Dresden: fijne jongens, die geallieerden
We vertrekken om vier uur ’s morgens voor de eerste 800 kilometer naar Dresden. Niet de kortste weg naar de Baltische Staten, maar we willen op de heenweg Dresden, Praag en Zuid-Polen zien. We rijden vlot over de lege snelwegen, tot in de Achterhoek een dikke mist ons dwingt het kalmer aan te doen en uiteindelijk af te stappen om warmere kleren aan te trekken. Bij een zomers vertrek, met nachttemperaturen flink boven de vijftien graden, reken je er niet op dat het zo koud kan worden en wanneer een paar uur later de zon doorbreekt, moet alles snel in omgekeerde volgorde worden afgestroopt om geen plasjes zweet in je laarzen te krijgen. Tegen die tijd komt in Duitsland ook het autobahnverkeer op gang. En op snelheid. Het is niet echt druk op de route via Hannover, met gevolg dat de Mercedessen en BMW’s je met onbegrijpelijke snelheden om de oren vliegen. Wij rijden toch ook stevig door, maar worden evengoed ‘voor straf’ meerdere keren scherp afgesneden, met nog even een opgestoken middelvinger als extra uitleg. Wie zich onder de 180 kilometer per uur op de linkerbaan durft te begeven om een vrachtwagen in te halen, vraagt er om. Toch?
Dankzij internet hebben we voor de overnachting in Dresden niet alleen een hotel geboekt, maar ook een complete routebeschrijving door de stad uitgedraaid. Als luxe-aanloopje voor de grote chaos, waar we voor daarna toch stiekem rekening mee houden. Het hotel is prima en in de stad kijken we verbijsterd naar de nog steeds zichtbare gevolgen van het afscheidscadeautje dat de geallieerden hier hebben achtergelaten. De hele historische binnenstad zonder enige militaire aanleiding in één nacht weggevaagd. Om dat en de nog steeds voortdurende wederopbouw te bekijken, kun je natuurlijk op een sight seeing bus stappen. Maar je kunt ook een oude Trabant huren voor je eigen ‘Trabant Safari’. Wij zijn toch maar gaan lopen.