Parijs en Pyreneën
Het is de zondag van Pinksteren. Het is vier uur in de ochtend, koud en donker. Voor Janny is het geen vakantie als we Nederland niet via uitgestorven snelwegen achter ons laten. Nog voor we de stad uit zijn, heeft de politiecamera langs de provinciale uitvalsweg ons eerste vakantiekiekje genomen. Je mag daar een piepklein stukje vijftig vanwege een verkeerslicht, dat overigens ’s nachts niet werkt. Maar de bijbehorende camera dus wel, ontdekken we wanneer we er met een gangetje van rond de zeventig langs rijden.
Eenmaal op de snelweg richting Antwerpen ontmoeten we alleen een enkele andere moedige vakantieganger. De slaapzakken hoog opgetast tegen het achterraam van de auto. Kinderen op de achterbank staren met een duim in hun mond en nietsziende ogen naar de twee motorrijders die en tikje kleumend langsrijden. De dagen ervoor was het prachtig weer, wat de gedachte aan winterhandschoenen en dikke truien altijd wat abstract maakt. Tot de nevelslierten opstijgen uit de rivieren, later op de ochtend gevolgd door een kille motregen die tot in het noorden van Frankrijk aanhoudt.
De rondweg rond Parijs is op deze Pinksterzondag een makkie, al valt het niet mee om de vele gaatjes in het verkeer onbenut te laten, vanuit de wetenschap de we elkaar anders gegarandeerd kwijt raken. Janny op haar roodwitte Honda en met haar grijze helm op is tijdens zo’n vakantietocht als het ware in mijn rechterspiegel gebrand. We zijn samen en op onszelf tegelijk. Voor we vertrekken, wensen we elkaar op de stoep van ons huis een goede reis. Dit keer nog iets tederder dan anders, want als we terug zijn in Nederland gaan we trouwen. Een rituele handeling misschien, maar wel een die indruk maakt. Ik kijk nog eens in mijn spiegel.
Na Parijs merken we vooral aan het licht en de geuren in de lucht dat we het noorden achter ons laten. Later op de dag, wanneer we in een slaperig Frans stadje op een terrasje zitten, doet de zon ook mee. We zijn op reis. Ik kan het voelen in mijn rug. De ergste wanhoopsgedachtes voor het op reis gaan, zijn bij mij met het ouder worden verdwenen. Evenals de knellende vraag waarom, waarom. Waarom blijf ik niet gewoon thuis. Ik slaap zelfs gewoon de nachten voor we vertrekken. Maar onderin mijn rug nestelt zich op zulke momenten nog steeds een spanning die zich niet laat wegpraten. Ik voel het nog tijdens het rijden over de Van Brienenoordbrug, waar ik zeker weet dat mijn banden te hard zijn opgepompt. Maar zo ter hoogte van Antwerpen is het opeens over. In het Franse hotelletje met bloemetjesbehang tot onder de toiletpot, slaap ik dan ook als een rozige baby.
Maar goed ook, want de volgende ochtend moet ik mijn rug schrap zetten om samen met Janny haar Honda uit het grint te trekken waar achter het hotel een parkeerplaats mee is gemaakt. Janny parkeert gewoon en kijkt dan later wel weer verder. Met mijn GS kan ik me zulke luchtigheid niet permitteren, dus staat die keurig met zijn neus naar de uitgang die onderaan de grinthelling ligt. Kwestie van rustig laten zakken en ik rij zo naar buiten. Tot blijkt dat het hek aan deze kant van de parkeerplaats nog op slot is. Janny staat inmiddels al vrolijk ergens langs de weg op me te wachten. Mijn noodkreten kan ik net zo goed als steentjes in de lucht gooien. De zijstandaard kan ik niet gebruiken, dus zit er niets anders op dan wankelend in het grint afstappen, niet achter de koffers blijven haken, motorfiets overeind houden en hem tegen de helling op door het grint weer naar boven sleuren. Mijn rug kreunt, het zweet prikt onder mijn helm. Maar het lukt. Voorzichtig weer opstappen. Rustig met het gas vanwege dat ellendige grint en dan eindelijk het verlossende asfalt.
‘Waar bleef je nou?’ vraagt Janny als ik daar ben aangeland.
We rijden die dag zo’n zevenhonderd kilometer over een vrijwel lege péage, tot aan de Pyreneeën waar we overnachten in Luchon met uitzicht op onze beloning: de bergen.