San Sebastian
De volgende dag rijden we naar San Sebastian. De bakermat van de tapas en dat is te merken. In elk café staan op de bar onwaarschijnlijke hoeveelheden kleine broodjes met Spaanse ham, ansjovisjes samen met een olijf aan een stokje gespiest, stukjes stokbrood met eiersalade en een flinke roze garnaal, grote champignons gevuld met fijngestampte uitjes en knoflook, stukjes chorizoworst en allerlei andere hapjes waarvan we de ingrediënten niet zo snel thuis kunnen brengen. De witte wijn die we er in bedauwde glazen bij krijgen, kost nauwelijks meer dan een glas water. Wat een land.
Voor het zover was, reden we ’s morgens eerst via het rode land van de Rioja naar Pamplona. Het was daar zo mooi en de weg zo lekker bochtig, dat we er ruzie van kregen. Ik rijd graag een beetje door, zeker als er fijne bochten zijn met van die blauwe snelheidsbordjes erbij die niet meer dan een vriendelijke aanbeveling zijn. Ondertussen geniet ik heus wel. Ik roep zelfs regelmatig ‘wauw’ in mijn helm, zoals bij een dorp dat bij het ronden van een bocht opeens als uit de grond getild voor me staat. Janny vindt dat ook prachtig en wil dus langzaam rijden, stilstaan, foto’s maken en ‘wauw’ zeggen zonder helm op. Dat probeerde ze ook met lichtsignalen, toeteren en zwaaiende armen duidelijk te maken. Maar toen was ik al tien bochten verder. Waarna ik natuurlijk netjes stopte, maar op een of andere manier voldeed dat toen niet meer.
Dat werd er bij het binnenrijden van San Sebastian niet echt beter op. Mijn vader heeft mij geleerd om tijdens het reizen aan alles en iedereen te wanhopen. Een les die telkens onverwacht veel vruchten afwerpt op het moment dat ik tussen ongeduldige vrachtwagens, sissende stadsbussen, toeterende taxi’s, stinkende brommertjes, telefonerende Mercedessen en winkelende Japannertjes een weg moet zien te vinden die ik niet ken en ook nooit zal weten. Bezweringsformules van uit het hoofd geleerde straten en op de tanktas bevestigde routes worden overruled door laconieke borden met eenrichtingsverkeer of woest fluitende verkeersagenten. Janny doet dat heel anders. Die werpt een vluchtige blik op de kaart, rijdt zo’n beetje zoekend in de richting die ze in haar hoofd heeft (hoezo richting?), vraagt het hier of daar eens en stopt vervolgens voor mij totaal onverwachts voor de deur van het hotel of pension dat de Lonely Planet als best buy had geadviseerd.
Enkele vakanties terug hebben we daarom al besloten dat zij in steden voorop rijdt vanwege haar overtuigende stressbestendigheid. Toch is die ook bij haar niet zonder einde, want wanneer ik duizelig van het rondcirkelen rond de autovrije binnenstad waar ergens in één van die vele hobbelige en verboden straatjes ons pensionnetje zich stevig verborgen houdt bij een stoplicht vraag waar het nou toch zou zijn, barst met een ‘Dat weet ik toch ook niet!’ de bom. Om de feestvreugde te verhogen komt onmiddellijk een waarschijnlijk nog onder Franco opgeleide Guardia Civil aanlopen om ons toe te schreeuwen dat we daar niet mogen blijven staan. Nergens trouwens. En ‘No!’, hij spreekt geen Engels en de in wanhoop opgehouden plattegrond wenst hij al helemaal niet te bekijken. ‘Fuck you!’, wens ik hem toe. Geen Engels toch? Maar ‘Dat is nou echt stom’, weet Janny meteen. Wat natuurlijk waar is en alleen goed afloopt omdat hij blijkbaar echt geen woord Engels verstaat.
Kortom: we zijn erg blij met elkaar, evenals met de pensionhoudster bij wie ik de avond ervoor via de telefoon een kamer heb gereserveerd. Wanneer we eindelijk haar voordeur hebben gevonden en onze bagage daar naartoe hebben gedragen omdat we inmiddels geen enkele regel meer durven te overtreden, is er geen mevrouw, maar alleen een briefje met een telefoonnummer. Wanneer we dat bellen, roept iemand in een soort Spaans Engels dat alles vol is. Mijn ‘reservado, reservado’ komt pas na flink aanhouden over. We hebben vervolgens weliswaar een kamer, maar zullen tot het eind van de middag moeten wachten voor ze ons daar in zal laten. Eerst eten en siësta. Mijn weerstand is inmiddels allang gebroken. Oké, oké, geen probleem. We laten ons op haar stoepetje op de grond zakken, trekken onze motorlaarzen uit en besluiten voorlopig geen stap meer te verzetten.