Ribadeo
De volgende dag laten we de regen en de cider achter ons en rijden richting Galicië. Waar we dachten naar arme en verlaten streek te gaan, veranderen de huizen tijdens het rijden van pastel en toch al niet zo heel erg klein naar wit en uitgesproken groot. Ook is er geen ruig fjordenlandschap, wat ik min of meer had verwacht, maar een aaneenschakeling van dorpen en dorpjes, waarvan sommige eerder aan het Amerikaanse binnenland (plat, leeg, recht en stoffig) dan aan de Atlantische kust doen denken. Maar soms is er een verrassing. Zoals een prachtig viaduct waarmee we hoog over het dal van een riviertje rijden. Bossen en fruitbomen aan de ene kant en plotseling de oceaan aan de andere.
We rijden door tot Ribadeo, een soezerig dorpje net over de provinciegrens van Galicië. Aan een pleintje met palmbomen staat ons hotel te wachten, besluiten we wanneer we het zien. Barretje met kaartspelende oude mannen beneden. Boven uitzicht op een kerktoren die aan vier kanten een verschillende tijd aangeeft. Op het pleintje onder ons raam verzamelen zich tegen het eind van de dag voetballende jongens, huppelende meisjes, pubers die giechelen of tegen steentjes schoppen en grote mensen die komen kletsen op één van de bankjes in de zon. Wie al zit, klopt uitnodigend op het hout wanneer hij een bekende ziet. Al is waarschijnlijk iedereen dat.
’s Avonds is er Ribeiro, de witte wijn van de streek, in ons eigen barretje beneden. Naast ons petsen oude mannen hun dominostenen op het marmeren tafeltje. Op afgescheurde reepjes papieren tafelkleed houden ze de stand bij. Aan de bar krijgt elke nieuw binnenkomende klant ongevraagd zijn vaste recept toegeschoven. Tegen negen uur deelt onze hospita briefjes uit met het ‘menu del día’. De tekst begrijpen we niet, maar we gaan ervoor. Net als de anderen die mee willen eten, krijgen we een papieren tafelkleed, bestek en een karaf van diezelfde Ribeiro. Er is soep, iets waarvan we denken dat het gestoofde lamskoteletten zijn, een soort puddinkje en geanimeerd commentaar in het Spaans op alles wat er ondertussen passeert op het kamerbrede TV-scherm waar we met zijn allen tijdens het eten naar zitten te kijken.
Daarna lopen we, net als iedereen lijkt het wel, een paar rondjes op het plein. Het tempo ligt hoog, zoals overal waar we mensen ’s avonds hebben zien wandelen. Niks geen geslenter. Stevig doorstappen, desnoods telkens opnieuw hetzelfde stukje, en ondertussen praten, praten, praten.