12. Zen en de kunst van
De volgende dag laat ik Michiel achter in een donkere hal vol computerspelletjes en Gauloise rokende Franse pubers. Op de schermen van de apparaten spatten hele werelden in felle kleuren uit elkaar, maar de jongens hangen vrijwel verstild aan de knoppen. Een enkele vinger beweegt, om as van hun sigaret te tippen of hun moordwerktuigen nog een versnelling op te jagen. Michiel wacht geduldig met een stapeltje franken in zijn hand tot zijn favoriete spel vrijkomt. Een taxichauffeur aan wie alles is geoorloofd, als hij zijn passagier maar aflevert op de plek die door middel van een grote pijl in de lucht wordt aangegeven. Over trottoirs, door fonteinen en met een spoor van vernielde puien en voertuigen achter zich, volgt hij de aanwijzingen die de hemel hem openbaart. Met Michiel achter de knoppen. Of ik nog tegen hem praat, maakt niet uit. Zijn waarneming is tot een vierkantje ineen gezogen. “Ik ben met een half uurtje hier weer terug”, roep ik vanachter de rand van zijn wereld. Even knipperen zijn ogen. Hij antwoordt met een snel knikje. Bericht ontvangen.
Nieuwpoort is een eigenaardig stadje. Het oude deel doet middeleeuws aan, maar dan in een onbegrijpelijk opgepoetste versie. Alle bakstenen blinken alsof de huizen gisteren aan de hand van een oud schilderij als attractie zijn neergezet. Vergeefse moeite, want de toeristen mijden het oude gedeelte en rijden direct door naar het nieuwe deel. Een marmeren boulevard langs de zee en parallel daaraan een brede winkelstraat vol banketbakkers, souvenirwinkels, kledingzaken en eet- en drinkgelegenheden die allemaal lijken ingericht door dezelfde liefhebber van bloemdessins en glimmend koper. Om de tijd te doden, loop ik een souvenirwinkel binnen waar ook boeken worden verkocht. Ik neus een beetje in de rekken en tussen de stapels boeken op een lage tafel in de winkel. Op het uiterste hoekje van de tafel ligt een boek dat ik heel goed ken van vroeger. Een motorrijder op wat er uit ziet als een Japanse motorfiets, in een rood motorpak en met een donker vizier voor zijn gezicht. Achter zijn rug heeft de illustrator steeksleutels en ringsleutels getekend, als een stralenkrans. Bij de voorvork prijkt in van die Amerikaanse letters van dik zilver de titel: ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’ van Robert Pirsig. De eerste druk dateert van ruim dertig jaar geleden, zie ik wanneer ik het boek opensla. Knap, om nu nog in de winkel te liggen. Het kost nog geen tientje. Ik koop het, ook al heb ik het vroeger al enige malen gelezen. Het verhaal van Pirsig irriteerde me, weet ik nog, maar ik weet niet meer waarom. Misschien leuk om nog eens te lezen. De parallellen liggen ook voor het oprapen. Pirsig verdiende zijn brood met het schrijven van technische handleidingen, ik met het schrijven van ambtelijke nota’s. Pirsigs zoontje Chris, waar hij een maand mee door Amerika trok, was elf ten tijde van het verhaal. Michiel is tien. We houden allebei van motorrijden. Maar daar houdt het dan ook wel op. De heroïek van zijn tocht van Minnesota naar Californië is slecht te vergelijken met ons ritje van Noord-Frankrijk naar Zuid-Holland. Wij rijden door stadjes met propere geveltjes in plaats van door uitgestrekte moerasgebieden waar Pirsig zijn zoontje wijst op de zwarte koperwiek en andere natuurfenomenen. Wij overnachten in hotels met gepensioneerde nonnen als tafelgenoten of op campings vol roodverbrande vrouwen en mannen in glimmende trainingspakken. Niks geen diepe gesprekken bij knapperende kampvuren in de stilte van de eenzame bergnacht. Waar Chris overigens altijd buikpijn van kreeg, herinner ik mij. Met het boek onder mijn arm loop ik terug naar de speelhal om Michiel op te halen.
‘s Middags op de camping begin ik aan Zen en de kunst van, terwijl Michiel op het speelveldje voor de trekkershut tegen zijn bal loopt de schoppen. We hebben net gedoucht. Vervelend, wat Michiel betrof, want hij was helemaal niet vies maar moest toch. Onze handdoeken hangen te drogen op een waslijn die ik tussen de trekkershut en het hek van de camping heb gespannen. Zodra ik aan het verhaal van Pirsig begin, komen de herinneringen weer terug. En de ergernis, omdat hij niet alleen zoekt naar een achterliggende waarheid, maar ook zo veroordelend is. Hij sleutelt aan zijn eigen motorfiets en dat doet hij met kwaliteit, het leidende begrip in zijn verhaal. Prachtig. Maar waarom zijn vriend, die niet sleutelt maar zijn motorfiets gewoon naar de BMW-garage brengt, geen kwaliteit zou hebben, wordt mij nergens duidelijk. Leuk is het wel, al dat geknoei aan die motorfiets. Het moet een lijk geweest zijn dat ding van hem, want er is constant van alles aan de hand. Tijdens zijn trektocht van, naar ik schat, een paar duizend kilometer, stelt hij de kleppen, plaatst hij andere sproeiers, stelt hij de carburateur opnieuw af, vernieuwt hij de contactpuntjes en monteert hij een hele nieuwe ketting. En nog is het niets dan ellende. Dan is de motor weer te heet, dan loopt hij niet goed stationair, hij pingelt, hij kleppert, hij maakt het geluid van een handvol munten, hij staat te arm afgesteld en dan weer te rijk. En Pirsig zich maar zorgen maken, terwijl zijn vriend doodleuk doortuft en straks misschien een fantastische kwaliteit ervaart in zijn contact met zijn BMW-monteur. Maar het allerergste is eigenlijk de manier waarop Pirsig met zijn zoontje omgaat. Het joch heeft telkens pijn in zijn buik, is overstuur, huilt bij het minste geringste en dat wordt telkens afgedaan met ‘aandachttrekkerij’ en ‘egotripperij’, twee kwalijke eigenschappen die hij op school geleerd zou hebben. De Boeddha is voor Pirsig kennelijk wel in een setje steeksleutels te ontdekken, maar veel lastiger in zijn vriend en zijn zoon. Toch fascineert zijn verhaal me. Vooral het idee dat kwaliteit een leitmotif voor mensen zou zijn, zonder dat het aan te duiden valt wat het is. Maar ook, en dat ontdek ik eigenlijk nu pas, omdat het verhaal over angst gaat. De angst van Pirsig zelf om niet begrepen te worden. De angst voor isolement, waardoor hij met een fanatisme van leer trekt waar zijn hele omgeving koud van wordt. En tot hij er gek van wordt, omdat juist zijn fanatisme zijn isolement steeds groter maakt. Elektroshocks moeten de lawine stuiten. Ik zou hem achteraf over al die jaren heen alsnog wel willen toeroepen: rustig maar, Robert, het is in orde, de mensen houden van je, ook je zoon, die steeds buikpijn heeft en moet huilen omdat je zo ver weg bent.
“Ga je mee tafeltennissen?” vraagt Michiel. Hij heeft onze tafeltennisbatjes die ik in de supermarkt heb gekocht al uit de tas gehaald en slaat met één daarvan het balletje in de lucht. Hij kijkt er strak naar terwijl hij ondertussen tegen me praat.
“Oké”, zeg ik. Ik leg het boek van Robert Pirsig in het gras en loop met hem mee naar de sporthal. Binnen spelen mensen volleybal. Luide schreeuwen in een hoge, zweterig ruikende ruimte. Naast het veld staan drie tafeltennistafels op een rij. Eén daarvan is nog vrij.
“Eerst inspelen?” vraag ik aan Michiel.
“Hoezo? Durf je niet?”
Oké jongen, denk ik, dan zal je het hebben ook. Ik zie zijn gezicht vertrekken als ik met een mooie kapbeweging uitserveer, zo’n beetje het enige gebaar dat ik met tafeltennissen onder de knie heb.
Pirsig heeft ongelijk, bedenk ik wanneer Michiel met een felle mep over het netje vóór komt te staan. Ons leitmotif is niet kwaliteit, maar de angstige vraag naar het waarom en naar het wat als... Ons vermogen om vooruit te kunnen denken. Er kan in de verste verte nergens iets zijn waardoor wij gevaar lopen, terwijl wij er toch doodsbang voor kunnen zijn. Gewoon door het te bedenken. Dat is onze zegen en onze wurgstrop tegelijk. We hebben er alles aan te danken, ook zijn verhaal, maar we raken erdoor verstoken van de directe ervaring van de wereld om ons heen, die wij slechts met heel veel moeite terug kunnen krijgen. Soms lukt dat. Voor Michiel was een filmpje dat vroeger op het NS-station Schiphol werd gedraaid zoiets. Het ging nergens over. Op een van de zijwanden van het station werd gewoon permanent een filmpje geprojecteerd van een man die onder de douche stond. Stromend water, natte haren, stralen over zijn gezicht, blazen om het niet in zijn mond te krijgen. En dat telkens maar door. Altijd wanneer we met de trein via Schiphol reden, wilde Michiel uitstappen. ‘Even naar de douchende man kijken.’ Hij ging dan op een bankje recht tegenover het beeld zitten en bleef daar. Roerloos. Tot een half uur later de volgende trein kwam en ik hem aanspoorde om nu echt door te reizen naar huis. Voor Pirsig was knoeien aan zijn motorfiets blijkbaar een manier om even alle vragen stil te zetten. Michiel keek liever als een Boeddha naar een man onder een straal stromend water. Dat heeft niets met kwaliteit te maken. Behalve voor degene die het meemaakt. Die weet het, maar kan het niet uitleggen. Verder dan wat gemompel over contactpuntjes, carburateurs en pingelende geluiden komt hij niet. Daar heeft Pirsig weer gelijk in.
Die middag is het de hoogste tijd om onze kleren te wassen, besluit ik. In de wasruimte laat ik een wasbak vol heet water lopen en maak daarin een lekker sopje met het poeder dat ik in een plastic busje van een filmrolletje mee uit Nederland heb genomen. Precies genoeg, dat had ik van tevoren al bedacht. Ik haal onze T-shirts, sokken en onderbroeken uit de plastic tas waar ik ze de afgelopen dagen in heb bewaard en doe ze in het sop. Eén voor één haal ik ze er weer uit en wrijf ze aan zichzelf schoon.
“Waarom doe je dat?” vraagt Michiel, die elke beweging met grote belangstelling volgt, blij met deze wasmachine waar je vragen aan kunt stellen.
“Daar wordt het schoon van.”
“Hoe kan dat nou?” vraagt hij en kijkt met stijgende verbazing hoe ik onze kleren op en neer haal door het water.
“Tja”, zeg ik, “dat weet ik eigenlijk ook niet zo goed. Iedereen doet het altijd zo. Tenminste, als ze met de hand wassen.”
“Iedereen?”
“Nou, ja. Mijn moeder, dan”, bedenk ik terwijl ik het aan het uitleggen ben. “Die deed het vroeger ook altijd zo.”
“Mag ik helpen?” vraagt hij.
“Oké”, zeg ik. Met vier handen in het warme water plonsen we de kleren zo’n beetje op en neer. Ik vraag me eigenlijk ook af hoe dat iets kan opleveren.