15. Opa en oma

 

De volgende morgen sta ik om acht uur op. Het is al warm in ons houten hutje. Ik haal verse broodjes bij de bakker op de camping en laat Michiel nog even doorslapen terwijl ik zoveel als mogelijk van onze spullen vast inpak en op de motorfiets bindt. Daarna smeer ik pindakaas, waarvan we al veertien dagen een pot met ons meevoeren, op twee broodjes en maak Michiel voorzichtig wakker. Niet dat het veel uitmaakt. Opstaan op commando is niet zijn favoriete bezigheid.

“Bruut”, zegt hij wanneer ik hem voor de derde keer zachtjes wakker schudt. “Waarom kunnen we niet gewoon blijven slapen? We hebben toch vakantie?”

“Vanmiddag hebben we met opa en oma afgesproken. Je weet hoe ze zijn.” Zelf rijden ze altijd stipt op de afgesproken tijd de straat in. Michiel en ik verdenken ze er wel eens van dat ze om de hoek staan te wachten tot de wijzers van hun horloge in het afgesproken tijdsstip vallen.

“Ze houden niet zo van te laat komen”, leg ik Michiel nog even ten overvloede uit.

Grommend kruipt hij uit zijn slaapzak, plukjes zweterig haar plakken tegen zijn voorhoofd.

“Moet je je nog wassen?” vraag ik.

“Ik ben gisteren toch in de zee geweest”, mompelt hij en schuift in zijn pyjama aan de picknicktafel, waar de broodjes in de zon staan te wachten. Bij het oprollen van zijn slaapzak, duw ik een zoete slaapgeur naar buiten.

 

Wanneer we allebei klaar zijn met eten, pak ik de laatste spullen op de motor en rijden we naar Breskens om op een terrasje koffie te drinken. In het stadje is het al druk. Veel motorrijders, wachtend op de boot naar Vlissingen. We rijden een paar rondjes en kiezen het café waar de meeste motorfietsen voor de deur staan. Zoals iedere motorrijder, loopt ook Michiel met zijn helm losjes bij de riem even langs de geparkeerde voertuigen van de anderen. Hij kijkt naar de cilinders, sturen en chroom. Na de inspectie lopen Michiel en ik het terrasje op en knikken hier en daar wat groeten naar de eigenaren van alle geparkeerd cc’s. De koffie smaakt Nederlands. Niet te slap, niet te sterk. In België en Frankrijk was het meestal één van de twee.

“Slimme jongens, die Zeeuwen”,  zegt Michiel wanneer hij ziet dat de ober Nederlands, Belgisch en Duits geld in zijn portemonnee heeft, om zijn belangrijkste klantensoorten met hun eigen geld te kunnen bedienen. Wanneer steeds meer mensen opstaan en met hun motorfiets richting veerboot rijden, besluiten we dat het blijkbaar tijd is om te gaan. Behalve de boot en de cafés voor de mensen die op de boot wachten, lijkt er in Breskens niet veel te gebeuren. In ieder geval niet op zondagmorgen. Klinkerpleintjes vol verlatenheid. IJzeren rolluiken voor de plaatselijke Hema en Blokker. We rijden via een hellende kade naar een grote, witte veerboot, die eruit ziet alsof hij naar Engeland of nog verder zou willen. We rijden de motorfiets over ijzeren platen het dek op en zetten hem op de zijstandaard. Michiel en ik leunen over de reling. Water onderbreekt niet alleen land maar ook bezigheden. Mensen fotograferen elkaar, eten een broodje en turen naar het glinsterende water en de zilverkleurige meeuwen. Wie vaart, geniet vanzelf. Michiel ook. Hij buigt naar voren en kijkt hoe daar ver beneden het water om de boot heen kolkt. Wit schuimend. Op het brede water van de Schelde vaart een hoogopgeladen containerschip, een ijzeren flatgebouw vol handel.

 

Wanneer we om een uur of één in Vlissingen de kade weer oprijden, is het nog vroeg genoeg om op de afgesproken tijd in Oostkapelle te zijn. En in Zeeland valt toch niet veel mis te rijden. We hoeven het eiland Walcheren niet af en dat heeft één snelweg en één provinciale weg, de N57 en die moeten we hebben. Wist ik, maar ontdek ik opnieuw wanneer ik na ruim een uur rijden het aantal kilometers tot Bergen op Zoom op de borden tot onder de dertig zie dalen. Mijn topografische kennis van de Zeeuwse eilanden houdt niet over, maar hier is iets niet in orde. We gaan bij een benzinestation de weg af en ik kijk op de kaart om te zien wat er mis is. Vanaf Vlissingen heb ik de borden Middelburg gevolgd. Op de kaart had ik gezien dat ik daarna alleen de weg hoefde te blijven volgen om in Vrouwenpolder uit te komen, waar we moesten afbuigen naar Oostkapelle. Maar blijkbaar hebben de bordenmakers dat anders bedacht en zijn we via de snelweg gestuurd. Daar kwam eerst Middelburg en toen Goes en nog wat andere plaatsen die Zeeuws genoeg klonken om niet in paniek te raken. Behalve dan dat slinkende aantal kilometers naar Bergen op Zoom, waarvan ik een tijdlang dacht dat het wel weer over zou gaan. Een bocht in de weg en het getal zou weer toenemen. Niet dus. We zitten gewoon op de snelweg naar Bergen op Zoom en hebben geen andere keuze dan omkeren en weer helemaal terugrijden naar Middelburg. Ondertussen is het erg warm geworden. Ik voel hoe mijn motorbroek in mijn knieholtes doorweekt is van het zweet en zodra we stilstaan zetten we allebei onmiddellijk onze helm af. Michiel veegt het zweet van zijn gezicht, zijn motorhandschoenen laten zwarte strepen achter. De vorm van zijn helm staat in vocht op zijn haren geplakt.

“Gaat het?” vraag ik.

“Best wel.”

“We zijn nogal verkeerd gereden”, zeg ik en laat hem op de kaart zien waar we zijn en wat we hadden moeten doen.

“Komen we nog wel op tijd?” vraagt Michiel.

“Ik weet het niet. We moeten een afrit vinden en dan terugrijden. Maar we gaan eerst iets drinken.” We gespen onze helmen met de kinbanden aan de bagage achterop de motor en lopen het benzinestation binnen. Daar is het heerlijk koel. Ik neem twee blikjes cola uit de koeling en reken die bij de kassa af. Buiten gaan we in de schaduw van het benzinestation zitten om ze op te drinken. We leunen tegen de muur en kijken naar andere motorrijders die komen tanken. Bij het verlaten van het benzinestation, steekt Michiel met een geroutineerd gebaar zijn linkerhand omhoog.

“Vind je het erg heet achterop?” vraag ik.

“Neuh”, zegt hij, “valt wel mee.”

Hij heeft zijn leren motorjack naast zich op de grond gelegd. Op zijn T-shirt brult een vervaarlijke Tasmanian Devil. Op zijn armen groeien onzichtbare haartjes.

“Heb je het naar je zin?” vraag ik.

Hij kijkt de weg af. Het licht is fel en tekent de wereld in strakke lijnen. Michiel kraakt het lege colablikje tussen zijn vingers en loopt dan naar een prullenmand in het witte zonlicht om hem weg te gooien. De leren motorbroek blijft maar net op zijn smalle heupen hangen.

“Kunnen we volgend jaar niet veel verder gaan?” vraagt hij wanneer hij terugkomt in de schaduw. “Net als jij toen, naar de Noordkaap?”

“Dat is wel erg ver”, zeg ik.

“Oké”, zegt hij. “Dat wil ik best.”

 

Even later nemen we met een rustig gangetje de afrit naar Yerseke om meteen na het oversteken van de snelweg rond te draaien en er in de andere richting weer op te rijden. Ruim dertig kilometer terug naar Middelburg, zie ik op de borden, om vandaar alsnog naar de noordpunt van het eiland te rijden. Ik klop Michiel even op zijn knie en steek mijn duim naar hem op. Na een klein half uurtje nemen we de afslag naar Middelburg en vandaar rijden we over de N57 naar Serooskerke en Oostkapelle. De mooie groene route die ik op de kaart had gezien, langs de duinen tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, slaan we maar over, zodat we toch nog precies om drie uur de camping oprijden waar we onze hut voor deze nacht hebben gereserveerd. De auto van mijn vader en moeder staat al op de parkeerplaats en even verderop zien we mijn vader met twee tuinstoelen en een koeltas lopen. Wanneer we hem hebben ingehaald, zet hij de stoelen en de koelbox even neer en veegt hij met een grote zakdoek het zweet van zijn voorhoofd en uit zijn nek en hals, voor hij ons een kus geeft.

“Zodra je telefoontje kwam, begon de organisatie”, zegt hij, terwijl hij een beetje verontschuldigend op een grote verzameling dozen en tassen wijst die hij samen met mijn moeder al voor onze hut heeft neergezet.

“Mijn hemel”, zeg ik. Maar mijn moeder komt al druk gebarend aanlopen om te wijzen waar ze de stoelen hebben wil.

“Als jullie nou daar gaan zitten, krijgen jullie eerst iets te drinken want jullie zullen wel dorst hebben, hè jongens?”

Michiel en ik kijken elkaar aan, knikken een beetje en mompelen dat het allemaal wel meevalt.

Maar veel tijd om na te denken is er niet. “Waar heb je de sleutel?” vraagt mijn moeder, “dan kan ik even de boel open zetten. Is het niet enig, zo’n hutje?” En weg is ze alweer, terwijl ze nog even naar mijn vader roept dat nog lang niet alles is uitgeladen en als hij dat nou even doet dat zij dan vast begint met de broodjes klaarmaken. Mijn vader veegt nog eens met zijn grote zakdoek in zijn hals, vouwt het klamme katoen zorgvuldig op, steekt het in de zak van de korte broek waar zijn witte benen dapper onderuit steken en loopt weer terug naar de auto.

“Hij vindt het maar niks dat hij niet naast de hut mocht parkeren”, fluistert mijn moeder wanneer hij nauwelijks uit het zicht is.

Ik zet de motorfiets daar wel gewoon neer en leg het houten plankje onder de zijstandaard.

“Hebben jullie zin in barbecuen?” roept mijn moeder door een raam van de hut dat ze van binnenuit met een zwaai opengooit alsof de voorjaarschoonmaak gaat beginnen. Michiel en ik kunnen onder alle goede zorgen niet zo snel de juiste woorden vinden. Wat ook niet echt nodig is. “Nou, zei ik het niet?” roept ze al naar mijn vader die met twee koffers het graspaadje opkomt. Ik zie dat hij nog steeds dezelfde witte hemdjes draagt als vroeger, maar het aantal grijze haren dat er bovenuit steekt, lijkt minder.

“Dat dacht ik wel, dat ze daar zin in zouden hebben.”

“Maar ik heb geen vlees of zo”, zeg ik.

“Hebben we allemaal bij ons”, jubelt ze door het volgende raam. “Gemarineerde kip, heb ik speciaal voor jullie bij Haverkotte gehaald. Hij vroeg nog hoe het nu met je ging. En van die kleine hamburgertjes. Die maakt hij speciaal voor de barbecue, daar was je vroeger ook zo gek op, dat weet je toch nog wel? Zijn dochter is trouwens met een van de Smitjes getrouwd. Ze wonen daar in de nieuwbouw over het spoor, je weet wel, waar vroeger de begraafplaats was.”

“Met Fransje Smit?”, vraag ik, maar ze hoort het niet..

“Zo jongens, kom nu eerst maar eens lekker zitten”, zegt ze terwijl ze met een dienblad vol broodjes uit de trekkershut komt. “Heb je de barbecue uit de auto gehaald?” vraagt ze aan mijn vader.

“Ja, nee, ik heb hem hier al. Maar dat wordt niks, dat kan ik je nu al vertellen.”

“Hè, toe nou toch”, zegt mijn moeder.

“Ja toe nou toch, dat kun je makkelijk zeggen, maar het nippeltje zit er niet bij en zonder nippeltje kunnen we het wel vergeten.”

“Maar heb je dan goed gekeken?”

“Stel toch niet altijd van die stomme vragen. Natuurlijk heb ik goed gekeken. Ik weet ook zeker dat ik het er bij heb gelegd, maar die dingen doen gewoon wat ze zelf willen.”

Met wanhopige gebaren begint mijn vader de versleten plastic vuilniszak waar hij alle onderdelen van de barbecue in bewaart, uit te pakken.

“Hier, alles zit er in”, zegt hij in groeiende wanhoop, “maar geen nippeltje. Het is gewoon ongelooflijk. Alles stop je zorgvuldig bij elkaar en op het moment dat je het nodig hebt, vergeet het maar. Kun jij het volgen?”

“Wat is het dan precies, wat je zoekt?” probeer ik zo rustig mogelijk.

“Nou, gewoon, kijk hier op de gasfles zit een regelaar en daar hoort een nippeltje bij waar de slang op past. Een verloopstukje, het zit er altijd bij maar vandaag is het teveel gevraagd.”

“Wat voor kleur heeft hij?” vraagt Michiel.

“Ach jongens, hou maar op. We pakken alles weer in, want dit is helemaal hopeloos. Die dingen hebben gewoon een wil. Het maakt allemaal niet uit wat je doet. Als ze je moeten hebben, dan kun je doen wat je wilt, ze krijgen je gewoon te pakken.”

“Is het van zilver?” vraagt Michiel.

“Nee, natuurlijk niet. Gewoon metaal.”

Michiel legt zijn broodje terug op het dienblad en loopt naar de onderdelen van de barbecue die her en der in het gras verspreid liggen. “Is dit hem?” vraagt hij, terwijl hij een zilverkleurig verloopstukje uit het gras opraapt.

“Nou zal je het hebben”, zegt mijn vader. “Ik geloof dat je gelijk hebt, jongen. Laat eens kijken?” Michiel geeft hem het onderdeel en mijn vader staat er een beetje bedremmeld mee in zijn handen. “Ja, dat is hem. Waar heb je die nou vandaan?”

“Hij lag gewoon hier”, zegt Michiel.

 

Een paar uur later staat de barbecue vrolijk te gloeien.

“Jij nog een sherry’tje?” vraagt mijn moeder aan mijn vader.

“Tja”, zegt die dromerig, “wat hebben we het toch goed, hè?”

Uit de tassen en dozen zijn borden, bestek, glazen en flessen gekomen. In de koelbox zit niet alleen vlees, maar ook stokbroden, kruidenboter, sla, knoflooksaus en frisdrank voor Michiel.

“Hier jongens, een servetje erbij anders knoeit het zo”, zegt mijn moeder terwijl ze de kippenpootjes ronddeelt. “Heet hoor, pas op.”

“En dan te bedenken dat we in de oorlog nog geen aardappel te eten hadden”, mijmert mijn vader onverstoorbaar verder.

“Hebben jullie het makkelijk kunnen vinden?” vraag ik.

 

Mooi motorverhalen
titlepage.xhtml
mooiemotorverhalen_split_000.htm
mooiemotorverhalen_split_001.htm
mooiemotorverhalen_split_002.htm
mooiemotorverhalen_split_003.htm
mooiemotorverhalen_split_004.htm
mooiemotorverhalen_split_005.htm
mooiemotorverhalen_split_006.htm
mooiemotorverhalen_split_007.htm
mooiemotorverhalen_split_008.htm
mooiemotorverhalen_split_009.htm
mooiemotorverhalen_split_010.htm
mooiemotorverhalen_split_011.htm
mooiemotorverhalen_split_012.htm
mooiemotorverhalen_split_013.htm
mooiemotorverhalen_split_014.htm
mooiemotorverhalen_split_015.htm
mooiemotorverhalen_split_016.htm
mooiemotorverhalen_split_017.htm
mooiemotorverhalen_split_018.htm
mooiemotorverhalen_split_019.htm
mooiemotorverhalen_split_020.htm
mooiemotorverhalen_split_021.htm
mooiemotorverhalen_split_022.htm
mooiemotorverhalen_split_023.htm
mooiemotorverhalen_split_024.htm
mooiemotorverhalen_split_025.htm
mooiemotorverhalen_split_026.htm
mooiemotorverhalen_split_027.htm
mooiemotorverhalen_split_028.htm
mooiemotorverhalen_split_029.htm
mooiemotorverhalen_split_030.htm
mooiemotorverhalen_split_031.htm
mooiemotorverhalen_split_032.htm
mooiemotorverhalen_split_033.htm
mooiemotorverhalen_split_034.htm
mooiemotorverhalen_split_035.htm
mooiemotorverhalen_split_036.htm
mooiemotorverhalen_split_037.htm
mooiemotorverhalen_split_038.htm
mooiemotorverhalen_split_039.htm
mooiemotorverhalen_split_040.htm
mooiemotorverhalen_split_041.htm
mooiemotorverhalen_split_042.htm
mooiemotorverhalen_split_043.htm
mooiemotorverhalen_split_044.htm
mooiemotorverhalen_split_045.htm
mooiemotorverhalen_split_046.htm
mooiemotorverhalen_split_047.htm
mooiemotorverhalen_split_048.htm
mooiemotorverhalen_split_049.htm
mooiemotorverhalen_split_050.htm
mooiemotorverhalen_split_051.htm
mooiemotorverhalen_split_052.htm
mooiemotorverhalen_split_053.htm
mooiemotorverhalen_split_054.htm
mooiemotorverhalen_split_055.htm
mooiemotorverhalen_split_056.htm
mooiemotorverhalen_split_057.htm
mooiemotorverhalen_split_058.htm
mooiemotorverhalen_split_059.htm
mooiemotorverhalen_split_060.htm
mooiemotorverhalen_split_061.htm
mooiemotorverhalen_split_062.htm
mooiemotorverhalen_split_063.htm
mooiemotorverhalen_split_064.htm
mooiemotorverhalen_split_065.htm
mooiemotorverhalen_split_066.htm