6. Strobedden en berenvellen

 

De volgende morgen besteedt Michiel veel tijd aan het leegstorten en weer inpakken van zijn kledingtas. De schoudertas die precies in een motorkoffer past, staat op zijn bed. Al zijn kleren liggen op een hoop ernaast. Eén voor één neemt hij ze in zijn hand, maakt er een keurig propje van, kijkt peinzend rond in zijn tas op zoek naar het goede plekje en duwt de sok, onderbroek of het T-shirtje op de plaats waar die hoort. Wanneer hij na een half uur wikken, wegen en inpakken klaar is, zet hij de tas bij de deur. Klaar om te vertrekken.

“Gaan we eten?” vraagt hij opgewekt.

Voor het inpakken was hij nauwelijks aanspreekbaar. Zwetend lag hij in zijn lakens geklemd toen ik hem om acht uur wakker probeerde te maken. Hij deed even zijn ogen open, maar zakte meteen daarna weer weg. Trieste trekken flikkerden rond zijn mondhoeken, met af en toe het begin van een angstig lachje. Ik aaide hem door zijn haren en liet hem nog maar even slapen terwijl ik zelf onder de douche stond en mijn spullen inpakte. Ik legde onze motorpakken, helmen en handschoenen klaar en maakte hem nog een keer wakker. Toen ging het beter. Hij veegde wat zweet van zijn bovenlip en ging met en bleek gezicht overeind zitten.

“Naar gedroomd?” vroeg ik.

In plaats van te antwoorden staarde hij naar een punt ergens achter me op de muur. Beetje voorover gebogen op het bed, smalle schouders naar beneden. Ik zette zijn tas naast hem op het bed.

“Doe daar je pyjama maar in, je motorpak ligt al klaar. Je sokken en onderbroek van gisteren kunnen nog wel een keer aan, anders moeten we te vaak wassen onderweg.”

Hij knikte en begon één voor één al zijn kleren uit de tas te halen.

 

Tijdens het ontbijt bestuderen we de kaart. Michiel wil zo nauwkeurig mogelijk de Noordzeeroute voor fietsers volgen. Onze eerste overnachting na Boulogne sur Mer is in Eperlecques, een kilometer of zestig landinwaarts. Wat voor overnachtingsadres we daar hebben, weet ik niet precies. Het telefoonnummer stond in het fietsgidsje, maar toen ik het draaide, kreeg ik allemaal vage figuren aan de lijn die mij van de een naar de ander verwezen. Uiteindelijk kreeg ik een mevrouw Pauwels, die zei dat het goed was, de nacht van 9 op 10 juli. Om uit te vissen of ze nu een hotel had, of gewoon kamers verhuurde, of misschien alleen een hooiberg over had, was mijn Frans niet toereikend.

“Het kan wel eens erg primitief zijn”, zeg ik bij het stokbrood met een plastic bakje jam ernaast dat we voor ontbijt hebben gekregen.

“Met strobedden en berenvellen?” vraagt Michiel, die vol afgrijzen in het harde stokbrood knijpt en het drabberige rode prutje in het bakje ernaast bekijkt. “Hebben ze hier ook gewone melk?”

“Ik zal het vragen, maar het is waarschijnlijk gesteriliseerd. Niet de melk die wij thuis hebben.”

“Laat dan maar”, zegt hij.

Ik wijs hem op de kaart waar Eperlecque ligt. “Zullen we eerst een stuk langs de kust rijden en dan het binnenland in?” vraag ik.

“Hoe gaat de route?” vraagt Michiel.

“Die gaat vanaf Boulogne sur Mer meteen het binnenland in, maar wij hebben tijd genoeg. We kunnen best een stukje langs de zee rijden. Kijk hier, naar Kaap de Grijze Neus en Kaap de Witte Neus.”

“Wat bedoel je nou weer?”

“Dat staat hier. Cap Gris-Nez en Cap Blanc-Nez. Dat betekent witte neus en grijze neus. Ik weet ook niet waarom dat zo heet.”

“En gaan we dan daarna weer naar de route?”

Een kilometer of tien boven Cap Blanc-Nez slingert een klein weggetje naar het zuidoosten, om daar aan te haken op de fietsroute. Ik laat het Michiel zien. Die knikt tevreden. “Oké.”

We spreiden de kaart van Noord-Frankrijk op de ontbijttafel uit en kleuren de route die we hebben bedacht met de groene magic marker.

 

De weg die we volgen langs de kust, richting Calais, is precies goed voor de motor. Hij slingert in prachtige bochten over glooiende heuvels, die ons op hun toppen telkens mistige vergezichten bieden over het Nauw van Calais. Het is rustig op de weg. Af en toe een haastige bewoner van de streek. Het is hier een regionaal park, zie ik op de borden, maar toeristen zijn er nauwelijks. Bij Cap Gris-Nez volg ik, tegen onze plannen in, een afslag naar een hoge bergpunt met een uitkijkpunt vlak aan zee. De berg zelf is aan de zeekant volgebouwd met bunkers. Op het dak van de hoogste, staat een verrekijker. We gooien er wat geld in, maar zien nog steeds dezelfde mistige overgang tussen zee en lucht.

“Daar ligt Engeland ergens”, wijs ik.

“Ja, hoor”, zegt Michiel smalend.

“Ja echt. Misschien zelfs wel zo dichtbij dat je het bij wat helderder weer kan zien liggen.”

“Jo-os”, zegt Michiel met een geluid alsof al het geduld dat hij met mij moet opbrengen iets te zwaar begint te wegen. “Engeland ligt tegenover Nederland, niet tegenover Frankrijk.”

“O nee? O nee? En het Kanaal dan? En die boten dan die we gisteren in Boulogne zagen liggen? Waar gaan die dan heen?”

Hij zucht nadrukkelijk. “Boten”, zegt hij en maakt daarbij elke lettergreep los van de volgende, “boten kunnen ook de bocht om Jos.”

“Maar, maar”, ik kijk een beetje wanhopig om me heen. Ik dacht toch zeker te weten dat hier tegenover Engeland ligt. Ik loop terug naar de motorfiets om op de kaart te kijken, maar daar is het stuk zee waar volgens mij Engeland moet liggen, gebruikt om uit te leggen wat alles op de kaart betekent.

“We moeten thuis maar op je wereldbol kijken”, zeg ik als ik weer bij Michiel op het bunkerdak sta. De lucht is helder blauw en het licht is scherp. Boven de zee hangt een zachte nevel.

“Jij mag wel kijken”, zegt hij. “Ik weet het gewoon.”

We lopen een stukje de helling af. Het is hier behoorlijk hoog. Ver beneden ons zien we de golven wit omslaan. Eén van de bunkers waar we langs lopen heeft een ingang waar een paadje naartoe gaat. We lopen erheen en staan even aarzelend voor het donkere gat van het betonnen hol.

“Zullen we kijken?” vraag ik.

Michiel knikt, niet al te enthousiast. Ik moet bukken om naar binnen te kunnen lopen, maar eenmaal in de bunker kan ik rechtop staan. Op de grond liggen een paar lege pakjes sigaretten, een in elkaar geknepen bierblikje en een condoom, uitgesmeerd in het zand. We lopen om de rotzooi heen en kijken door een spleet in het beton naar buiten. Van de prachtige omgeving is niets te zien, alleen een stukje zee. Het is vochtig in de bunker. Van de warme zon die buiten aan een strakblauwe hemel staat, is hierbinnen niets te merken.

“Ik wil weer weg”,  zegt Michiel.

“Hier zat dan zo’n Duitse soldaat”, zeg ik en kijk nog eens rond naar wat zo’n jongen om zich heen had. Grijs beton. ‘Kill’, heeft iemand er met een spuitbus op geschilderd.

“Oké”, zeg ik en loop met Michiel naar buiten.

Zonder erover te praten, lopen we allebei meteen door naar de motorfiets. We doen onze helmen op die ik aan de handvaten naast het zadel had gehangen en trekken onze handschoenen aan. Ik ga op de motorfiets zitten, klap de zijstandaard in en kijk even naar Michiel. Hij kent de volgorde, stapt op de linker voetensteun, pakt me bij mijn schouders en slingert zijn rechterbeen over het zadel.

“Zit je?” vraag ik. Hij knikt. Rijden.

 

Via een weggetje vlak langs de kust komen we een half uurtje later in Wissant, een klein stadje met een oud fort vlak aan de zee. Zo klein als het stadje is, zo druk weten die Fransen met hun auto’s door de paar straatjes heen en weer te rijden. Luid toeterend en elkaar geen centimeter toegevend. Vlak buiten het stadje was vrijwel niemand op de weg, dus blijkbaar rijden ze hier allemaal rondjes om hun huis, kerk en café. Wij rijden daar ook heen en bestellen op een terras koffie en chocolademelk. We zitten vlak langs de enige doorgaande weg, waar de auto’s en camions in een onafgebroken rij langs schuiven. Raampjes open, blote armen naar buiten. Aan de tafeltjes naast ons wordt de dag stukgebeten met grote glazen bier en bedauwde kelken witte wijn. Aan de overkant van de straat staan grote cirkels brie op strooien matten in de zon te druipen.

“Wat is dat?” vraagt Michiel. De lucht is zelfs dwars door de uitlaatgassen heen te ruiken.

“Kaas”, zeg ik.

“In de zon?” vraagt hij verbaasd.

“Dat vinden ze lekker hier, als het een beetje begint te druipen.” We kijken hoe de kaasverkoper een stuk van de brie die het verst is uitgedropen voor een klant afsnijdt. De mevrouw houdt haar boodschappentas vol verwachting in haar handen geklemd.

“Ze kopen het ook nog”, zegt Michiel. Hij schudt zijn hoofd. “Bij ons zouden ze alleen maar klachten krijgen.”

 

Na de koffie en chocola lopen we de straat die zowel doorgaande route als centrum is op en neer om te zien wat voor winkels er zijn. Michiel loopt een beetje te sloffen op zijn motorlaarzen, maar halverwege staat hij plotseling stil. Computers. Aandachtig bekijkt hij de figuren die bij wijze van demonstratie op de uitgestalde beeldschermen trampoline-achtige sprongen maken.

“Is dat ook oud spul?” vraag ik.

“Nee”, zegt hij, zonder zijn ogen van de etalage af te wenden. “Dat is Delta Force two. Mogen we even naar binnen?”

We lopen de zaak in, waar een paar kinderen onderuit gezakt achter een toetsenbord zitten. Hun vingers gaan als schichtige muizen tekeer. Michiel kijkt naar wat een Frans jongetje van rond zijn leeftijd presteert.

“Is hij goed?” vraag ik.

“Nèèh. Level twee. Makkie.”

“Ken je dat spel?”

Hij kijkt me een beetje meewarig aan. “Natuurlijk, Jos. Dat is Tiberian Sun, dat kent iederéén.”

“Ah.”

 

Een minuutje of tien later lopen we weer op straat, terug naar waar we de motorfiets hebben geparkeerd. Aan de schaduwkant, want het is alweer behoorlijk warm aan het worden. De bakkerswinkel waar we langs lopen ruikt naar verse croissantjes en stokbroden.

“Nemen we er eentje?” stel ik voor en wijs op de etalage waar chocoladecroissantjes in een piramidevorm liggen opgetast. In de winkel staan vrouwen met schorten voor, te wachten op hun beurt en te kwebbelen in een onverstaanbaar soort Frans.

“Ik heb meer van jou dan van Floor, hè?” vraagt Michiel opeens.

“Ik geloof het wel”, zeg ik.

“Maar ook wel van Floor, hè?”

“Ja, natuurlijk”, zeg ik, “iedereen lijkt op zijn vader én zijn moeder.”

“Ja”, zegt hij, “want als Floor vroeger ergens op vakantie was, wilde ze er altijd blijven wonen. Dat heb ik ook.”

“Hier bijvoorbeeld?” vraag ik en maak een gebaar naar de geurende bakkerswinkel en de straat met de kazen, de computers en het terrasje.

“Ja”, zegt hij. “Toen ik met Floor vorig jaar in Griekenland was wilde ik dat ook. Maar als je daar naar school gaat, wordt je geslagen en zo. Toen wou ik het toch maar niet.”

“Deux croissants au chocolat”, zeg ik tegen de mevrouw. Ik spreek het, volgens mij helemaal zoals het hoort en met de bijbehorende Franse gebaren uit, maar moet mijn bestelling evengoed als een malloot nog eens komen aanwijzen. “Deux”, zeg ik en steek twee vingers in de lucht. Ze doet ze in een zakje, dat we op straat meteen in een prullenmand gooien. Met een sliert kruimels achter ons aan lopen we terug naar de motorfiets.

 

Bij Sangatte, een klein kustplaatsje net onder Calais, verlaten we de slingerweg langs de rotsen en stranden en rijden we het binnenland in van het ‘parc national region du nord pas de Calais Boulonnais’, zoals de borden langs de weg ons laten weten. Het is een tamelijk verlaten gebied, met af en toe een langgerekt en vrij troosteloos dorpje. Het is lekker rijden. Er zitten wat bochten in de weg waar we mooi in kunnen hangen en er is weinig ander verkeer. Ik kan nog steeds moeilijk geloven dat het midden in het vakantieseizoen is, want in dit gebied is daar niets van te merken. Maar ik heb weinig vertrouwen in het hotel waar ik de overnachting heb geboekt. De laatste paar dorpen waar we doorheen gereden zijn, waren die naam nauwelijks waard. Geen winkels, geen café, geen kerk, alleen een paar rommelige boerderijen met een tractor op het erf en een slaperige opa of oma op een houten keukenstoel onderuitgezakt in het zonnetje op de stoep. Een echt adres heb ik ook niet gekregen. ‘Chateau de Ganspette, fam. Pauwels, Eperlecques’, heb ik na het telefoongesprek genoteerd, maar dat kan voor hetzelfde geld verkeerd begrepen zijn, realiseer ik me nu. Thuis, maanden voor het allemaal echt gaat gebeuren lijken zulke details onbelangrijk. Hoe groot kan zo’n dorp helemaal wezen.

 

Eperlecques is inderdaad helemaal niet groot. Het is één straat om precies te zijn en hoe daar een hotel zou moeten zijn, begrijp ik niet. Het is er dan ook niet. Boerderijen zijn er wel, en een paar huizen van het strakke soort bouwstijl die je in Zandvoort en andere plekken waar het altijd waait ook aantreft. Hier waait het niet. Het is heet. Ik heb het erg warm in mijn motorpak en wanneer ik omkijk zie ik hoe Michiel met een hoogrode kleur het zweet van zijn bovenlip veegt.

“Ik weet het niet!” roep ik naar achteren.

Hij geeft geen antwoord. Ik kijk nog eens goed op het vel papier waar ik voor we vertrokken al onze overnachtingsadressen op het getypt. Maar meer dan Chateau de Ganspette wil het niet worden. En het dorp heeft het een en ander, maar een Chateau hoort daar absoluut niet bij. Aan het eind van de straat maak ik een u-bocht en rij nog een keer heel langzaam terug. De straat heeft geen naam. Tenminste, hij heet gewoon hetzelfde als het dorp, Eperlecque. Inmiddels weet ik bijna zeker dat er nog maar een paar mogelijkheden over zijn. Of er is helemaal niets waar we kunnen overnachten en ik heb het helemaal verkeerd begrepen. Of na veel zoeken komen we ergens bij een familie vol lokale inteeltfiguren terecht, die ons grijnzend honderdvijftig frank afhandig maken voor een broeierige zolderkamer vol muggen en met vlooien in de dekens. Eten kan natuurlijk al helemaal niet, laat staan wat wijn drinken, of bier, waar ik inmiddels een grote behoefte aan heb.

Mooi motorverhalen
titlepage.xhtml
mooiemotorverhalen_split_000.htm
mooiemotorverhalen_split_001.htm
mooiemotorverhalen_split_002.htm
mooiemotorverhalen_split_003.htm
mooiemotorverhalen_split_004.htm
mooiemotorverhalen_split_005.htm
mooiemotorverhalen_split_006.htm
mooiemotorverhalen_split_007.htm
mooiemotorverhalen_split_008.htm
mooiemotorverhalen_split_009.htm
mooiemotorverhalen_split_010.htm
mooiemotorverhalen_split_011.htm
mooiemotorverhalen_split_012.htm
mooiemotorverhalen_split_013.htm
mooiemotorverhalen_split_014.htm
mooiemotorverhalen_split_015.htm
mooiemotorverhalen_split_016.htm
mooiemotorverhalen_split_017.htm
mooiemotorverhalen_split_018.htm
mooiemotorverhalen_split_019.htm
mooiemotorverhalen_split_020.htm
mooiemotorverhalen_split_021.htm
mooiemotorverhalen_split_022.htm
mooiemotorverhalen_split_023.htm
mooiemotorverhalen_split_024.htm
mooiemotorverhalen_split_025.htm
mooiemotorverhalen_split_026.htm
mooiemotorverhalen_split_027.htm
mooiemotorverhalen_split_028.htm
mooiemotorverhalen_split_029.htm
mooiemotorverhalen_split_030.htm
mooiemotorverhalen_split_031.htm
mooiemotorverhalen_split_032.htm
mooiemotorverhalen_split_033.htm
mooiemotorverhalen_split_034.htm
mooiemotorverhalen_split_035.htm
mooiemotorverhalen_split_036.htm
mooiemotorverhalen_split_037.htm
mooiemotorverhalen_split_038.htm
mooiemotorverhalen_split_039.htm
mooiemotorverhalen_split_040.htm
mooiemotorverhalen_split_041.htm
mooiemotorverhalen_split_042.htm
mooiemotorverhalen_split_043.htm
mooiemotorverhalen_split_044.htm
mooiemotorverhalen_split_045.htm
mooiemotorverhalen_split_046.htm
mooiemotorverhalen_split_047.htm
mooiemotorverhalen_split_048.htm
mooiemotorverhalen_split_049.htm
mooiemotorverhalen_split_050.htm
mooiemotorverhalen_split_051.htm
mooiemotorverhalen_split_052.htm
mooiemotorverhalen_split_053.htm
mooiemotorverhalen_split_054.htm
mooiemotorverhalen_split_055.htm
mooiemotorverhalen_split_056.htm
mooiemotorverhalen_split_057.htm
mooiemotorverhalen_split_058.htm
mooiemotorverhalen_split_059.htm
mooiemotorverhalen_split_060.htm
mooiemotorverhalen_split_061.htm
mooiemotorverhalen_split_062.htm
mooiemotorverhalen_split_063.htm
mooiemotorverhalen_split_064.htm
mooiemotorverhalen_split_065.htm
mooiemotorverhalen_split_066.htm