12. Woensdag 22 juli
8.26 uur
Het gaat gelukkig wat beter met mijn rug. Ik kan zonder de ritssluitingen voor eeuwig te vernielen de tent uitkomen, om hem daarna tussen de buien door in te pakken. Een ontbijt bij de nieuwe eigenaren van Ågård laat ik maar zitten. Ik zie onderweg wel.
9.16 uur
In een bensin-butik-restaurang-grill vraag ik om koffie, maar de mevrouw doet of ze niets begrijpt en de meneer is in een veel te druk en langdurig gesprek gewikkeld met de plaatselijke dorpsidioot. Ik pak een bakje yoghurt uit het koelvak en reken dat samen met de benzine af. Wanneer ik daarmee klaar ben, heeft de man opeens tijd voor me en vraagt wat ik wil. Ik wil helemaal niets meer, zeg ik en ga aan zijn houten tafel zitten om het bakje yoghurt op te eten. Met een misprijzende blik blijft hij er samen met zijn vrouw naar staan kijken, maar wat mij betreft kunnen ze zichzelf in hun benzinetank gaan verdrinken. Wie mij laat barsten, kan zelf barsten. Het klinkt uiterst simpel, maar blijkbaar heb ik toch al die kilometers nodig gehad om het te bedenken.
Wanneer ik klaar ben met eten, ga ik uitgebreid naar de wc en gebruik lekker wat zeep na afloop. Met een stapeltje papieren handdoekjes maak ik mijn helm en mijn vizier schoon om daarna zonder gedag te zeggen weer op de motor te stappen. Wanneer ik wegrijd, breekt er een voorzichtig zonnetje door.
13.29 uur
Ik neem de ferry van Helsingborg in de zuidwest-punt van Zweden naar het Deense Helsingør. Ik laat daarna de snelweg voor wat hij is en neem een route van kleine wegen langs de noordkust van Sjælland, het eiland waar Kopenhagen op ligt. Het is een laatste poging om het Noorwegengevoel nog even terug te krijgen, maar de bochten zijn net niet bochtig genoeg en om de paar kilometer rijd ik een keurig Deens dorpje binnen. In zo’n dorp haal ik bij de bakker een paar krentenbollen. Bij de kruidenier daarnaast kan ik gewoon een half litertje gepasteuriseerde melk kopen. De mensen spreken hier Deens, maar verder ben ik al vrijwel thuis.
18.50 uur
Net na de nieuwe brug tussen Sjælland en Fyn ga ik van de weg af voor de laatste overnachting en om de brug in al zijn overweldigende lengte nog eens van een afstand te kunnen bekijken. De brug is prachtig. Er overheen rijden duurt zo lang dat het bijna ophoudt een brug te zijn. Het wordt gewoon de weg, met een wat draaierig makende ondergrond van een zee met zilveren golven en witte zeilbootjes. Nu vanaf de camping zie ik pas dat hij ook echt onwaarschijnlijk lang is. Een door mensen gemaakt eiland op ongeveer eenderde van de afstand, moet de oversteek nog enig houvast geven.
In de rode avondzon, die hier vanachter op de zee schijnt, ga ik zwemmen in de Grote Belt. Ik ben er alleen, op een houten vissersbootje en een enkel rimpeltje op de golven na. Ik laat me drijven in de rode gloed van de noorderzon die hier niet in de zee, maar in het land verdwijnt. Dan loop ik terug naar de tent. Daar bel ik Arnoud met de mobiele telefoon. Morgen ben ik thuis, zeg ik.