1. Zaterdag 11 juli
02.00 uur
Ik kijk op de grote ronde stationsklok aan de muur van mijn slaapkamer. Twee uur ‘s nachts. Sinds een uur of elf probeer ik nog wat te slapen voor ik op de motor stap. Maar het wil niet erg lukken. De afgelopen uren zijn gevuld met beelden van een in fjorden tuimelende motorfiets. En van mezelf, gespietst door een rotspunt, bengelend boven een fantastisch uitzicht. Uit het vizier van mijn helm druppelt bloed in het groenblauwe water daarbeneden.
En kleiner leed. Nat geworden bagage, ontbrekende stukjes tent, olie druppelend uit het motorblok, een in stukken gesprongen achterband. En ik dolend door een land zonder mensen. Laat staan een wegenwacht.
En het echte leed. Zij, die mij vanachter de spinnenraggen in mijn hoofd die maar niet willen verdwijnen, toeroept dat er met mij niet van het leven te genieten valt. ‘Je bent niet iemand om van te houden.’ Zwetend draai ik me vast in het dekbed.
Ik kijk weer op de klok. Vier minuten over twee. Misschien kan ik maar beter gewoon gaan rijden. Bij de wastafel gooi ik wat koud water in mijn gezicht. De veerboot die ik voor zondagmiddag in Noord-Denemarken heb geboekt is zo’n duizend kilometer ver en het stuk door Duitsland wil ik eigenlijk het liefst zo snel mogelijk achter de rug hebben. Ik kijk nog even naar mijn bed, als een soort afscheid. Dan trek ik het dekbed recht en kleed me aan.
Mirjam en Michiel, mijn dochter en jongste zoon, zijn met haar en die ander mee op vakantie. Achterop de motor. Behalve een telefoontje op de eerste avond na hun vertrek heb ik niets meer gehoord. Ontvelde kinderbenen en afgerukte armen hebben sindsdien hun trouwe opwachting in mijn dromen gemaakt. Al tientallen malen heb ik in gedachten gerepeteerd hoe ik ergens in Scandinavië via mijn mobiele telefoon de ANWB inschakel om een vliegticket voor me te regelen naar de plaats des onheils.
Ik kijk beneden in de hal of het jack van mijn oudste zoon Arnoud al aan de kapstok hangt, maar hij is nog aan het stappen met zijn vrienden. Voor hem is vakantie een omgedraaid dagschema. De komende veertien dagen is hij voor het eerst van zijn leven helemaal alleen. Ik laat een briefje voor hem achter. Tot over twee weken. Zorg goed voor jezelf. Kus van Jos. Op papier kan dat.
02.30 uur
Mijn tanktas, met alles wat ik onderweg nodig heb, zit al voor op de motor. Achter op het zadel heb ik met een spin en een extra spanband de Ortlieb-weekendtas vastgebonden met de tent, het slaapmatje en het klapstoeltje. De twee tassen die in de zijkoffers gaan, prop ik met enige moeite op hun plaats. Links de kleding, rechts de keuken, het eten en mijn slaapzak. De kofferdeksels hebben geduw en getrek nodig. Met spanbanden snoer ik ze zo goed mogelijk op hun plaats. Alles past precies, alleen in de tanktas is hier en daar een plekje over voor eten en drinken.
Tijdens het pakken van de afgelopen dagen viel er steeds meer af. Als bij een gedichtje maken: wat niet past, doet niet meer mee. Zonder bord valt prima te eten en waarom zoveel schone kleren als ik alleen maar ga om te rijden. Een kleine achtduizend kilometer naar de Noordkaap en terug. Heen langs de fjordenkust van Noorwegen, daarna via Finland, Zweden en Denemarken weer terug. Dat tweede deel wil in mijn hoofd nog niet zoveel vaste vorm krijgen. Net zo min als het leven hierna. Eerst maar eens zien dat ik het haal. Iedereen zegt dat het gekkenwerk is, zo’n afstand over tweebaans wegen in krap veertien dagen. Misschien is dat ook precies de bedoeling. Mijn hoofd door een wasstraat, in de hoop dat de spinnenraggen verdwijnen. Niks geen meditatieve inzichten bij een setje steeksleutels, glimmend in de avondzon. Gewoon rijden. Wegdraaiend asfalt, verbrande benzine en het gebulder van de wind om mijn helm.
Ik trek mijn motorpak aan. Daaronder zit een lange thermo-onderbroek, een T-shirt en een trui. Dat moet genoeg zijn. Een tweede wollen trui zit in de kledingtas, voor als het in het noorden echt koud blijkt te zijn. Voor winterhandschoenen is geen plek meer, in plaats daarvan zit in de tanktas een paar binnenhandschoenen die onder de zomerhandschoenen passen. De helmmuts heb ik op het laatste moment ook thuisgelaten. Het is tenslotte zomer. Ik duw de motor naar buiten en doe mijn oordoppen in. ‘Kilometerstand 64.963’, schrijf ik in mijn notitieboekje dat bovenin de tanktas klaarligt voor een verslag aan mezelf. Buiten is het donker, koud en doodstil. Ik sluit de garage af, zeg mijn huis gedag en start de motor.
10.41 uur
Ruim vijfhonderd kilometer verder rijd ik, na een wuivend gebaar van de Deense douane, net over de Duits-Deense grensovergang een parkeerplaats op. Sinds ongeveer half drie vannacht heb ik vrijwel onafgebroken door de gietende regen gereden. Mijn ‘systeem’ blijkt ellendeproof. Alles zit nog keurig op de motor en is, voorzover ik het kan bekijken, droog gebleven. Alleen bij mijn manchetten en rond de kraag van mijn jas komt water naar binnen. De binnenkant van mijn handschoenen is daardoor nat geworden. In een bleek Scandinavisch zonnetje leg ik ze binnenstebuiten op het zadel om ze wat te laten drogen.
Een paar Deense kinderen komen nieuwsgierig kijken naar de verkleumde meneer met zijn motor. Ik bied ze twee Verkaderepen aan die ik van het laatste Nederlandse kleingeld heb gekocht bij een benzinestation in Nieuweschans, net voor de grens met Duitsland. Daarna volgde een stuk waar ik liever met een grote sprong overheen had gewild. Diepe plassen in uitgesleten asfalt, donkere wolken zover ik kon kijken en onafzienbare rijen auto’s die uitsluitend op de weg leken om mij in ondoordringbare watergordijnen te hullen. Even voorbij Bremen ben ik gestopt om te ontbijten, op een plek waar stad en snelweg een onontwarbare kluwen vormen. Het eetcafé lag in de bocht van een oprit. Ik deed ergens iets verkeerd bij al dat asfalt en voor ik er erg in had stond ik met de motor onder een lichtreclame die ‘Frühstück’ knipperde. Vooruit dan maar. Binnen waren bijna alle tafeltjes bezet. Breed uitzittende mannen, te blonde vrouwen en kinderen die me aankeken alsof ze, zodra ze de kans kregen, de banden van de motor leeg zouden laten lopen. Het rook er naar sigaretten en frituurvet. Het ontbijt was braadworst en spiegelei. Dit was Duitsland.
Maar het is nu even na half elf en ik ben in Scandinavië. Hier wordt alles beter. Vanaf nu zijn de mensen vriendelijk, de wegen rustig en is het weer mooi. De Verkaderepen smelten dan in de tanktas en dus wil ik er vanaf. De Deense kinderen kijken me eerst even verbaasd aan. Dan trekt het iets grotere zusje haar kleine broertje resoluut aan een tegenstribbelend armpje mee. Uit de gevarenzone. Ik maak een gebaar van ‘dan niet’ en gooi de chocola in een prullenmand, wat broer en zus opnieuw in tweestrijd brengt. Het risico wint. Een vreemde man die zo raar met chocola omgaat, kan niet te vertrouwen zijn.
Zo rond Utrecht had ik het vannacht eigenlijk al wel zo’n beetje gehad. Pijn in mijn linkerarm, stijve schouders en één standvastige, heldere gedachte: ik wil helemaal niet weg. Ik wil gewoon thuis blijven. Lekker twee weken uitrusten en een beetje in de tuin rommelen.
Maar ik ken de donkere wolken in mijn hoofd. Doorrijden is het beste.
De handschoenen zijn nog steeds nat aan de binnenkant. Het kost enig gewurm om ze aan te krijgen. Wanneer ik de parkeerplaats afrijd, komen de Deense kinderen vanachter de benen van hun ouders te voorschijn.
17.05 uur
Het is eind van de middag en ik ben gearriveerd in Hanstholm, in het noordwestelijke puntje van Jutland in Denemarken. Van hier vaart morgen om 15.30 uur de boot naar Bergen, Noorwegen. Van tevoren heb ik zo op gezien tegen het stuk door Duitsland en wat daar allemaal aan vertragingen konden optreden, dat ik bijna een dag te vroeg de kade oprijd waar de ferries afmeren.
Hanstholm is een haven - en verder niets. Wat verloren huizen in een stijf-Duitse stijl van stucwerk en aluminium. En een restaurant annex ‘zeemanshotel’. De stoelen hebben er metalen poten en de koffie komt in koppen waar soep zich op zijn plek zou voelen. Tegenover het restaurant is de kade waar de veerboten naar Noorwegen, Zweden en IJsland afmeren, met een grote parkeerplaats voor de passagiers. Tussen witte lijnen op het asfalt zie ik voor de eerstvolgende boot nogal wat terreinwagens en professioneel opgetuigde off road-motorfietsen klaar staan om ingescheept te worden naar het noorden. Mijn BMW K100 RS die voor het restaurant geparkeerd staat, steekt er schril bij af. Niks geen aluminium survival kits, reservetanks met benzine en extra banden waar ik andere motoren mee uitgerust zie.
Mijn vooroordeel over Scandinavië heb ik trouwens bij moeten stellen: nog geen half uur na de grens begon het weer te regenen en door heel Jutland heb ik bijna overal in een file gereden. “Vandaag gaat Denemarken op vakantie”, legde een vriendelijke Deense meneer uit die in een snackbar onderweg aan het tafeltje naast me zat te lunchen. “Maar de meesten gaan richting Frankrijk en Italië”, stelde hij gerust. Onbegrijpelijk als je al zo’n eind op streek bent naar waar ik het liefst wil zijn. Maar wel beter voor mij. Zelfs uitzendingen op de Nederlandse televisie of artikelen over Noorwegen en Zweden in tijdschriften had ik het afgelopen half jaar wel uit willen gummen. Het zou te veel mensen op een idee kunnen brengen.
Ik wil rust aan mijn hoofd.
Inmiddels heb ik ruim veertien uur vrijwel onafgebroken op de motor gezeten. Niet alleen bij de manchetten en de kraag is alles nu nat geworden, ook de binnenkant van mijn helm voelt als een verzadigde spons. Wanneer ik mijn wenkbrauwen frons loopt het koude regenwater in straaltjes door mijn ogen. Mijn benen en armen voelen zo trillerig, dat ik niet zeker weet of ik de motor wel weer overeind kan krijgen nu hij eenmaal op de zijstandaard voor het restaurant staat. Een mooi gezicht is het wel. De zilverkleurige motorfiets, de tanktas met de felgele regenhoes eroverheen, de zwarte Ortliebtas achterop en de zilvergespoten zijkoffers. En overal zwarte moddersporen van de natte Duitse en Deense autowegen. Een motor op reis. En hij is van mij.
Ik overweeg om naar het boekingskantoor van de ferry te lopen en te vragen of ik mijn ticket misschien kan gebruiken om vandaag nog over te varen. Het scheelt me de kosten van een overnachting en ik kan een dag eerder in Noorwegen gaan rijden. Maar ik bedenk dat ik zelfs te moe ben voor een poging om dat voor elkaar te krijgen. Ik wil slapen. En niet in mijn tent, maar op een warme plek, waar ik mijn spullen kan laten drogen.
17.15 uur
Het ‘sømandshjem’ doet Duits en vijftiger jaren aan, met veel glas tot vlak bij de grond, hoge plafonds en linoleum op de grond. De balie is van hout en net te hoog om comfortabel op te leunen. Ik vraag wat een kamer kost. De mevrouw erachter kijkt me streng aan en ik besef opeens hoe ik er uit moet zien. Vannacht nauwelijks geslapen, veertien uur door de kou, regen en files, mijn haren naar alle kanten platgedrukt door de helm. Op het linoleum vormen zich plasjes water rond mijn motorlaarzen. Ze bladert wat in een stapel papieren en besluit dan dat er geen kamer meer vrij is. Ook geen tweepersoons? Een dure? Nee, ook geen tweepersoons en ook geen dure. Ik vraag naar een ander hotel. Dat is er, maar volgens haar ook vol. Wanneer ik besluiteloos bij de balie blijf staan, trekt zij een kaartenbak naar zich toe en biedt aan wat particuliere adressen te proberen. Het beeld van een Deense familie om de keukentafel waar ik bij aan moet schuiven, spreekt me niet erg aan, maar alsnog een camping zoeken en in de regen de tent opzetten nog veel minder. De mevrouw belt een paar nummers en ratelt in het Deens. ‘Holland’, roep ik en wijs erbij op mezelf, wanneer ik uit het gesprek opmaak dat ze me als Duitser introduceert. Bij het derde gesprek zegt ze een aantal keren ‘oké - oké’, en wanneer ze de hoorn neerlegt, glimlacht ze zowaar naar me. ‘Alles is vol’, zegt ze, ‘maar je kunt in een caravan slapen bij de familie Jensen.’ Ze wacht op mijn reactie. Tsja. Wanneer ik vraag waar die familie dan woont zodat ik even kan zien wat het is, kijkt ze me aan alsof ik tot een zeldzame diersoort behoor. ‘In het dorp’, antwoordt ze, alsof daarmee alles verklaard is. Wanneer ik vragend blijf kijken, zoekt ze vruchteloos naar een plattegrond. ‘Jensen’, zegt ze nog eens, met een flinke duw op de laatste lettergreep, alsof mij daardoor een licht op moet gaan. ‘Er staat een bord’, zegt ze, ‘in het dorp, rechtsaf. Je ziet het vanzelf.’ Ik betwijfel het. In dit soort situaties zie ik nooit iets vanzelf. Integendeel. Waar anderen fluitend op hun reisdoel afrijden, cirkel ik in toenemende wanhoop en zonder de minste vormen van herkenning rond. Ik herhaal nog maar eens haar schaarse aanwijzingen - rechtsaf, familie Jensen, bord - en loop naar mijn motor.
Voor ik vertrok heb ik tientallen keren overdacht hoe ik het moest doen met de tanktas en de Ortliebtas wanneer ik ergens naar binnen zou gaan. Beide zitten open en bloot op de motor. Tent en matje kwijt zou al heel vervelend zijn, maar mijn tanktas weg met fototoestel en mobiele telefoon, die ik speciaal voor deze reis heb aangeschaft, zou echt pijnlijk wezen. Een zondagse traktatie voor highwayrippers die zelfs hun inbreekgereedschap niet te voorschijn hoeven te halen. Voor de Ortliebtas heb ik daarom een kabelslot gekocht dat ik door de handvaten kan rijgen en dichtklikken. Wie wil kan nog steeds alles uit de tas halen, maar het hele ding meepakken gaat niet meer zo eenvoudig. Voor de tanktas heb ik niets kunnen verzinnen, behalve hem overal mee naar binnen nemen, wat lastig is wanneer je ook nog een helm moet dragen. De oplossing kwam tijdens het rijden eigenlijk als vanzelf: gewoon laten zitten. Bij het eerste wegrestaurant heb ik tijdens het eten onafgebroken naar de motor zitten staren, klaar om bij de minste onraad naar buiten te stormen. Maar toen ik toch echt naar de wc moest, heb ik dat op moeten geven. ‘Laat alles er nog zijn, laat alles er nog zijn’, prevelde ik een paar keer, staande aan de pisbak. Toen ik weer naar buiten kwam, knipoogden de tassen me vrolijk tegemoet.
Ook nu staat alles weer keurig op me te wachten. Ik zet de natte helm op en rijd van de haven terug het dorp in. De eerste, en enige, zijstraat rechts neem ik en volg die tot hij met een flauwe bocht opnieuw bij de zee uitkomt. Geen bord gezien. Ik keer om en probeer het nog eens. Geen paniek, rustig blijven rijden. Uiteindelijk komt altijd alles goed, de meeste dingen tenminste. Ik probeer de opkomende paniek terug in zijn hok te praten. Weer op het kruispunt waar ik afgeslagen ben, doe ik of er nog niets gebeurd is. Ik rijd voor het eerst het dorp in. ‘Rechtsaf, familie Jensen, bord’, herhaal ik nog maar eens. Wanneer ik de straat voor de tweede keer afrijd zie ik een huis met wat caravans eromheen. Geen bord. Geen naam bij de deur. Ik besluit de motor te parkeren en lopend verder te informeren. Rond het huis kan ik als parkeerplaats kiezen tussen grind of zompig gras. Beide zijn voor mijn zware K100 lastig tot onmogelijk. In losse steentjes of natte aarde zakt hij op de zijstandaard hopeloos weg. De middenbok is dan beter, maar zeker met bagage er op kan ik niet op- of afstappen en tegelijk de motor rechtop houden. Daarvoor moet hij eerst op de zijstandaard, wat dus niet gaat. De uitvinding waar ik door de kinderen het meest om uitgelachen ben, maar zelf een trotse glimlach niet bij kan onderdrukken, brengt uitkomst. Bovenin mijn tanktas heb ik een speciaal op maat gezaagd plankje, afkomstig van zo’n setje voorbeelden om een parketvloer mee uit te kiezen. In het plankje heb ik een gaatje geboord. Daar doorheen heb ik een touwtje geknoopt, een meter lang ongeveer, met een lus aan het andere eind. Ik zet de zijstandaard uit en kijk waar hij op de grond terechtkomt. Dan klap ik hem weer in en laat het plankje aan het touwtje naar beneden zakken tot het op de juiste plek ligt. De lus aan het andere eind doe ik om het uiteinde van mijn stuur, zodat ik bij vertrek het plankje zo weer op kan halen. Ik klap de zijstandaard opnieuw uit en laat hem voorzichtig op het plankje neerkomen. Even zakt de motor iets naar opzij, dan blijft hij met een zucht staan. Ik glimlach. Het werkt.
17.35 uur
De meneer die opendoet spreekt geen Engels, behalve het woord ‘caravan’ en ‘motorbike’. Ja ik kom voor de caravan, en ja ik ben met een motorbike. Via een smal gangetje tussen twee heggen door bereiken we een afgescheiden deel van zijn achtertuin. Daar staat de caravan, omgeven door plassen regenwater. Niet helemaal waar ik mezelf op had willen trakteren. Een kraan is er niet en het bed moet ik zelf samenstellen uit een tafel en twee banken, die nu vrijwel alle beschikbare ruimte in beslag nemen. De deur zal ik voorlopig open moeten laten, want alles ruikt naar vocht dat lange tijd zijn gang heeft mogen gaan. De overnachting kost honderdvijftig kronen, een gulden of veertig, de helft van wat ze in het hotel vroegen, dus dat neemt weer wat schuldgevoel weg over dit te dure begin van de reis. ‘Oké’, zeg ik. De man knikt en houdt zijn hand op om het geld in ontvangst te nemen. ‘Waar kan ik douchen?’, vraag ik nog. Zwijgend wenkt hij me mee naar zijn huis. Tussen twee honden en een tafel vol familie door brengt hij me bij een badkamer. Wanneer ik er met de man naartoe loop, draaien alle hoofden zwijgend mee. Met een breed gebaar doet hij de badkamerdeur open en houdt dan nogmaals zijn hand op om af te rekenen. Ik kijk even om het hoekje. Hun eigen badkamer, zo te zien. Handdoeken in stapeltjes op een plank en badjassen aan haakjes aan de muur. Ik geef hem de honderdvijftig kronen en ga mijn handdoek halen om een douche te nemen. Heet en langdurig, hun badkamer of niet. Wie zijn privacy aan reizende vreemdelingen verkoopt, zal het weten ook. Wanneer ik mijn bagage van de motor haal, kijken twee kinderen van de verhuurder van een afstandje toe. Of kleinkinderen, ik kan alle mensen die er rondlopen niet helemaal plaatsen. Wanneer ik ze in het Engels gedag zeg, stuiven ze het huis weer in.
18.20 uur
Na het douchen loop ik door de duinen naar de ‘Bistro Marine’, waarvan ik op de hoek waar ik rechtsaf moest de borden heb zien staan. Anders dan de naam doet vermoeden, serveert men hamburgers en worstjes. Wanneer ik vraag of ze ook vis hebben, kijkt de mevrouw achter het frituur me wat verward aan en wijst dan op het type foto waar bij ons snackbars patent op hebben. Gefotografeerd tegen een achtergrond voor statieportretten zie je maaltijden waarvan je weet dat je ze zo niet op je bord zult krijgen. Op de foto’s van Bistro Marine prijkt, naast verschillende uitvoeringen van het worstje en de hamburger, ook een onder het paneermeel verscholen vis. De soort is onduidelijk. Zo smaakt hij ook wanneer de mevrouw hem uit de frituur op mijn bord heeft gelegd. Twee schijfjes citroen vervullen de rol van groenten. Om alles weg te spoelen bestel ik een groot glas fadøl. Gewoon bier bij ons. Wat hier gewoon heet, is bij ons alcoholarm. Gewoon bier kost erg veel geld, maar na bijna duizend kilometer en een doorwaakte nacht, vind ik dat ik het wel verdiend heb. Halverwege de vis bestel ik er nog een.
Later die avond moet ik dat bezuren met een onoplosbare tweestrijd tussen morrelen aan het huis van de verhuurder of pissen in zijn achtertuin, waar dan natuurlijk net die twee honden blijken rond te lopen.
Daarna is het onrustig. Als een verkeerd ingeschoven dia droom ik weer van haar. Het is een aan zichzelf geknoopt cassettebandje dat telkens maar ronddraait in mijn hoofd. We waren pas verhuisd, de dozen stonden nog half uitgepakt op zolder. ‘Ik heb ontdekt dat ik niet meer van je hou’, vertelde ze, opgewekt bijna. Ik spuugde net een klodder tandpastaschuim in de wasbak. In de maanden daarna volgde de afbraak. ‘Er gaat niets van jou uit... Wat heb je nou eigenlijk gebracht in mijn leven?’ En toen, vrijwel meteen nadat ik daar niet meer tegenop kon, die ander. ‘Geluk hebben’, noemde ze dat.