11. Dinsdag 21 juli
9.20 uur
Wanneer ik ‘s morgens wakker word, voel ik het meteen. Mijn slaapzak kan ik nog net uitkomen, kleren aantrekken gaat alleen onder vreselijke pijnscheuten onderin mijn rug. Uit de tent kruipen is een vraag met duizend antwoorden, waar geen enkele goede bij zit. Uiteindelijk laat ik me zo ongeveer voorover door de opengeritste tentopening naar buiten vallen. Dat heeft als voordeel dat ik uit de tent ben, maar als nadeel dat ik zonder houvast aan iets stevigs overeind moet zien te komen. Wanneer dat na enige zijdelingse rolbewegingen in het natte gras uiteindelijk is gelukt, schuifel ik met mijn stripje Nerofen naar de toiletten om er drie tegelijk met water weg te spoelen.
Bij de ingang van de eetzaal staat de campinghouder half afgemaakte buigingen te maken naar de schaarse gasten die hij zo gek heeft gekregen om zich op te geven voor zijn ontbijtbuffet. Ik probeer een glimlach om mijn trage geschuifel wat te maskeren, maar het lukt niet erg, dus mompel ik maar iets over slapen in een tent en die rug van mij. Een buffet is in zo’n situatie niet ideaal. Wanneer ik stevig met mijn heupen tegen de tafel ga staan, lukt het nog wel om het een en ander op mijn bord te laden en zelfs om een kop koffie in te schenken uit een onnodig zware kan. Maar daarna. Het liefst zou ik aan een tafel een potje gaan zitten huilen tot iemand alles zou komen brengen en me ook nog even over mijn hoofd zou aaien. In plaats daarvan doe ik net of er niets aan de hand is en loop ik als een Pinokkio aan touwtjes met mijn bord en kopje door de eetzaal.
Gelukkig begint na een kwartiertje de Nerofen wat te werken, zodat de pijnscheuten plaatsmaken voor een dof gevoel onderin mijn rug en misselijkheid in mijn buik. De Baptistencampinghouder wil uiteraard weten of het eigengebakken volkorenbrood en de zelf bijeengescharrelde eitjes lekker smaken. Uiteraard. Heerlijk. Na het eten neem ik voor de zekerheid nog een Nerofen, ook omdat ik anders niet zou weten hoe ik de tent en de rest van de bagage op de motor moet krijgen. Het is een stralende dag, dat wel.
12.12 uur
Ik voel me tamelijk beroerd. Misschien is het van de Nerofen, maar misschien ook omdat het einde van mijn reis nadert. Straks ben ik terug en zal ik gewoon alles weer aantreffen. Blijkbaar had ik het idee dat als je maar lang genoeg zou rijden, de problemen ergens op een parkeerplaats achter zouden blijven. De dreunende stem van haar verwijten, de zorg of de kinderen het allemaal wel redden, het alleen zijn. Maar alles is gewoon meegereisd. Zo voelt het tenminste.
Ik kan hier slecht langs de weg blijven zitten, dus verder maar weer.
13.16 uur
Een blikje cola gedronken en een banaan gegeten bij een benzinestationsupermarkt. Het helpt tegen de misselijkheid, maar iets minder tegen het gevoel van een last die zwaarder is dan waar ik op ben gebouwd. Ik rijd verder, alleen, in dit land dat een soort eeuwige herhaling van zichzelf is.
15.46 uur
Ter hoogte van Jönkoping rijd ik een zware regenbui binnen. De afgelopen weken heb ik dit al vele keren meegemaakt en toch heeft het telkens iets heel onwerkelijks. Alsof je er zonder al te veel moeite aan kan ontsnappen. Even verderop is het heerlijk weer, een stukje terug ook. Maar toch wordt het steeds donkerder, en ondanks de eerste rukwinden is het moeilijk te geloven dat zomaar opeens alles anders zal gaan worden. Tot het gebeurt. En dan ben ik in één klap vergeten dat het ooit mooi weer is geweest. Gelukkig werkt het andersom ook. Na verloop van tijd, drijft het onweer over en moet je in je spiegels kijken om te geloven dat het echt was.
Ondanks het onweer, is de route tussen de grote meren Vättern en Vänern een mooi stukje Zweden. De weg slingert vriendelijk, de meren zijn onafzienbaar groot en op de glooiende hellingen zijn lieve houten huisjes gestrooid. Overal liggen grote ronde stenen, als het ware lukraak verspreid. Volgens de verhalen worden die door trollen vanuit de grond omhoog geduwd. Steeds op andere plekken. Voor de lol.
19.00 uur
Ik herken de omgeving en het bospad dat naar de camping leidt. Zelfs het scheefgetimmerde bord langs de weg staat er nog. Maar wanneer ik het grintpad oprijd, zie ik al meteen dat er iets niet in orde was. Playa de la Ågård, belooft een groot spandoek boven de ingang. Die Playa blijkt een openluchtzwembad te zijn op de plek waar vroeger de paarden en de schapen stonden. Van meneer en mevrouw Nilsson heeft het meisje achter de balie nog nooit gehoord. Ze weet wel dat er een nieuwe eigenaar is.
Vroeger hadden meneer en mevrouw Nilsson samen een boerderij, op een stuk land bij het nationale park Store Mosse. Maar het land was te klein om in de tijd van het grote geld van te kunnen leven, dus besloten ze er een camping van te maken. Tenminste, een echte camping wilde het eigenlijk niet worden. Er was een winkeltje, dat wel. Het was ongeveer twee bij twee meter en mevrouw Nilsson verkocht daar alles, van klapperpistolen voor de kinderen tot worstjes die de natuurwandelaars op de vuurstookplaatsen konden roosteren. En er waren ook toiletten en douches, of beter: je kon zien dat meneer Nilsson daar vreselijk zijn best op had gedaan. Er was zelfs een restaurant. Als je daar ging zitten, rende mevrouw Nilsson vanuit haar winkeltje naar de restaurantkeuken, vroeg wat je hebben wilde, zette snel wat pannen op het vuur en pendelde dan zo lang als het nodig was tussen de keuken en haar winkel op en neer. Meneer Nilsson zorgde ondertussen voor de paarden, schapen, konijnen en kippen, want die hadden ze gewoon gehouden. Of hij ving rivierkreeftjes in de beek die langs het land stroomde. Of hij zat op zijn eigen terras achter een glas bier. Dat was het zo’n beetje.
Jaren geleden kampeerden we er met zijn vijven. Meneer Nilsson sprak geen woord Engels. Het kostte hem dan ook de nodige moeite om ons uit te leggen dat hij ons een ‘fin familj’ vond.
Het meisje dat nu achter de balie staat, is zeer vlot en scheurt op een soort scootermobiel met wapperende blonde haren voor me uit naar het plekje dat ik zelf vanuit haar kantoortje heb aangewezen: daar wil ik staan. ‘For sentimental reasons’, probeer ik. Ze haalt haar schouders op. Zolang ik maar betaal. Ik zet mijn tent op, en besluit dan mijn kans maar te grijpen. Ik trek mijn zwembroek aan en neem temidden van gillende kinderen een duik in de Playa.