9. Zondag 19 juli

 

9.03 uur

 

Het regent onophoudelijk. Ik zit in de eetruimte die bij de campingkeuken hoort en tuur uit het raam om te zien of er enige kans is dat het binnenkort droog wordt. Die is er niet. Alles is massief grijs. De rode stuga’s druipen van de regen, op het gras staan diepe plassen. De werkstudent heeft het schuifraam van de kiosk dicht gedaan. Tien minuten geleden ben ik door de regen naar de tent gelopen om de motor op te halen en die op een strook asfalt naast de kiosk te parkeren. Als het gras nog natter wordt, ben ik bang dat ik hem er niet meer uit krijg. Ik wil de tent liever niet zo nat inpakken, dus besluit ik eerst maar naar het stadje te rijden. Gisteren was de betaalautomaat van de bank buiten werking. Misschien doet hij het vandaag. Kan ik meteen ergens koffie drinken.

 

9.25 uur

 

Het resultaat van de tocht naar het dorp is dat ik nat ben geworden. Verder niet. De betaalautomaat gaf nog steeds geen geld. De pizzeria en grill waren dicht. En het benzinestation had geen koffie. Terwijl ik weer in de eetruimte van de campingkeuken zit, komt de man van het echtpaar uit de stuga in de keuken koffie zetten. Ik heb oploskoffie en een pannetje om water te koken in mijn tas in de tent, maar ik zie op tegen het gezoek en de rotzooi die ik met mijn natte kleren in de tent zal maken. En dan daarna de ellende van alles weer in de tas te moeten proppen.

 

Ik loop nog maar eens naar het raam in de hoop dat ik een lichte plek in de lucht over het hoofd heb gezien. Dat blijkt niet zo te zijn. Als ik nu een boek bij me had gehad, zou ik misschien overwegen om hier maar te blijven tot het droog wordt. Alhoewel. Het idee om misschien een hele dag naar een rijtje stuga’s en een werkstudent in een houten kiosk te moeten kijken, is niet echt aantrekkelijk.

 

10.35 uur

 

Uiteindelijk pak ik toch alles maar in. Met een paar snelle ritten haal ik eerst de bagage uit de tent. In de eetruimte pak ik alles in de tassen en daarna bindt ik die op de motor. Dan de tent. In de eetruimte schuif ik de tafels en stoelen aan de kant en leg de tent op de grond om hem op te vouwen. Dat had ik net zo goed buiten kunnen doen, want inmiddels is alles doornat geworden. Net als de grond van de eetruimte. Wanneer ik de tent heb ingepakt en op de motor gebonden, komt de werkstudent met zijn emmer en dweil aansloffen. Vanuit zijn kiosk zal hij het allemaal wel gevolgd hebben, constaterend dat dit werk voor hem betekende.

 

Hij kijkt niet verwijtend, wel een beetje droevig, maar dat deed hij daarvoor ook al. Ik geef hem wat kronen voor de overlast die ik heb bezorgd en hij begint zowaar te lachen. Met een tevreden grijns bergt hij het geld op. Buiten regent het nog steeds. Gewoon maar gaan rijden, lijkt me het beste.

 

12.00 uur

 

Eindelijk iets gevonden om koffie te drinken en wat te eten. Onderweg ben ik een paar keer een benzinestation binnengereden, maar behalve wanneer je met een boodschappenkarretje langs rekken vol wasmiddelen wilt dwalen, heb je daar weinig te zoeken. Voor een kop koffie ben je in ieder geval aan het verkeerde adres. Na lang zoeken hadden ze bij één benzinestation een automaat waar je als supermarktklant gratis koffie kon tappen. En als benzineklant dus ook. Bovendien zag ik er zo koud en nat uit, dat de mevrouw achter de balie me eigenlijk alles wel cadeau had willen doen. Ze wilde ook graag weten waar ik vandaan kwam en op die ‘motorcykel’ allemaal geweest was. En of dat niet allemaal verschrikkelijk koud was geweest.

 

De stad Umeå waar ik daarna arriveer is inderdaad nat en koud. Ik rijd door de buitenwijken en in dit deel van Zweden zien die er uit zoals de nieuwbouw bij ons van net na de oorlog. Veel hoge bakstenen gevels en een loflied op het aluminium. Het soort buurten waar ik ben opgegroeid. Open portieken met hoge stenen trappen. Beneden zijn gleuven in het baksteen uitgespaard bij wijze van brievenbus. Het is de omgeving die heel bekend is, maar nooit vertrouwd is geworden. Het centrum van het stadje zal er misschien heel anders uitzien, maar ik heb geen zin om over glibberige keien en tramrailsen die vol water staan de weg daarheen te zoeken. Verder dus.

 

Na Umeå verlaat ik de route die ik me bij het plannen van de reis had voorgenomen. Ik zou helemaal langs de Botnische Golf terug naar het zuiden gaan en zo als het ware een groot rondje langs twee zeeën maken. Maar aan de oostkust is het me veel te saai. Van de zee krijg ik nauwelijks iets te zien en de kustweg is zo recht en goed onderhouden dat ik op mijn tanktas in slaap dreig te vallen. Het landschap doet nogal Nederlands aan: riet, gras, kabbelend water en dennenbossen, veel dennenbossen. Daarom besluit ik terug te gaan naar het binnenland, richting Strömsund en Östersund, naar een deel van Zweden dat ‘Jämtlands Län’ heet, een naam die klinkt naar grote beloftes. Toen ik met haar in Zweden was, stond het in ieder geval voor onbereikbare ruigheid. Na de gelikte supermarkten en keurige wegen van de oostkust, zal dat voor mij misschien de sfeer van het noorden weer wat terugbrengen. Dacht ik, maar voorlopig brengt het vooral nog veel meer regen.

 

Wanneer ik mijn warme trui uit de motorkoffer haal, merk ik dat de kleren in mijn tas aan één kant nat zijn geworden. Dat is een flinke tegenvaller, want tot nu toe functioneerden mijn koffers en Ortliebtas perfect.

 

15.07 uur

 

Ik ben ruim honderd kilometer verder en heb ingecheckt in een soort jeugdherbergachtig hotel in Fredrika, zo’n 170 kilometer landinwaarts vanaf Umeå. Het is een dorpje vol Pipi Langkoushuizen, met houten veranda’s en pastelkleurig schilderwerk. Ik heb het niet echt vrijwillig uitgekozen. Na urenlang door de regen te hebben gereden, wist ik eigenlijk niet goed meer wat ik moest doen. Doorrijden in de hoop dat het verder naar het westen beter zou worden. Of stoppen omdat ik zo koud en nat was geworden dat ik alleen nog maar in een warme omhelzing wilde uithuilen. Uiteindelijk hoefde ik niet te kiezen. Mijn benzinemeter stond tegen het rode gebied aan en langs de weg kwam ik nergens een benzinestation tegen. Om niet in de gietende regen op zondagmiddag in de grijze verlatenheid van weg nummer 92 te stranden, ben ik bij het bord Fredrika van de weg afgegaan.

 

Ik hoopte dat er in het dorp een benzinepomp zou zijn. Die was er ook, maar de supermarkt waar hij bij hoorde was gesloten. Bij het begin van het dorp had ik een bordje ‘camping’ gezien, dus reed ik terug om die te zoeken. De tent opzetten zag ik niet zitten, maar volgens het bord langs de weg hadden ze ook stuga’s. Achter de balie van het kantoortje stond een zachtaardig ogende puber een blikje cola te drinken. ‘Ik wil graag een stuga huren’, zei ik. Toen ik dat in verschillende talen een paar keer herhaalde, antwoordde hij wat ik zelf ook al had kunnen bedenken. Er waren helemaal geen stuga’s op deze camping. Ze moesten nog gebouwd worden, vertelde hij behulpzaam. Volgend voorjaar zouden ze zeker klaar zijn. Ik vroeg of er nog ergens anders een camping was. Die was er niet. En of er een benzinestation was. Dat was er wel, knikte hij blij, maar helaas vandaag gesloten. ‘Ah, ja’, zei ik. ‘Maar er is wel een hotel’, vertelde de jongen. Inmiddels wilde hij erg graag iets voor me doen. Als het echt nodig was, kon hij ook nog wel ergens benzine voor me te pakken krijgen, bood hij aan. Ik koos voor het hotel. Vooral toen ik zo in zijn warme, droge kantoor stond, merkte ik dat ik eigenlijk niet meer verder wilde. ‘Als het maar niet te duur is’, zei ik. Maar dat was het niet, verzekerde hij me.

 

Terug op het modderpaadje volgde ik de route die hij me gewezen had. Erg ingewikkeld was het niet. Het dorp bestaat uit twee straten, die haaks op elkaar staan. Het hotel is op de kruising. Ik parkeerde de motor en liep naar binnen. Na een paar keer bellen ging de deur van de keuken open en een man van een jaar of vijftig kwam naar me toe. ‘U bent erg nat’, constateerde hij en glimlachte zoals oudere homomannen dat wel vaker naar mij doen. De prijs van de kamer kon me eigenlijk niet meer zoveel schelen. Achter hem zag ik nog een tweede man van ongeveer dezelfde leeftijd, met een glimmend kaal hoofd, die achter een grote bakplaat vlees stond klaar te maken. ‘Ik wil hier slapen’, zei ik, ‘en eten.’ De man die uit de keuken was gekomen, pakte een sleutel en liep met me mee.

 

Ook dit gebouw doet meer aan een internaat denken dan aan een hotel. Aan de ene kant van de hal is een soort eetzaal, met formica tafels en houten stoelen. Aan de andere kant is een betegelde gang met kamers. Mijn kamer ligt in het midden, recht tegenover de douches en wc’s. Het is een lichte, schone kamer, met uitzicht op de achtertuinen van een rijtje Pipi Langkoushuizen. De vloer is van glanzend geboend linoleum en over het ijzeren eenpersoons bed ligt een gehaakt sprei.

 

Wanneer ik mijn motorpak uittrek, blijkt dat de gore-tex motorbroek die me nog nooit in de steek heeft gelaten er dit keer niet meer tegenop kon. De joggingbroek die ik eronder draag is vanaf mijn scheenbeen tot boven mijn knieën nat geworden. Ik hang mijn motorpak op twee hangertjes te drogen en haal mijn bagage van de motor. Eén van de koffers heeft flink gelekt. Er staat een laag water in en vrijwel alle kleding die er in zit, is nat geworden. In de Ortliebtas waar de tent in zit, staat ook een laag water, maar dit komt niet van buiten. Wanneer ik de tentzak eruit haal, loopt de regen van vanochtend er in straaltjes uit.

 

Eerst zit ik een tijdje besluiteloos met alle natte spullen om me heen in de hotelkamer. Dan loop ik naar de balie. ‘Of course’, zegt de man, wanneer ik vraag of hij misschien een plek heeft waar ik mijn tent kan drogen. Via een brede stenen trap komen we in een souterrain. Hij laat me een ruimte zien, waar een plastic kerstboom staat en waslijnen hangen. Die mag ik gebruiken. Wanneer we weer naar boven lopen, komen we langs een deur met een bordje ‘sauna’ erop. Op dit moment kan ik me weinig heerlijkers voorstellen. Mijn rug doet weer behoorlijk pijn, ik ben door en door koud, en de hitte van een sauna gaat dit allemaal met grof geweld bestrijden. Maar het is zomer en uiteraard is hij niet aan. De man aarzelt even, wanneer ik hem vraag of hij hem aan kan zetten. Maar dan knikt hij. ‘Kom over een uur maar naar beneden’, zegt hij, ‘dan is hij heet.’

 

Een uur later zit ik op het houten bankje van de sauna. Ik heb mijn handdoek er eerst op moeten leggen, het hout is te heet om zo op te zitten. Ik doe wat water uit een houten emmer op de gloeiende stenen van de saunakachel en meteen schiet de temperatuur verder omhoog. Ik wist niet dat ik hier zo naar verlangde. Het voelt alsof de hitte met dunne vingers mijn lichaam binnendringt. Even denk ik dat ik het niet meer volhoud, maar dan breekt overal tegelijk het zweet naar buiten en wordt de warmte als een jas om in te wonen.

 

18.03 uur

 

In de eetzaal van het hotel is het onwaarschijnlijk druk. Groepen pubers eten worstjes met patat. Er zitten hele gezinnen, met peuters in de kinderstoel, opa en oma knikkebollend ernaast en de rest achter de schnitzel met gepofte aardappelen. Fredrika kan onmogelijk al deze klandizie leveren, meer dan een huis of tien ben ik niet tegengekomen.

 

Het eten gaat hier volgens het beproefde Zweedse systeem: een horecavariant die een minimum aan gedienstigheid koppelt aan een soort huiskamergevoel. Al het eten en drinken staat verspreid over de eetzaal uitgestald. Pannen met groenten, aardappelen en vlees. Een tafeltje met koffie, thee en zoetigheid. Een koeling vol cola, vruchtensappen en lat øl. Iedereen pakt wat hij hebben wil. Als er iets gebakken of gebraden moet worden, roep je de kok en die regelt het voor je. Wanneer je klaar bent, loop je naar de kassa, je vertelt wat je gegeten en gedronken hebt, en je rekent af.

 

Bij de kok met het kale hoofd bestel ik een varkenshaasje met friet en aan de man die me de sleutel gaf, vraag ik of hij misschien ook wijn heeft. ‘Dat heb ik’, zegt hij trots, ‘wil je een glas of een fles?’ Ik denk een fles, maar ik bestel een glas. Alsof we een stilzwijgende afspraak hebben, komt hij dat gelukkig zo om de tien minuten ongevraagd bijvullen met de uitstekende Rioja die hij ergens voor mij vandaan heeft getoverd. Wanneer ik de hoofdschotel nog een keer bestel, is de fles inmiddels half leeg. Hij zet hem naast mijn  bord, zodat ik verder zelf in kan schenken.

 

Het wordt er allemaal erg gezellig van. Een dorpsjongetje met een braniepet komt al voor de vierde keer wat natgeregende munten overhandigen in ruil voor snoep, dat hier ook verkocht wordt. Het is blijkbaar een soort regionaal buurtcentrum, want achter elkaar komen er groepjes mensen binnen om te eten, te drinken en te kletsen. Ik schenk nog een glas Rioja in en krabbel in mijn notitieboekje.

 

De letters worden steeds kronkeliger. Buiten regent het, de bomen zwiepen heen en weer onder een gure wind. Maar binnen is het heerlijk warm. Stoelen schrapen over de houten vloer. Schoenen klossen over de veranda aan de voorkant van het gebouw, waar de gasten met hun stationcars en pick ups arriveren. Overal klinkt het zangerige ‘hé-hé’ en ‘hé-do’, waarmee de Zweedse families elkaar begroeten en gedag zeggen. Ik zou hier best kunnen blijven wonen, bij die twee mannen. Beetje helpen in de keuken, de kamers schoonhouden. En ‘s nachts mag ik misschien wel tussen hen in, in het tweepersoonsbed dat ze ongetwijfeld ergens hebben staan in een mooie lichte kamer met uitzicht over de tuinen. Zijn kale vriend de kok kijkt nog een beetje stuurs, maar de andere man komt al gezellig aan mijn tafel zitten om te vragen of ik ergens nog wat van wil. Ik schenk de laatste druppels uit de fles Rioja en zie uitsluitend nog glimlach op zijn gezicht. Ik weet dat ik hier morgen voor zal moeten boeten, met geld en koppijn. Het kan me geen bal schelen.

Mooi motorverhalen
titlepage.xhtml
mooiemotorverhalen_split_000.htm
mooiemotorverhalen_split_001.htm
mooiemotorverhalen_split_002.htm
mooiemotorverhalen_split_003.htm
mooiemotorverhalen_split_004.htm
mooiemotorverhalen_split_005.htm
mooiemotorverhalen_split_006.htm
mooiemotorverhalen_split_007.htm
mooiemotorverhalen_split_008.htm
mooiemotorverhalen_split_009.htm
mooiemotorverhalen_split_010.htm
mooiemotorverhalen_split_011.htm
mooiemotorverhalen_split_012.htm
mooiemotorverhalen_split_013.htm
mooiemotorverhalen_split_014.htm
mooiemotorverhalen_split_015.htm
mooiemotorverhalen_split_016.htm
mooiemotorverhalen_split_017.htm
mooiemotorverhalen_split_018.htm
mooiemotorverhalen_split_019.htm
mooiemotorverhalen_split_020.htm
mooiemotorverhalen_split_021.htm
mooiemotorverhalen_split_022.htm
mooiemotorverhalen_split_023.htm
mooiemotorverhalen_split_024.htm
mooiemotorverhalen_split_025.htm
mooiemotorverhalen_split_026.htm
mooiemotorverhalen_split_027.htm
mooiemotorverhalen_split_028.htm
mooiemotorverhalen_split_029.htm
mooiemotorverhalen_split_030.htm
mooiemotorverhalen_split_031.htm
mooiemotorverhalen_split_032.htm
mooiemotorverhalen_split_033.htm
mooiemotorverhalen_split_034.htm
mooiemotorverhalen_split_035.htm
mooiemotorverhalen_split_036.htm
mooiemotorverhalen_split_037.htm
mooiemotorverhalen_split_038.htm
mooiemotorverhalen_split_039.htm
mooiemotorverhalen_split_040.htm
mooiemotorverhalen_split_041.htm
mooiemotorverhalen_split_042.htm
mooiemotorverhalen_split_043.htm
mooiemotorverhalen_split_044.htm
mooiemotorverhalen_split_045.htm
mooiemotorverhalen_split_046.htm
mooiemotorverhalen_split_047.htm
mooiemotorverhalen_split_048.htm
mooiemotorverhalen_split_049.htm
mooiemotorverhalen_split_050.htm
mooiemotorverhalen_split_051.htm
mooiemotorverhalen_split_052.htm
mooiemotorverhalen_split_053.htm
mooiemotorverhalen_split_054.htm
mooiemotorverhalen_split_055.htm
mooiemotorverhalen_split_056.htm
mooiemotorverhalen_split_057.htm
mooiemotorverhalen_split_058.htm
mooiemotorverhalen_split_059.htm
mooiemotorverhalen_split_060.htm
mooiemotorverhalen_split_061.htm
mooiemotorverhalen_split_062.htm
mooiemotorverhalen_split_063.htm
mooiemotorverhalen_split_064.htm
mooiemotorverhalen_split_065.htm
mooiemotorverhalen_split_066.htm