2. Zondag 12 juli
8.30 uur
Eenmaal echt wakker, pak ik mijn spullen in en rijd ik een kilometer of vijftig langs de kust. Ik heb bijna de hele dag voor me. De boot vertrekt pas om half vier. Alleen maar naar de kade tuffen en een nog koude motor weer uitzetten, wil ik niet. Niet goed voor de motor. En ook niet voor mij. Ik moet bezig blijven. Deze tocht gaat over gedachten wegpoetsen, rijden, kilometers maken, wakker blijven, sturen, op het verkeer letten. Alleen zijn.
Het is een prachtige rit, helemaal zoals het hoort: lege wegen, precies de goede soort bochten, een zonnetje, vriendelijke ronde wolken en uitzicht over een blauwe zee. Op de golven zie ik wel venijnige witte kopjes. Uit de tijd dat ik als puber zeemansverhalen vol verlangen en romantiek las, weet ik dat die niet veel goeds betekenen. Witte kopjes staan voor zwaar weer en zeelieden die, voor ze ondergaan in de golven, nog eenmaal het gezicht van hun geliefde menen te zien.
En ongemerkt sijpelt het toch weer binnen. De wanhoop. Om de kinderen die opeens in een veel te wijde cirkel stonden. Om het geld dat ik niet had. Om de baan die ik moest zien te vinden. En vooral de wanhoop om het onbegrijpelijke. ‘Laten we dan praten over wat je niet bevalt.’ Maar het was niet iets, het was alles. ‘Je inspireert me gewoon niet meer.’
Ik rijd terug naar het dorp om te ontbijten. In het snackbarachtige eettentje waar ik een broodje met koffie bestel, maak ik voor het eerst kennis met Noren. In spijkerbroek en hemd komen ze binnen, twee mannen, allebei met een handdoek onder hun arm en tatoeages erop. Ze vragen iets aan de mevrouw achter de toonbank. Ik versta een paar keer het woord toilet. Er volgt een discussie waarbij er rode vlekken over de wangen van de mevrouw schieten en de mannen haar niet-begrijpend aankijken. Uiteindelijk verdwijnt de eerste door een deur, van het herentoilet neem ik aan. Minutenlang hoor ik het geluid van stromend en rondspetterend water. De man komt met natte, achterovergekamde haren weer tevoorschijn en houdt de deur open voor zijn kameraad. Wanneer die ook klaar is met zijn wasbeurt, steken ze hun hand op naar de mevrouw achter de toonbank en vertrekken weer. Zonder iets te bestellen. ‘Noren’, is het enige wat ze tegen mij, bij wijze van conclusie, in het Engels zegt. Ze gebaart er niet bij. Haar blik en het minachtende knikje van haar hoofd is voldoende. ‘Wilt u nog koffie?’ vraagt ze dan, als beschaafde mensen onder elkaar.
11.05 uur
Hanstholm gaat uitsluitend over varen. Varen om vissen te vangen en varen om mensen van de ene naar de andere kant te brengen. Ik maak steeds tragere rondwandelingen langs de vissersboten die van nieuwe verf worden voorzien en de groene netten die op de wal liggen te drogen. Wanneer ik uiteindelijk naar de kade rijdt om in te checken voor de boot naar Bergen, kom ik de eerste collega-motorrijders tegen. Een nuchtere Deen op een oeroude R 100 RT die, in tegenstelling tot mijn bezorgde voorbereidingen, nog niet eens een kaartje heeft en aan mij vraagt waar je dat kunt kopen. En een Antwerpenaar op een blinkende R 1100 GS. De tocht naar Hanstholm stelde wat hem betreft helemaal niets voor, ondanks hetzelfde slechte weer dat mij de hele dag omklemde. De Noordkaap is ook een peulenschil, weet hij te vertellen. Ik weet niet waar hij heen gaat, maar ter ondersteuning blijkt hij wel een volgcamper te hebben, met een zorgzame vrouw aan boord. En droge kleren, neem ik aan.
Maar het kan nog anders. Tijdens het wachten op het inschepen, arriveert een Duits echtpaar in een grote Ford stationwagon. Erachter is een aanhanger bevestigd met daarop een glanzend gepoetst racemonster en een Harley look-alike. De racer heeft op de kop af 104 kilometer op de teller staan. De Suzuki Intruder heeft geen teller, maar ziet er zo mogelijk nog minder gebruikt uit.
14.30 uur
De echte motorrijders arriveren ook. In drie pelotons. Eén van grijze Duitse BMW-heren, één van smalle, verlegen lachende jongens en meisjes uit Tsjechië, op Japanse motorfietsen vol gepaintbrushte paradijstaferelen. En tenslotte een groep Noren. Ze rijden op knetterende Harley’s en worden omgeven door wapperende haren en rafels aan hun spijkerjacks. Op hun rug staan doodshoofden en de naam van hun club. In afwachting van de boot drentelen we allemaal om elkaars motorfietsen en wisselen we vage knikjes uit.
De angsten die ik al maanden geleden had voor steile, glibberige metalen vlonders waar ik mijn K rechtop moet zien te houden, lijken aanvankelijk onnodig geweest. De veerboot meert af aan een sloom betonnen steigertje, waar het pontje naar Maassluis een krachtproef bij is. Maar als de klep opengaat en de dekken in zicht komen, blijkt dat ik er toch niet zo ver naast zat. Via een steil oplopende ijzeren helling moeten de reizigers met bestemming Bergen hun voertuigen de boot in zien te krijgen. Motorrijders eerst, commandeert een man op de kade met een walky talky tegen zijn oor en een oranje pak aan. Samen met de Noren rijd ik naar boven. Ik sta op de voetsteuntjes om het minste last van de oneffenheden te hebben, maar zie ondertussen een druk gebarende ferrylader bovenaan de helling over het hoofd. Hij wil dat ik een scherpe bocht voor hem langs maak, maar dat haal ik niet meer zonder zijn tenen mee te nemen. Ik negeer zijn woedende gebaren en stuur met een iets grotere boog achter hem langs. Eenmaal op het parkeerdek zie ik de hele groep Noren onder luid geknetter en tegen alle heftig geuite instructies in helemaal doorrijden naar het eind van de boot. Daar maken ze opnieuw een bocht en arriveren dan in de tegenovergestelde richting bij de railing waar we volgens het personeel onze motorfietsen aan vast moeten maken.
Dit is het onderdeel van de reis dat ik al eindeloze keren in gedachten heb gerepeteerd. En altijd met slecht resultaat. ‘Je sjort je motor gewoon tegen de railing aan en dan bind je hem vast’, was mij van tevoren gezegd. Ik wist dat zoiets me niet zou lukken. Met bepakking weegt mijn K tegen de driehonderd kilo. Ik zelf krap zestig. Ik zet de motor op de middenstandaard en duw en trek om beurten aan voor- en achterkant om hem dichter bij de railing te krijgen. Met een krassend geluid schuren de poten van de middenbok over het metalen dek. Wat ik aan de voorkant win, verlies ik achter weer, en andersom. Ik voel een pijnscheut in mijn rug en zweet dat onder mijn motorkleren aan alle kanten jeukend te voorschijn komt. Uiteindelijk staat hij dan toch een centimeter of vijf van de ijzer railing af. Daarna wil hij echt niet meer verder. Misschien maar beter ook, want de kuip en de koffers zijn van kunststof, dat onmiddellijk versplintert. Ik zet hem aan alle kanten met touwen vast, maar het resultaat ziet er niet erg betrouwbaar uit.
Vlak voor mij schopt één van de Hell’s Angels een rubber stootblok onder zijn voorwiel, zodat zijn motor niet naar voren kan rollen. Ik aarzel even en stap dan naar hem toe. ‘Wat is de beste manier om je motor vast te zetten?’, vraag ik hem. Blij dat ik zijn deskundigheid herken, begint hij me met brede gebaren uit te leggen wat de geheimen zijn van bootreizen met een motorfiets. ‘Niet op de middenbok, maar gewoon op de zijstandaard zetten’, begint hij, met een blik op het werk waar ik net mijn rug aan heb opgeofferd. ‘Je zet hem schuin in de richting waar je hem vast kan sjorren, dan kan hij nooit opzij vallen. Als hij eenmaal staat, zet je hem in zijn eerste versnelling, en doe je stootblokken onder de wielen. Dan kan hij ook niet meer voor of achteruit. Zo doen wij dat altijd.’ Zo simpel is dat dus. Ik begrijp nu waarom ze allemaal een rondje reden en tegen de rijrichting in op het parkeerdek staan. Mij lukt dat niet meer want inmiddels staan de auto’s tot bijna tegen mijn zijspiegels aan geparkeerd. Tsja, daar weet hij ook niets op. Ik probeer nog wat beweging in de motor te krijgen. Tevergeefs. Hier is niets meer aan te doen. Met een tas om iedere schouder wurm ik me tussen de geparkeerde auto’s door naar boven.
15.23 uur
De hut is prima. Een goed bed en een eigen wc met douche. Mooie rulle handdoeken hangen klaar. Om het te vieren neem ik meteen een douche. Daarna loop ik naar het restaurant om een plekje te reserveren voor het eten van vanavond. Van vorige bootreizen naar Scandinavië weet ik dat je daaraan de ervaren ferryreizigers herkent: die kan ‘s avonds in het restaurant zo doorlopen naar een stoel met een glimlachende ober ernaast, terwijl alle anderen urenlang en met toenemende wanhoop in de rij staan te wachten.
De weg vinden naar het restaurant valt niet mee. Oriëntatie in de gewone wereld van het platte vlak is voor mij al niet eenvoudig. Op zo’n boot met overal weer nieuwe dekken, gangetjes, ijzeren trappen en klemmende deuren blijft er niets anders over dan iedereen die er een beetje officieel uitziet aan te klampen om zo via allerlei omwegen van het ene uniform naar het andere mijn reisdoel te vinden. Mijn grootste angst daarbij is dat ik het briefje waar het nummer van mijn hut op staat, vergeet bij me te steken. Om dan in de eindeloze gangen, dwalend door de ingewanden van het schip, dat kleine kamertje terug te vinden, is een expeditie waar ik waarschijnlijk niet eens aan zou beginnen. Zelfs met het nummer in mijn hand en overal borden die uitleggen hoe de boot is ingedeeld, beland ik tegen mijn wil op winderige stukjes dek, in dikbetapijte nachtclubs of in taxfreeshops vol klanten die zwetend grootverbruikverpakkingen in winkelwagentjes staan te laden. Ik heb er niets te zoeken en wil er niet wezen, maar op een of andere manier bevinden ze zich altijd tussen mij en dat kleine witte hokje waar mijn spullen staan. Mijn medepassagiers schijnen daar geen last van te hebben. Die installeren zich compleet met koelboxen en picknickmanden in de ligstoelen op het dek. Ze maken de indruk hier permanent te wonen en precies te weten wat er van ze verwacht wordt. Ik heb mijn restaurantreservering als statussymbool, maar afgezien daarvan voel ik me als een twaalfjarige bij zijn eerste bezoek aan de middelbare school. Te klein om het allemaal te snappen, maar te groot om nog iemands hand vast te houden.
Ondertussen zijn we uitgevaren en de witte koppen op de golven doen precies wat ze beloofden: het schip deint van de ene naar de andere kant. Bij elke beweging kraken de muren van mijn hutje. Ik heb nooit veel van natuurwetten begrepen, maar bedenk op eigen kracht dat wanneer de ondergrond niet stabiel is, gewicht tegen je werkt. Bij elke beweging van het schip zie ik de driehonderd kilo van mij K op de twee ranke pootjes van de middenbok heen en weer wiebelen. Bij de minste aanraking met de ijzeren railing zal het deksel van de zijkoffer versplinteren. De koffer zelf zit met een slot aan het frame, maar de bevestiging van het slot bestaat uit een paar knullige popnageltjes. Geen partij wanneer de motorfiets in zijn eigen ritme steeds vervaarlijk begint te wiebelen. En daarna volgt natuurlijk de definitieve knal wanneer de motor met de kuip en wat er van de koffers over is tegen de railing aan dondert. Daarna hebben die stootblokken die ik zo fanatiek onder de banden heb staan schoppen ook geen enkele functie meer en sleept het frame en motorblok bij elke deining over het ijzeren dek. Heen en weer geslingerd tussen de railing aan de ene kant en de glanzende bolides van mijn medereizigers aan de andere. Of tegen de motoren van de Hell’s Angels, die voor en achter mijn BMW geparkeerd staan. Het beeld van de ramp die zich daar beneden op het afgesloten parkeerdek aan het voltrekken is, wordt naarmate de reis vordert steeds ellendiger. De wijn die ik bij het eten drink, helpt ook niet echt.
23.14 uur
Wanneer het schip tegen elf uur ‘s avonds in Egersund aanlegt om een deel van de passagiers uit te laten stappen, loop ik naar het parkeerdek om te bekijken hoe groot de schade is. Wanneer ik de zware ijzeren deur van het parkeerdek open duw, weet ik eerst niet welke kant ik uit moet, maar dan zie ik hem. Mijn goede zilvergrijze K staat geduldig te wachten tussen het rubber- en chroomgeweld van de Noren. Het lijkt alsof hij mijn angstbeelden van eerder op de avond met een glimlach begroet.
Er vertrekken niet voldoende auto’s om mijn motor alsnog om te draaien, maar gerustgesteld door de stabiele aanblik laat ik het zo en ga terug naar mijn hut. Ik ga op bed liggen en probeer te slapen. Mijn maag is van streek van het buffet van vanavond. Al die schalen vol zalm, mosselen, warme beenham, room-en-dillesaus en gebakken aardappelen, zorgden ervoor dat ik telkens maar opnieuw bleef opladen. Alles door elkaar, want oh, dat ziet er ook heerlijk uit, en jeetje, dat heb ik nog niet geproefd.
Uiteindelijk doezel ik zo’n beetje weg, tot ik een half uurtje later met een schok overeind kom. De boot schommelt als nooit tevoren. Van voor naar achter, van links naar rechts, in lange, draaierig makende bewegingen. Het is moeilijk om in te schatten hoever de boot overhelt. Je voelt telkens een hele tijd niets, tot hij aan de tegenovergestelde beweging begint. Dan pas besef je hoe diep je eerst naar de andere kant hing. ‘O nee’, mompel ik. De beelden van mijn K, die daar beneden op het parkeerdek onwrikbaar op zijn standaard stond, zijn volledig verdwenen. Nu wiebelt en zweeft hij weer als een dronkeman op stelten. Ik gooi het dekbed van me af en bedenk wat ik de volgende morgen zal moeten doen. In Bergen is vast wel ergens een BMW-dealer. Als hij nog kan rijden zal ik daar de ergste schade moeten laten repareren. Wanneer die garage het net zo druk heeft als mijn dealer in Nederland, kan ik de Noordkaap verder wel vergeten. Als ik meteen al een dag kwijtraak, lukt het nooit. Aangenomen dat de motor nog kan rijden, wat waarschijnlijk niet het geval zal zijn. Zo maalt het maar door en maar door. Uren achtereen.
Om een uur of vijf sta ik tenslotte maar op en loop naar het dek. Er is niemand. In het eerste ochtendlicht zie ik de bergen, die op de achtergrond als decorstukken in de zee staan. Aan beide kanten van de boot zijn eilanden. Heel veel eilanden en eilandjes. Het ziet eruit alsof iemand de zee en het land allebei mooi vond en er toen maar een mozaïek van heeft gemaakt. Groenblauw water vol snippers land. Grote, kleine, beboste, rotsachtige, stukjes land. Sommige helemaal onbewoond. Andere met onwaarschijnlijk lieve rode houten huisjes erop. Bij ieder huis ligt in het water een houten bootje, zoals ik dat als kind tekende. Een kajuit in het midden, schoorsteentje erop en ronde raampjes om naar buiten te kijken.
Een mede-passagier, die blijkbaar ook niet kon slapen, komt bij me zitten. ‘Even naar mijn huis kijken’, zegt hij, ‘ik woon op één van die eilandjes.’ Hij wijst naar de brokjes land in het dromerige ochtendlicht. ‘Dat moet wel heerlijk rustig wonen zijn’, antwoord ik. Hij kijkt me aan alsof dit een totaal nieuwe gedachte voor hem is. ‘Het valt wel mee’, zegt hij dan, ‘er wonen nog vijf families.’
Wanneer we zijn eiland gepasseerd zijn, gaat hij weer terug naar zijn hut en heb ik weer alle ruimte om me zorgen te maken over de motor. Zo hier in de frisse buitenlucht is het probleem niet weg, maar wordt het wel wat meer tot een klus die geklaard zal moeten worden. Dat hij omgevallen is, staat voor mij vast.