg lang, maar de bochten zijn echt genoeg en de omgeving is stil en mooi. Wanneer we ergens langs de weg stoppen om daarvan te genieten, wordt eindelijk het vochtplekje duidelijk dat we in Roztoky onder het voorwiel van de Honda aantroffen. Lekke oliekeerring. Toen ongetwijfeld nog zo minimaal, dat we het euvel niet ontdekten, maar inmiddels zit niet alleen de rechter voorvork, maar ook het remblok en de schijf daaronder vol olie. We maken alles zo goed mogelijk schoon en rijden naar de eerstvolgende grote stad in Zuid-Polen, Bielsko-Biala, ervan uitgaande dat de Polen ook motorrijden en dus een lekke oliekeerring kunnen vervangen.
De eigenaar van een piepkleine motorzaak, annex fiets- en brommerwinkel, kan dat inderdaad, maar heeft de goede maat niet in huis. Geen nood. Zonder dat we veel van elkaar verstaan, regelt hij een oplossing bij een collega ver buiten de stad, waar hij ons onder escorte naartoe brengt. Gelukkig maar, want wij hadden nooit geweten dat een lange reeks onwaarschijnlijke kronkelweggetjes zou leiden tot een enorme, stoffige open ruimte met een grote werkplaats, waar overal verlegen Poolse jongens aan hun racemonsters staan te sleutelen. In de werkplaats zelf is het onwaarschijnlijk druk. De chef te spreken krijgen, is een voorrecht waar een lange rij gegadigden voor is. Maar onze beschermengel breekt door alle afspraken heen om zijn ‘pannetouristiks’ geholpen te krijgen. Twee uur later staan we dankzij hem weer op de weg, alles keurig gerepareerd en schoongemaakt. Kosten inclusief materiaal: € 25,-.
Door het oponthoud halen we die dag ons eigenlijke reisdoel, Krakow, niet meer. We besluiten daarom te overnachten in Oswiecim, het Duitse Auschwitz, een plaats die we anders onderweg hadden willen bekijken. Er slapen trekt niet echt, maar we besluiten het toch te doen. De omgeving blijkt van een lieflijke Achterhoek-sfeer, een vreemd contrast met de narigheid die hier heeft plaatsgevonden. Wanneer we het dorp zelf binnenrijden, worden we hard geconfronteerd met de sporen daarvan: de wachttorens en barakken staan gewoon midden in het dorp langs de weg. “We zien het als een museum”, vertelt een inwoner die ik op een terrasje vraag hoe je met zoiets in je achtertuin leeft. Een museum dat ook wij de volgende dag bezoeken en waarvan de beelden nog lang blijven ronddwalen. Vooral die van de huisvesting. Onze varkens hebben het beter, zelfs degene die niet mogen scharrelen.