Riga – Tartu: kijken waar je heen wilt!
Vanuit Riga rijden we schuin naar het oosten om via het dal van de Gaula-rivier de grens met Estland en het ‘berggebied’ in het zuiden daarvan te bereiken. De tocht door het dal begint aanvankelijk met droog weer, maar de ongeplaveide wegen zijn ondertussen echte modderpaden geworden, waar autobanden lange series hobbels in hebben achtergelaten. Een vlak spoor is op sommige stukken niet meer te vinden, zodat we door elkaar geschud worden en onze stadsbanden telkens hun grip verliezen. We blijven overeind, maar het gas een beetje constant en je nieren op hun plaats houden, valt niet mee. Wanneer midden in een bosgebied vol glibberige hellingen ook nog een inktzwarte onweersbui boven ons hoofd losbarst, is het ‘blíjven kíjken waar je héén wilt’ dringend nodig als mantra om de boel niet te laten schieten. Wanneer we na een kilometer of tien eindelijk weer asfalt onder onze banden hebben, roepen we tegen de stortbui in wat onverstaanbaars naar elkaar om te vieren dat het gelukt is, en rijden we door naar onze laatste Baltische grens.
Ook deze levert geen noemenswaardige problemen op, behalve dat alles weer uitgebreid wordt gecontroleerd, tot dit keer de framenummers op onze motorfietsen aan toe. Wanneer de douaniers tevreden zijn, rijden we de ‘Estlandse Alpen’ binnen, zoals ze het hier zelf noemen. Dat is een tikje overtrokken, maar er zijn skihellingen, veel bossen en fijne bochten. In de dorpjes die we tegenkomen, staan de houten huizen opvallend ver van elkaar. Blijkbaar heeft iedereen hier graag zijn eigen stukje Estland. In Tartu overnachten we in een prachtige villa aan de rand van een park. Net als vrijwel overal elders op deze reis voor bedragen waar je in West-Europa nog niet eens voor in een jeugdherberg terecht kunt. De motorfietsen gewoon in de tuin parkeren, vinden we inmiddels allang geen punt meer.