7. Chateau de Ganspette

 

“Ik ben het even kwijt, geloof ik”, zeg ik tegen Michiel, wanneer ik de motorfiets aan de kant van de weg heb neergezet om de kaart nog maar eens te raadplegen. Op het asfalt schijnt een wit licht van een hete zon, maar verder is er niets te zien. We staan op een smal strookje beton tussen de weg en het gras van de berm. Af en toe rijdt er een auto met hoge snelheid voorbij. Ik haal de kaart uit de plastic hoes op de tanktas en vouw hem helemaal uit. De schaal is één op honderdduizend, behoorlijk gedetailleerd. Ik kan vrijwel ieder huis van Eperlecques terugvinden. In de buurt zijn nog een stuk of wat van dit soort gehuchten. Een wat grotere plaats, waar je een hotel kunt verwachten, zie ik nergens. Ik heb ook het stellige gevoel dat, al zou er een enorme stad vol hotels om de hoek liggen, ik er tot in lengte van jaren in cirkels omheen zou kunnen rijden zonder er ooit te arriveren. Ik ben gewoon de weg kwijt. Het hotel dat al geen hotel was, blijkt gewoon niet te bestaan en ik weet niet meer wat ik nu moet doen.

 

“O, ik zie het”, zeg ik tegen Michiel. Ik weet niet hoe het kan, maar opeens zie ik op de kaart, vlak boven het rijtje huizen van Eperlecques een weggetje naar het noorden dat naar een volgend gehucht leidt, ‘Ganspette’ geheten.

“Zijn we er al bijna?” vraagt hij.

“Ik weet het niet. We moeten maar even zien. Als het niks is, rijden we door naar de volgende stad en dan nemen we daar een hotel.”

Volgens mij is er helemaal geen volgende stad en als die er is betwijfel ik of hier ergens in deze van god verlaten en van inteelt vergeven streek zoiets als hotels bestaan. Buitenstaanders rijden hier gewoon voor eeuwig rondjes langs stoffige, verlaten wegen waar de richtingaanwijzers verdekt staan opgesteld en de bewoners grinnikend achter hun vitrage zitten en elkaar aanstoten wanneer ze de wanhoop zien toenemen. Aan het eind van de rij huizen sla ik linksaf. Ik neem de bocht eerst te krap en concentreer me dan zo op de stoeprand waar ik niet daartoe wil dat ik op het allerlaatste moment de motorfiets bewust om moet gooien om er niet tegenop te bonken en met schrapende koffers en beknelde benen onderuit te gaan. Ik klop Michiel even op zijn been wanneer het goed afloopt. We rijden zo’n zelfde asfaltweg af als het dorp dat we net achter ons laten, maar nu zonder huizen er langs. De zon schijnt fel op de verdroogde weilanden links en rechts van de weg. Mensen zien we niet. Tijdens het rijden kijk ik op de kaart en zie dat we een flauwe bocht naar rechts moeten maken om in Ganspette te komen. De bocht is er, en ook een bordje ‘Ganspette’, maar daarna volgt alleen een stramme rij bakstenen huizen, stijf in de blakende zon. Geen mensen en geen ‘chateau de’. Ik weet het nu echt niet meer. Ik zou al lang voor die gevreesde zolderkamer gaan, maar zelfs dat lijkt me in deze omgeving volkomen onwaarschijnlijk.

“Wat moet ik nou doen?” mompel ik tegen het kinstuk van mijn integraalhelm. Aan mijn rechterhand zie ik een benzinestation. Ik moet toch binnenkort tanken, dus besluit ik om het hier te doen en meteen te vragen of ze van het chateau gehoord hebben. Het lijkt nauwelijks de moeite waard. Kastelen vertonen zich niet, die zijn er en als deze omgeving iets niet heeft, is het een kasteel. Daar is de meneer van het groene BP-station het niet mee eens.

“Ah, le chateau de Ganspette. Mais biensûr...” blij loopt hij naar een stoffig rekje aan de muur. In drie metalen verdiepingen staat er dezelfde folder. Die pakt hij er uit en brengt hem trots naar mij toe.

“Ici, c’est le chateau”, wijst hij op een soort kinderlijke voorstelling van de omgeving waarbij willekeurig wat tot het middelpunt van het universum gemaakt kan worden. Het Chateau de Ganspette in dit geval, compleet getekend met torentjes, parken en vijvers. Ik gebaar wat hulpeloos en wijs met mijn armen in diverse richtingen om aan te geven dat ik geen flauw idee heb waar ik naartoe moet. “La bas??”

“Ah, mais non.” Hij loopt nu mee naar buiten om het allemaal nog eens uit te leggen. Het is om de hoek, volgens zijn aanwijzingen. We zijn er net langs gereden. Even dacht ik dat het toch nog goed zou komen, maar nu dient het lamme gevoel zich weer in alle hevigheid aan. Ik knik maar zo’n beetje, om van de man af te zijn. Wat moet ik hier nou toch mee? We stappen weer op de motorfiets en maken voor het benzinestation een u-bocht. Ik volg de weg en zoek na een meter of vijftig, volgens de aanwijzingen op de tekening, een zijstraat. Die is er dus niet. Ik rijd door tot het eind van het rijtje huizen dat blijkbaar Ganspette is en draai weer om.

“Ik weet het niet”, roep ik over mijn schouder naar Michiel. “Volgens die man was het daar ergens aan de rechterkant van de weg.”

“Ik zag daar een paadje”, roept hij vanonder zijn opengeklapte vizier.

“O?”

We rijden nog weer een keer de straat door, heel langzaam. We zitten nu allebei zowat dwars in het zadel om het zijweggetje niet te missen.

“Daar!” wijst Michiel.

Langs de weg staat een hoge, groene heg, die op de plek die Michiel aanwijst een gat vertoont.

“Verdomd”, zeg ik.

Ik stuur scherp naar rechts en draai door het gat in de heg een pad in dat bedekt is met grint en dennennaalden. De heg gaat eerst nog een stuk met het pad mee, tot het met een bocht naar rechts opeens uitloopt op een grote open ruimte. Links daarvan zie ik een grasgazon met een vijver, aan de rechterkant een klein kasteeltje. De grijze stenen zijn gebarsten en de houten luiken voor de ramen hangen scheef in hun scharnieren. Maar het is een kasteeltje, compleet met een bordes van verweerde steen, aan beide kanten bekroond met een kelkvormige bloembak met geraniums. Naast het kasteeltje is een bijgebouw, waarschijnlijk een vroeger koetshuis. Daarnaast hangt een bord: camping - piscine - restaurant. Ik kan het niet zo goed geloven. Ik houd de motorfiets flink aan het gas om in het grint niet onderuit te glippen en parkeer hem aan de rand van het grasgazon. Uit mijn tanktas haal ik het slimme houten plankje dat ik voor dit soort gelegenheden altijd bij me heb. Er zijn weinig vindingen waar ik zo om uitgelachen ben, maar ik kan absoluut niet zonder. Mijn motorfiets op een zachte ondergrond op de zijstandaard zetten, betekent een flinke kans om hem een paar uur later hulpeloos op zijn kant aan te treffen. Accuvloeistof weggelopen en een gebroken rug voor ik hem weer overeind heb. Met mijn plankje daarentegen heb ik nergens last van, vooral omdat ik er in een bui van overvloedig vooruitzien een klein gaatje in heb geboord. Daar heb ik een touwtjes doorheen geregen, met een lus aan het eind. Die doe ik om het linkerhandvat van mijn stuur. Als ik dan weer weg wil rijden, hoef ik alleen maar de zijstandaard in te klappen en aan het touwtje mijn plankje weer op te hijsen. Michiel grinnikt wanneer hij ziet hoe ik het plankje aan zijn touwtje laat zakken en op de goede plaats, precies waar de zijstandaard neer gaat komen, in het gras neervlij. Ik lach ook. Wanneer de motorfiets staat, kijken we naar het onvoorstelbaar mooie kasteel.

“Slapen we hier?” vraagt Michiel.

“Ik denk het”,  zeg ik, maar ik kan het bijna niet geloven.

“Ik weet het al”, knikt hij. “Dit was natuurlijk van de ouders van de mensen die hier nu wonen. Die ouders zijn nu dood en toen zijn die mensen een hotelletje begonnen.”

Het klinkt aannemelijk, maar als we een paar keer aan een oude koperen bel hebben getrokken, ziet het er toch anders uit. Een grijs, fragiel vrouwtje doet open. De ouders zelf zijn blijkbaar een hotelletje begonnen.

“Madame Pauwels?” vraag ik.

Ze bibbert over haar hele lichaam, dus het is moeilijk om te onderscheiden of ze ja knikt.

“Nous cherchons la famile Pauwels. Nous avons reservé une chambre”, probeer ik nog maar eens.

“Oui, oui”, zegt ze met een onverwachte vastberadenheid. “Vous avez telephoner de Hollande.” Ze vraagt het niet, ze constateert.

“Oui, oui”, zeg ik en knik heftig. Dit is niet te geloven.

“Het is hier echt”, fluister ik naar Michiel. We trekken ons gezicht in een plooi alsof dit allemaal heel normaal is en lopen met de oude mevrouw mee naar binnen. We komen in een grote hal met een marmeren vloer. De plafonds zijn onbereikbaar ver. Ze wijst ons een brede houten trap. Met zijn tweeën lopen we voor haar uit. De treden kraken wanneer Michiel en ik naast elkaar naar de tweede verdieping lopen.

“C’est a gauche”, hijgt de oude mevrouw achter ons. Aan mijn linkerhand is een houten deur met een porseleinen knop. Ik draai hem open en ga Michiel voor in een slaapkamer waar van drie kanten licht binnenvalt. De muren en het plafond zijn bedekt met een behang vol roze bloemetjes en ergens heel in de verte staan twee enorme bedden. De oude mevrouw is nu ook gearriveerd en opent de deur naar de badkamer. Ik gluur even naar binnen en zie twee wastafels van het formaat om een baby zwemles in te geven. Daarachter staat een ligbad op gekromde dierenpootjes. Michiel is ondertussen naar een bed gelopen en laat zich daar met een gelukzalige glimlach op neervallen. De halfgesloten houten luiken voor de ramen en het hoge plafond zorgen dat het in de kamer veel koeler is dan de drukkende hitte van buiten. Buiten horen we vogels hun best doen in de bomen van wat vast ooit een landgoed geweest is.

“C’est magnificque”, zeg ik tegen de mevrouw.

“Dit is zeker wel heel erg duur”, mompelt Michiel.

Volgens mijn aantekeningen helemaal niet, maar ik kan het ook niet goed geloven.

“Famile Lammers”, zeg ik nog maar eens op vragende toon en wijs op Michiel en mij. Ik zie nu pas de zwarte vegen op zijn gezicht, waar hij met zijn motorhandschoen telkens het zweet heeft weggeveegd.

“Oui, bien sur”, zegt de mevrouw.

Ik kijk uit het raam en vraag haar naar het restaurant daar beneden.

“On peut manger la bas?”

La bas is haar zoon, die op het terrein een camping is begonnen. En naturellement kunnen we daar eten.

Mooi motorverhalen
titlepage.xhtml
mooiemotorverhalen_split_000.htm
mooiemotorverhalen_split_001.htm
mooiemotorverhalen_split_002.htm
mooiemotorverhalen_split_003.htm
mooiemotorverhalen_split_004.htm
mooiemotorverhalen_split_005.htm
mooiemotorverhalen_split_006.htm
mooiemotorverhalen_split_007.htm
mooiemotorverhalen_split_008.htm
mooiemotorverhalen_split_009.htm
mooiemotorverhalen_split_010.htm
mooiemotorverhalen_split_011.htm
mooiemotorverhalen_split_012.htm
mooiemotorverhalen_split_013.htm
mooiemotorverhalen_split_014.htm
mooiemotorverhalen_split_015.htm
mooiemotorverhalen_split_016.htm
mooiemotorverhalen_split_017.htm
mooiemotorverhalen_split_018.htm
mooiemotorverhalen_split_019.htm
mooiemotorverhalen_split_020.htm
mooiemotorverhalen_split_021.htm
mooiemotorverhalen_split_022.htm
mooiemotorverhalen_split_023.htm
mooiemotorverhalen_split_024.htm
mooiemotorverhalen_split_025.htm
mooiemotorverhalen_split_026.htm
mooiemotorverhalen_split_027.htm
mooiemotorverhalen_split_028.htm
mooiemotorverhalen_split_029.htm
mooiemotorverhalen_split_030.htm
mooiemotorverhalen_split_031.htm
mooiemotorverhalen_split_032.htm
mooiemotorverhalen_split_033.htm
mooiemotorverhalen_split_034.htm
mooiemotorverhalen_split_035.htm
mooiemotorverhalen_split_036.htm
mooiemotorverhalen_split_037.htm
mooiemotorverhalen_split_038.htm
mooiemotorverhalen_split_039.htm
mooiemotorverhalen_split_040.htm
mooiemotorverhalen_split_041.htm
mooiemotorverhalen_split_042.htm
mooiemotorverhalen_split_043.htm
mooiemotorverhalen_split_044.htm
mooiemotorverhalen_split_045.htm
mooiemotorverhalen_split_046.htm
mooiemotorverhalen_split_047.htm
mooiemotorverhalen_split_048.htm
mooiemotorverhalen_split_049.htm
mooiemotorverhalen_split_050.htm
mooiemotorverhalen_split_051.htm
mooiemotorverhalen_split_052.htm
mooiemotorverhalen_split_053.htm
mooiemotorverhalen_split_054.htm
mooiemotorverhalen_split_055.htm
mooiemotorverhalen_split_056.htm
mooiemotorverhalen_split_057.htm
mooiemotorverhalen_split_058.htm
mooiemotorverhalen_split_059.htm
mooiemotorverhalen_split_060.htm
mooiemotorverhalen_split_061.htm
mooiemotorverhalen_split_062.htm
mooiemotorverhalen_split_063.htm
mooiemotorverhalen_split_064.htm
mooiemotorverhalen_split_065.htm
mooiemotorverhalen_split_066.htm