5. Zweten
Ik zak even weg en word bijna meteen weer wakker. Tenminste, zo voelt het. Mijn hart gaat wild tekeer. Zal wel van de goedkope rode wijn komen. Michiel praat in zijn slaap en knarst met zijn tanden. Buiten hoor ik mensen tekeer gaan.
“De motorfiets”, mompel ik en laat mezelf uit het bed rollen. “Ze blijven er met hun poten vanaf!” Ik leun uit het raam naar buiten om over de stenen rand te kunnen kijken. Op straat staat mijn K100 zachtjes te glimmen in het oranje licht van de straatlantaarns. Ergens in de verte hoor ik een schreeuw. In de straat is niemand te zien. Ik kijk nog even goed of de koffers er nog op zitten en of allebei de spiegels nog heel zijn. Niets aan de hand. Klaarwakker lig ik even later weer in bed. Gespitst op elk geluidje dat er te horen is. Zoals schrapende geluiden van geniepige Franse gabberjochies die met hun messen achteloos langs de zilverkleurige lak van mijn motorfiets lopen. Maar ook wanneer ik voor de tweede keer overeind schiet en uit het raam leun, is er niets dan stilte te zien.
In het bed roept Michiel om hulp. Ik ga er naar toe en probeer hem te troosten. Zijn haren plakken tegen zijn voorhoofd.
“Rustig maar, lieverd”, zeg ik. “Ik ben bij je.” Maar hij hoort niets en slaapt gewoon verder. Het is benauwd in de kamer. Ik trek de deken van mijn bed en leg hem aan het voeteneind op de grond. Daarna ga ik onder het enkele laken liggen en probeer te slapen. Van tijd tot tijd lukt dat.