ILSA HERMANNS KLEINE
ZWARTE BOEKJE

Half augustus dacht ze naar Grande Strasse 8 te gaan voor de oude, vertrouwde remedie.

Om zichzelf op te vrolijken.

Dat was wat ze dacht.

Het was een klamme, hete dag geweest, maar voor de namiddag waren buien voorspeld. In De Laatste Menselijke Vreemdeling stond helemaal aan het eind een citaat. Liesel moest eraan denken toen ze langs de winkel van Frau Diller liep.

DE LAATSTE MENSELIJKE
VREEMDELING, PAGINA 211
De zon roert de aarde. Rond en rond, roert zij ons, als hutspot.

Op dat moment moest Liesel er alleen maar aan denken omdat het zo warm was.

In de Münchenstraat dacht zij aan wat daar de vorige week was gebeurd. Ze zag de joden weer de weg afkomen, hun rijen en hun aantal en hun pijn. Ze besloot dat er een woord aan haar citaat ontbrak.

De wereld is een lelijke hutspot, dacht ze.

Zo lelijk dat ik het gewoon niet kan verdragen.

Liesel stak de brug over de Amper over. Het water was schitterend en smaragdgroen en overvloedig. Ze kon de stenen op de bodem zien en hoorde het vertrouwde lied van water. De wereld verdiende zo’n rivier helemaal niet.

Ze liep tegen de heuvel op naar de Grande Strasse. De huizen waren prachtig en weerzinwekkend. Ze verwelkomde een pijntje in haar benen en longen. Harder lopen, dacht ze, en ze begon op te rijzen als een monster uit het zand. Ze rook het gras van deze buurt. Het was fris en zoet, groen, met gele puntjes. Zonder één keer om zich heen te kijken of ook maar het geringste spoortje paranoia liep ze de tuin door.

Het raam.

Handen op de vensterbank, benen aan weerskanten.

Neerkomende voeten.

Boeken en bladzijden en een gelukkige plek.

Ze pakte een boek van de plank en ging ermee op de grond zitten.

Is ze thuis? dacht ze, maar het kon haar niet schelen of Ilsa Hermann aardappels stond te schillen in de keuken of in het postkantoor stond. Of dat ze verbouwereerd boven haar stond mee te kijken wat het meisje zat te lezen.

Het kon het meisje gewoon niet meer schelen.

Ze zat daar een hele tijd te kijken.

Ze had haar broertje zien sterven, met één oog open, en één oog nog in een droom. Ze had afscheid genomen van haar moeder en zich voorgesteld hoe zij eenzaam op een trein zat te wachten die haar naar huis en vergetelheid zou brengen. Een vrouw van ijzerdraad was midden op straat gaan liggen en haar schreeuw was door de straat gegaan tot hij omviel, als een rollende munt die zijn evenwicht verliest. Een jonge man, opgehangen aan een touw dat gemaakt was van sneeuw uit Stalingrad. Ze had de piloot van een bommenwerper zien doodgaan in een metalen kist. Ze had gezien hoe een joodse man die haar tot twee keer toe de prachtigste bladzijden van haar leven had geschonken naar een concentratiekamp werd gevoerd. En te midden van dit alles zag ze de Führer zijn woorden schreeuwen en doorgeven.

Die beelden waren de wereld en het kookte in haar terwijl ze hier zat met al die prachtige boeken en hun verzorgd uitgevoerde titels. Het kookte in haar toen ze naar de bladzijden keek die tot aan de rand gevuld waren met alinea’s en woorden.

Rotzakken, dacht ze. Prachtige rotzakken.

Maak me niet blij. Alsjeblieft, verzadig mij niet en laat me niet denken dat hier nog iets goeds uit voort kan komen. Kijk naar mijn blauwe plekken. Kijk naar deze schaafwond. Zien jullie de schaafwond in mij? Zien jullie die voor je ogen groeien en mij uithollen? Ik wil nergens meer op hopen. Ik wil niet meer bidden dat Max nog leeft en veilig is. Of Alex Steiner.

Omdat de wereld hen niet verdient.

Ze scheurde een pagina uit het boek en scheurde hem doormidden.

En toen een heel hoofdstuk.

Algauw lag er niets anders dan flarden van woorden tussen haar benen en overal om haar heen. De woorden. Waarom moesten ze bestaan? Zonder woorden was dit allemaal niet gebeurd. Zonder woorden was de Führer helemaal niets. Geen strompelende gevangenen, geen noodzaak voor woorden of wereldse trucjes om ons een beter gevoel te geven.

Wat had je aan de woorden?

De tweede keer zei ze het hardop, tegen de oranje verlichte kamer. ‘Wat heb je aan de woorden?’

De boekendief stond op en liep zachtjes naar de deur van de bibliotheek. Hij protesteerde nauwelijks hoorbaar. De brede hal ademde houten leegheid uit.

‘Frau Hermann?’

De vraag kaatste terug en probeerde het nog een keer in de richting van de voordeur. Hij kwam maar tot halverwege en belandde zwakjes op een paar dikke houten vloerdelen.

‘Frau Hermann?’

Haar geroep werd slechts beantwoord door stilte en even kwam ze in de verleiding de keuken te zoeken, voor Rudy. Ze deed het toch maar niet. Het zou niet eerlijk zijn om voedsel te stelen van een vrouw die een woordenboek voor haar had neergezet, tegen een raam. Daar kwam bij dat ze zojuist een van haar boeken had vernietigd, bladzijde voor bladzijde, hoofdstuk voor hoofdstuk. Ze had genoeg schade aangericht.

Liesel ging de bibliotheek weer binnen en opende een van de bureauladen. Ze ging zitten.

DE LAATSTE BRIEF

Beste mevrouw Hermann,

Zoals u wel kunt zien, ben ik weer in uw bibliotheek geweest en heb ik een van uw boeken vernield. Ik was zo kwaad en zo bang en ik wilde de woorden doodmaken. Ik heb van u gestolen en nu heb ik ook nog uw eigendom gesloopt. Het spijt me. Om mijzelf te straffen, denk ik dat ik hier niet meer zal komen. Of is dat eigenlijk wel een straf? Ik houd van deze plek en ik haat hem, omdat hij gevuld is met woorden.

U bent een vriendin voor mij geweest, ook al heb ik u verdriet gedaan en ook al ben ik onuitstaanbaar (een woord dat ik heb opgezocht in uw woordenboek) geweest en ik denk dat ik u nu maar met rust ga laten. Het spijt me allemaal heel erg.

Nogmaals bedankt.

Liesel Meminger

Ze legde het briefje op het bureau en nam nog een laatste keer goed afscheid van de kamer door hem drie keer rond te lopen en haar hand over de boeken te laten glijden. Hoezeer zij ze ook haatte, ze kon er geen weerstand aan bieden. Bergen papiersnippers omringen een boek met de titel De Regels Van Tommy Hoffmann. In het zachte briesje dat door het raam naar binnen kwam, dwarrelden enkele snippers op en vielen weer neer.

Het licht was nog steeds oranje, maar had niet meer zo’n schitterende gloed als eerst. Haar handen grepen voor de laatste keer de vensterbank vast en ze voelde voor het allerlaatst haar maag omhoogkomen en de pijn in haar voeten bij het neerkomen.

Tegen de tijd dat ze onder aan de heuvel was en de brug was overgestoken, was het oranje licht verdwenen. De wolken slokten het op.

Toen ze de Himmelstraat inliep, voelde ze de eerste regendruppels al. Nu zie ik Ilsa Hermann nooit meer, dacht ze, maar de boekendief was beter in het lezen en vernielen van boeken dan in het doen van veronderstellingen.

DRIE DAGEN LATER
De vrouw heeft aangeklopt bij
nummer drieëndertig en wacht
tot er open wordt gedaan.

Het was heel vreemd voor Liesel om haar zonder de badjas te zien. Het gele zomerjurkje was afgezet met rode biesjes. Het had een zakje met een bloemetje erop. Geen swastika’s. Zwarte schoenen. Nog nooit had ze naar Ilsa Hermanns benen gekeken. Ze had benen van porselein.

‘Frau Hermann, het spijt me – wat ik laatst in de bibliotheek heb gedaan.’

De vrouw stelde haar op haar gemak. Ze opende haar tas en haalde er een klein, zwart boekje uit. Er stond geen verhaal in, alleen maar lijntjespapier. ‘Ik dacht dat je, als je mijn boeken niet meer gaat lezen, er misschien zelf wel een wilde schrijven. Je brief was…’ Ze gaf het boekje met twee handen aan Liesel. ‘Je kunt schrijven. Je schrijft erg goed.’ Het boekje was zwaar en het had een matte omslag, net als Het Schouderophalen. ‘En doe me een plezier,’ raadde Ilsa Hermann haar aan, ‘je moet jezelf niet straffen, zoals je zei dat je wilde doen. Wees niet zoals ik, Liesel.’

Het meisje sloeg het boekje open en voelde aan het papier. ‘Danke schön, Frau Hermann. Als u wilt, kan ik een kopje koffie voor u zetten. Wilt u niet even binnenkomen? Ik ben alleen thuis. Mijn mama is hiernaast, bij Frau Holtzapfel.’

‘Zullen we de deur nemen of het raam?’

Liesel vermoedde dat het de breedste glimlach was die Ilsa Hermann zichzelf in jaren had toegestaan. ‘Laten we de deur maar nemen. Dat is gemakkelijker.’

Ze gingen in de keuken zitten.

Koppen koffie en brood met jam. Praten kostte moeite en Liesel hoorde Ilsa Hermann moeizaam slikken, maar op de een of andere manier voelden ze zich toch op hun gemak. Het was zelfs wel prettig om de vrouw voorzichtig in de koffie te zien blazen.

‘Als ik ooit iets schrijf en het ook afmaak,’ zei Liesel, ‘dan kom ik het u laten zien.’

‘Dat zou ik erg fijn vinden.’

Toen de burgemeestersvrouw vertrok, keek Liesel haar nog even na. Ze keek naar haar gele jurk en haar zwarte schoenen en haar porseleinen benen.

Bij de brievenbus vroeg Rudy: ‘Was dat wie ik denk dat het was?’

‘Ja.’

‘Dat meen je niet.’

‘Ik heb een cadeautje van haar gekregen.’

Achteraf zou blijken dat Ilsa Hermann Liesel Meminger die dag niet alleen een boekje gaf. Ze gaf haar ook een reden om tijd in de kelder door te brengen – haar lievelingsplekje, eerst met Papa en daarna met Max. Ze gaf haar een reden om haar eigen woorden op te schrijven, om haar eraan te herinneren dat woorden haar ook tot leven hadden gewekt.

‘Je moet jezelf niet straffen,’ hoorde ze haar weer zeggen, maar er zouden wel degelijk straf en verdriet zijn, en ook geluk. Dat was schrijven.

’s Nachts, toen Papa en Mama lagen te slapen, sloop Liesel naar de kelder en stak de petroleumlamp aan. Eerst zat ze een uur lang alleen maar naar het potlood en het papier te kijken. Ze dwong zichzelf tot herinneren en wendde, zoals haar gewoonte was, haar blik niet af.

‘Schreib,’ droeg ze zichzelf op. ‘Schrijf.’

Na meer dan twee uur begon Liesel Meminger te schrijven, zonder te weten hoe ze dit precies ging aanpakken. Hoe kon zij weten dat iemand haar verhaal zou oprapen en overal met zich mee naartoe zou nemen?

Niemand verwacht zulke dingen.

Zoiets kun je niet plannen.

Ze gebruikte een klein verfblik als zitplaats en een grote als tafel. Toen zette Liesel het potlood op de eerste bladzijde. In het midden schreef ze het volgende:

DE BOEKENDIEF
Een verhaaltje
door
Liesel Meminger