10. Deftig
Terug in onze kamer, nemen we allebei een douche. Daarna scheer ik me, terwijl Michiel op bed langs de TV-kanalen ligt te zappen. Met glimmend gepoetste gezichten en natte haren, komen we even later in de grote eetzaal van het hotel. Het plaatselijk eetcafé bood ‘Potjesvlees’ als specialiteit, vrolijk gekalligrafeerd op een schoolbord aan de buitengevel, met als illustratie een pannetje met draadjesvlees zoals dat vroeger thuis de hele zaterdag stond te sudderen. ‘Hebben we voor de zondag een lekker stukje vlees.’ De geur was altijd vele malen lekkerder dan het vezelige materiaal dat uiteindelijk zoet werd van het lange kauwen dat nodig was om het te kunnen doorslikken. Geen ‘Potjesvlees’ dus en het enige alternatief is de eetzaal van het Abdijhotel. De andere bezoekers zouden in de oorspronkelijke omgeving niet misstaan hebben. Aan één tafel zitten vier vrouwen van een jaar of zeventig, met lange rokken en gloeiende wangen vanwege het euvele glaasje sherry dat ze vooraf hebben genomen. Aan de andere tafel zitten twee echtparen, die duidelijk besloten hebben er een leuke tijd van te maken, maar de zorgen niet helemaal thuis hebben weten te laten. Ze praten over de last van de hitte, de onoverzichtelijke bochten in de wegen en de prijzen in België in het algemeen en in de Belgische horeca in het bijzonder. Michiel kijkt met stijgende verbazing hoe de man die het dichtst bij hem zit zijn servet uitvouwt en met zuinige gebaren op zijn schoot drapeert. Alsof hij later de kruimels mee wil kunnen nemen.
Ik bestel cola voor Michiel en een halve fles rode huiswijn voor mezelf. Zonder erom gevraagd te hebben, krijgen we allerlei minuscule hapjes vooraf, op een bordje met een gouden rand erlangs.
“Zo, hé”, zegt Michiel, wanneer de glimlachende ober achteruitschrijdend verdwenen is. “Krijg je dat zomaar gratis?” Hij kijkt nog eens naar de tafel naast ons, waar na langdurig overleg een fles witte wijn is besteld. De ober ontkurkt hem ter plekke, schenkt een bodempje in voor de meneer die uiteindelijk de beslissing heeft genomen om tot de aanschaf over te gaan, en plaatst na het goedkeurende knikje de fles in een zilveren emmer met water en ijs.
“Wat is het hier deftig”, fluistert Michiel. Hij staat op van zijn stoel. Over de leuning heeft hij zijn sweater gehangen, want het is niet alleen deftig, het is ook warm. Hij drapeert de mouwen wat minder slordig naar beneden dan ze hingen en doet de rits dicht. “Dat staat een beetje beter.” Hij gaat heel keurig rechtop weer op zijn stoel zitten en neemt een slok cola. Hij houdt zijn glas met twee handen vast, maar steekt wel van beide handen zijn pinken omhoog. Daarna pakt hij zijn servet en legt dat met dezelfde gebaren als hij net naast zich zag op zijn schoot.
“Zijn dat ook vaders en moeders?” vraagt hij, met een knikje naar onze buren die voorzichtig van hun witte wijn nippen.
“Dat zou best kunnen”, zeg ik en ik klok mijn glas nog een keer vol met de rode huiswijn.
“Hoe moet dat dan”, vraagt hij achter zijn colaglas langs, “als dat je vader en moeder zijn en je moet een boer laten? Of een scheet?” Hij krijgt er tranen bij in zijn ogen, van het lachen. Van cola wordt hij altijd een beetje dronken. Ik heb dat met wijn. Samen giechelen we over de ober, die met een zwierige buiging de hamburger en patatjes met mayonaise voor hem op tafel zet. En over de nonnen (‘Ja, joh, het zijn vast nonnen, vertel mij wat’) aan het andere tafeltje die nu de sherry is gevolgd door een glaasje rode wijn (‘Kom op meid, we zijn toch met vakantie’) achter hun schielijk opgeheven hand hun tanden bloot lachen. Na zalm voor mij en een hamburger voor Michiel, bestellen we nog het dessert van de chef dat onder jaloerse blikken van de nonnen binnen wordt gebracht. Een enorm wit bord met gouden rand, bestrooit met poedersuiker en bedekt met allerlei soorten mousse en ijs.
“Jezus”, zegt Michiel. “Ik wist niet dat zoiets bestond.”
“Nee, jongen”, orakel ik een tikje zweverig van de wijn. “Dat, dát is nou het toetje van de chef!”
“Aha!” roept Michiel. Hij steekt net als ik in opperste geleerdheid zijn vinger in de lucht en rolt van het giechelen bijna van zijn stoel.
Wanneer we even later boven komen, zie ik voor het eerst dat de kamer een enorme wandschildering heeft, van een bos en een duiventil, die allebei in het echt bestaan als je uit het raam kijkt. Het maakt de oriëntatie er niet makkelijker op.
“Wist jij dat alles ook een keer op de muur staat?” vraag ik aan Michiel.
“Ja”, zegt hij en hij tikt erbij tegen zijn voorhoofd. “Rare jongens, die Belgen.”
Die nacht word ik veel wakker en kijk ik naar Michiel. Hoe hij in elkaar gekronkeld ligt te slapen. Meer op dan onder de dekens. En zijn pyjama steevast verkeerd om aan. Dat doet hij al sinds hij een jaar of vijf is, toen zijn moeder en ik uit elkaar gingen.