11. Zoete broodjes
De volgende morgen rijden we via Diksmuide naar Nieuwpoort, via een rustig slingerweggetje langs de IJzer. We volgen de rivier tot aan de kust. Aan het eind ligt Nieuwpoort. Het stadje doet Amerikaans aan. Een brede straat met winkels en benzinestations aan beide kanten en een tram in het midden, voert dwars door het stadje naar de zee. Het waait en het maakt de indruk alsof dat hier altijd zo is. We rijden eerst door naar het strand en dan langs dezelfde weg weer terug om in het centrum naar een apotheek te zoeken. Michiels ogen zijn rood en geïrriteerd van de rijwind en we kopen oogdruppels om het brandende gevoel te verzachten. Bij de bakker even verderop in dezelfde winkelstraat kopen we twee chocoladebroodjes, die we aan de overkant in de schaduw opeten. Daarna rijden we het stadje weer uit in de richting van waaruit we gekomen zijn. Langs de weg even voor Nieuwpoort, ligt de camping waar ik een trekkershut heb gereserveerd voor de komende drie nachten.
De camping is mij veel te groot. Michiel telt op de plattegrond bij de ingang ruim duizend kampeerplaatsen. Verder is er een groot restaurant, een zwembad, een sportzaal en een volwaardig winkelcentrum met een bakker, een slager, een supermarkt en een kleding- annex speelgoedwinkel. Zo hoort een camping te wezen, vindt Michiel. Op een plattegrond met een duizelingwekkende hoeveelheid kleine vakjes wijst de mevrouw achter de balie een route aan die, wanneer we hem op de motor proberen te rijden, al na de tweede bocht tussen tientallen vuilcontainers eindigt die als grafzerken bij elkaar staan.
Wanneer we voor de derde keer aan dezelfde rondrit dreigen te beginnen, zet ik de motorfiets in het gras en loop ik terug naar de balie voor nieuwe aanwijzingen.
“Ah wel, ja, dat is te zeggen nee, het klopt toch wel degelijk. Ik heb u gezegd dattu hier bij den eersten rij containers enen scherpen bocht naar rechts moette nemen en direct daarna enen flauwe bocht naar links met denen route mee en dan na het zesde contingent kampeerplaatsen direct na denen tweesprong de derden afslag van denen rotonde en dan pas, als u in het geheel niet meer verder kunt, exact, gelijk u zegt, bij het hek, daar neemt u het meest linkse pad dat u dan recht naar uwen recreatieverblijf zal leiden.”
“Aha.”
De trekkershut ligt vlak naast een kunstmatig meer. Het water is grijs en het waait er hard. We arriveren er uiteindelijk door een keer of vier kampeerders die met glimmende rode buiken voor hun caravan zitten om raad te vragen en tenslotte met de motorfiets maar gewoon dwars over het speelveld te rijden. Wanneer we de deur openmaken, komt ons een duffe lucht tegemoet van hout en textiel dat lange tijd wel vocht, maar geen frisse lucht heeft gekregen. In de hut is een houten tafel aan de zijwand bevestigd. Er omheen staan vier plastic stoelen zoals je die in de mindere bedrijfskantine aantreft. Op een eveneens aan de muur bevestigde formica plank staat een tweepits butagasstel. De rest van de hut wordt in beslag genomen door twee stapelbedden, van elkaar gescheiden door een triplex schot. De bedden hebben geen beddengoed. Wie een trekkershut huurt, brengt dat zelf mee. Op elk bed ligt wel een matras en een kussen, beide omkneld met een dikke plastic bekleding. Naast de voordeur heeft de hut een klein raampje en aan het voeteinde van de stapelbedden achter het schot zit nog een raampje. Verder bestaat de hut uit houten wanden met een houten puntdak erop.
“Aan welke kant van het schot wil jij?” vraag ik aan Michiel.
Hij loopt om het schot heen om de stapelbedden aan die kant te inspecteren.
“Moet ik aan de andere kant?” vraagt hij wanneer hij de bedden heeft gezien.
“Nee, dat moet niet.”
“Dan wil ik liever bij jou”, besluit hij.
“Oké. Wil je boven of onder?”
Hij laat zich eerst in het onderste bed rollen en klimt daarna via een houten trapje naar het bovenbed. Daar is bij het hoofdeinde een plankje bevestigd aan het triplex tussenschot.
“Geef je Kenny even?” vraagt hij. Ik rits zijn motortas open en haal er een plastic poppetje uit van een jongetje dat zich vrijwel helemaal verschuilt in de capuchon van zijn sweater. Kenny. In elke aflevering van Michiels favoriete TV-serie gaat Kenny dood (‘Is cool, joh’). Michiel zet Kenny op het plankje. Hij kijkt er even naar.
“Ik wil dit bed”, besluit hij.
Even later loopt Michiel op het speelveld voor de trekkershut mismoedig tegen de plastic bal aan te schoppen die ik voor hem gekocht heb in het winkelcentrum dat bij de camping hoort. Hij had op mij revanche willen nemen met tafeltennis, maar de hal waar de tafels staan is dicht. Evenals het hek rond de voetbalvelden, waar het echte werk gebeurt. Als ze open zijn tenminste, maar dat is niet zo en wat Michiel betreft is het leven klote. Met verveelde benen trapt hij tegen de bal, zijn gezicht naar de grond gekeerd omdat er toch niemand is om mee te spelen. Dat ik wel ‘wie scoort is kiep’ met hem wil doen, maakt het misschien alleen maar erger. Wanneer ik het voorstel, pakt hij met een zucht zijn bal van de grond en loopt er mee naar onze trekkershut. Daar laat hij zich in een van de plastic stoelen zakken, die ik buiten op het grasveldje heb gezet. Vanonder zijn net iets te lange haren kijkt hij de wereld in, terwijl hij de hakken van zijn gympen telkens stevig op de grond neer laat komen. Ik zit in de stoel naast hem en vraag me af wat we hier komen doen, op deze uitgestrekte camping, waar ik een plattegrond mee moet nemen om te kunnen pissen. Ik weet niet veel anders te bedenken dan met een dikke portemonnee naar het winkelcentrum gaan om een tas vol cola, chips, bier en zoete Belgische broodjes te kopen.