10. Maandag 20 juli
7.42 uur
De koppijn valt erg mee en mijn rug voelt beter dan in dagen het geval is geweest. De wijn zorgde er wel voor dat ik, eenmaal op bed, in een donkere schacht naar beneden gleed. Om daar rond twee uur ‘s nachts met bonzend hart weer uit omhoog te moeten klimmen. Klaar wakker en vol voornemens om nooit meer zoveel te drinken. Of in ieder geval niet zo schielijk.
Helaas zijn lang niet alle kleren droog geworden. De tent wel. Ik heb de tassen weer ingepakt en op de motor gebonden. Het regent nog steeds. Uit één van de motorkoffers moest ik eerst een laag water scheppen. De eetzaal is nu uitgestorven, maar evengoed is het buffet rijk voorzien. Ik neem sinaasappelsap en brood met kaas en ei. De eigenaar is ook zonder Rioja nog steeds vriendelijk. Hij maakt een blad vol traktaties klaar. Geroosterd brood, een gekookt eitje, thee en een sapje, een schaaltje met vlees en tot slot een bloemetje erbij. Wanneer het klaar is, verdwijnt hij er mee in de gang waar de hotelkamers liggen. Ongetwijfeld naar die ene lichte kamer met dat grote bed.
Na het eten vraag ik om de rekening. Een beetje verlegen lachend begint hij wat bedragen onder elkaar te zetten. Dan kauwt hij even op de achterkant van zijn pen en neemt een besluit. Hij verkreukelt het blaadje en pakt het strookje dat hij voor de afrekening met mijn credit card moet invullen. ‘Let’s say six hundred?’ zegt hij op een vragende toon, alsof hij mijn goedkeuring nodig heeft. Ongeveer honderdvijftig gulden, het dubbele zou me ook niet verbaasd hebben. ‘Fine’, zeg ik, waarna hij nog graag even wil zien hoe ik in godsnaam al die bagage op mijn motor heb gekregen. Wanneer hij alles bekeken heeft en zich de indeling in keuken, kleding en kampeerspullen heeft laten uitleggen, geeft hij me een hand en klopt me op mijn schouders om me veel sterkte in de kou en regen toe te wensen. Het lijkt er zelfs even op dat hij me een zoen wil geven. Blijkbaar ben ik niet de enige met fantasieën.
10.02 uur
Na Fredrika ben ik ongeveer honderd kilometer verder naar het westen gereden, om vervolgens bij Dorotea weg 45, die van noord naar zuid midden door Zweden loopt, te nemen, richting Strömsund en Östersund. Ik zit nu in het tuinhuisje van een door kunstnijverheid omringde oudere dame, die van haar ronde prieeltje een sommerkafe heeft gemaakt. Porseleinen kopjes met bloemetjes en ‘hembakt’ appeltaart. Helaas is het tuinhuisje steenkoud, wat niet precies is wat ik zocht omdat ik na een paar uur rijden alweer behoorlijk verkleumd begin te raken. Volgens de ochtendkrant in het hotel wordt het vandaag maximaal dertien graden, en zal een stevige zuidwester wind nieuwe regen brengen.
12.11 uur
Pauze in een wegrestaurant. Het landschap hier in het binnenland is aardiger dan aan de kust. De wegen zijn smaller en minder recht, de omgeving is heuvelachtig met hier en daar plukjes rode en gele houten huisjes. Elk huisje staat op zijn eigen groene grasheuveltje en naast elke voordeur steekt trots een netjes opgestreken Zweedse vlaggetje uit de gevel. Het is alleen zo verdomde koud en nat en in plaats van op de omgeving te letten, doe ik niet veel anders dan de lucht afspeuren naar iets lichtere plekken in het donkere grijs. Tot nog toe zonder resultaat.
Ik mis ook het contact met andere motorrijders. Zelfs hier in het Zweedse binnenland kom ik ze niet tegen. De enkele die ik onderweg zie, zijn duidelijk ‘lokaaltjes’, woon-werkrijders of jongens die in hun vrije tijd op hun scheurijzer rondjes om het dorp rijden. Ik zwaai nog wel naar ze, maar het gebaar is afgevlakt tot een routineus opgestoken vingertje.
Ook merk ik dat ik eigenlijk op zoek ben naar het warme Zweedse zomergevoel van wat een eeuwigheid gelegen lijkt, toen we met zijn allen hier waren. Inmiddels ben ik toch in de streken aangeland waar we toen zijn geweest, maar de bekende plaatsen lijken totaal anders, als ik ze al kan vinden. Nergens eerder had ik toen zo’n lieflijk landschap gezien en zulke vriendelijke mensen ontmoet. Nu is het grijs en nat en koud en al die bloemetjesvriendelijkheid hangt me eigenlijk danig de keel uit. Zo’n terugtocht valt niet mee. Nog zo’n 2.500 kilometer te gaan, schat ik.
18.50 uur
Het eten is uitstekend in het ‘Värdshus’ in het plaatsje Öja, een kilometer of tien ten zuidoosten van Mora. De tent staat hier op een camping op loopafstand, waar ik eigenlijk helemaal toevallig terechtkwam op het moment dat ik dacht eerst maar eens een hapje te gaan eten. Daarvoor was ik wezen kijken bij een camping in Orsa, net boven het grote Siljan-meer. Er gebeurde precies hetzelfde als die keer toen we hier met zijn allen waren. Nog voor ik de ingang van de camping helemaal bereikt had, zei ik al ‘oh, nee’. En meteen wist ik weer dat we toen bij precies dezelfde camping precies zo hadden gereageerd. Hij is zo’n groot, luxe gedoe met onder de naam een rijtje sterren, en overal bungalowtenten en bikinidames met getaand bruin vel. Het soort camping waar ik niet wil wezen. In dat opzicht is er blijkbaar niet veel veranderd. De camping waar ik nu sta is klein en vriendelijk, met als enige nadeel dat het leidende echtpaar Nederlands is en erg praatgraag.
Het weer is eindelijk een beetje opgeknapt. Er schijnt nu in de avond zelfs een echt zonnetje over de bemoste stenen en het schilderachtige meertje. Het is ongetwijfeld erg mooi, maar ik begin er een beetje doorheen te raken. Ik ben moe. Ik wil eigenlijk niets meer. Niet verder gaan, niet thuis zijn en al helemaal niet hier blijven in deze Achterhoek die maar van geen ophouden weet.
De kok van het Värdshus is ondertussen een echte Zweedse lekkernij komen brengen: een gele bes, de utron, die alleen in het noorden een paar weken per jaar in het wild geplukt kan worden. Met zijn witte muts en dikke buik blijft hij in blijde verwachting naast mij staan om te horen wat ik er van vind. Lekker. ‘Heerlijk zelfs’, zeg ik. Gelukkig. Glimlachend van trots op zijn land gaat hij terug naar zijn keuken.
Ook de beheerder van de camping is trots op Zweden, al komt hij zelf uit Boskoop of daaromtrent. De camping is van de kerk, vertelt hij stralend. Baptisten zijn het en of ik wil of niet laat hij me hun kapel zien. Het valt niet te ontkennen: het is allemaal prachtig. Zacht gepenseelde schilderijen van dansende mensen rond de meiboom, grasvelden met voorjaarsbloemen, bomen vol bloesem en bijna onopvallend ergens een Christus aan het kruis. Bloedend uit al zijn wonden, maar temidden van al die zoetigheid zou je het bijna over het hoofd zien. Daarna laat hij me de douches zien die de kerk voor de campinggasten heeft aangelegd, en het glanzend geboende houten eetzaaltje waar ik morgen kan ontbijten. Ik hoef me alleen maar even op te geven. En vijftig kronen te betalen, glimlacht hij, overlopend van vriendelijkheid.
Ik krijg het nogal benauwd van dit Beloofde Baptistenland. Ik ken het iets te goed. Een paradijs vol warmte en genegenheid, maar het is net als bij de altijd-ver-weg-bergen in het hoge noorden. Eeuwig aanlokkelijk, maar je komt er nooit. In het gewone dagelijkse leven is je zieltje nooit rein genoeg en blijf je paters en vaders naar de ogen kijken in de ijdele hoop op een teken van welbehagen.
Via Arnoud en de mobiele telefoon eindelijk bericht van Mirjam en Michiel. Ze zijn gezond en wel en op de terugweg naar huis.