DE VREUGDE VAN SIGARETTEN
Eind 1939 had Liesel zich aardig aangepast aan het leven in Molching. Ze had nog steeds nachtmerries over haar broertje en miste haar moeder, maar er waren nu ook fijne dingen.
Ze hield van haar papa, Hans Hubermann, en zelfs van haar pleegmoeder, ondanks het feit dat deze haar hard voor zich liet werken en de enorme scheldpartijen. Ze hield van en haatte haar beste vriend, Rudy Steiner, hetgeen volstrekt normaal was. En ze hield van het feit dat, ondanks haar blunder in de klas, haar lezen en schrijven goed vooruitgingen en dat het niet lang meer zou duren voordat ze een fatsoenlijk niveau zou hebben bereikt. Dit alles resulteerde in een bepaalde vorm van tevredenheid en zou binnen afzienbare tijd worden uitgebouwd tot iets dat het concept van Gelukkig Zijn benaderde.
DE SLEUTELS TOT GELUK
1. Het Doodgravershandboek uitlezen.
2. De toorn van Zuster Maria ontlopen.
3. Twee boeken krijgen voor kerst.
17 December.
Ze herinnerde zich die datum heel goed, want het was precies een week voor Kerstmis.
Zoals gewoonlijk werd haar slaap onderbroken door haar nachtelijk terugkerende nachtmerrie en werd zij wakker gemaakt door Hans Hubermann. Zijn hand lag op de zweterige stof van haar pyjamajasje. ‘De trein?’ fluisterde hij.
Liesel antwoordde bevestigend. ‘De trein.’
Ze zoog gretig haar longen vol totdat ze er klaar voor was en vervolgens begonnen zij te lezen uit het elfde hoofdstuk van Het Doodgravershandboek. Even na drieën hadden zij het uit en resteerde alleen nog het laatste hoofdstuk, ‘Respect voor het kerkhof ’. Papa, zijn zilveren ogen gezwollen van vermoeidheid en zijn gezicht vol baardstoppels, klapte het boek dicht en verheugde zich op de rest van zijn nachtrust. Die kreeg hij niet.
Het licht was nog maar een minuutje uit toen Liesel in het donker tegen hem begon te praten.
‘Papa?’
Hij maakte alleen een geluidje, ergens in zijn keel.
‘Bent u wakker, Papa?’
‘Ja.’
Ze leunde op een elleboog. ‘Kunnen we het boek niet uitlezen, alstublieft?’
Er volgde een diepe zucht, het geschraap van een hand over stoppels, en toen ging het licht aan. Hij sloeg het boek open en begon. ‘Hoofdstuk twaalf: Respect voor het kerkhof.’
Ze lazen de hele vroege ochtend door, omcirkelden en noteerden de woorden die zij niet begreep en draaiden de pagina’s naar het daglicht. Een paar keer viel Papa bijna in slaap, zich overgevend aan de kriebelige vermoeidheid in zijn ogen en het knikkebollen van zijn hoofd. Liesel betrapte hem elke keer, maar bezat noch de onbaatzuchtigheid om hem zijn rust te gunnen, noch de notie om zich beledigd te voelen. Zij was een meisje met een berg om te beklimmen.
Uiteindelijk, toen de duisternis buiten een beetje begon open te trekken, waren ze klaar. De laatste passage zag er zo uit:
Wij van de Beierse Kerkhoven Associatie, hopen dat wij u op een aangename manier iets meer hebben kunnen vertellen over het werk, de veiligheidsmaatregelen en de taken van het grafdelven. Wij wensen u veel succes met uw carrière in het begrafeniswezen en hopen u met dit boek van dienst te zijn geweest.
Toen het boek was dichtgeslagen, wierpen zij elkaar een zijdelingse blik toe. Papa zei: ‘Het is ons gelukt, wat jij?’
Liesel, half in haar deken gewikkeld, bekeek het zwarte boekje met de zilveren belettering in haar hand. Ze knikte. Ze had een droge mond en een gevoel van vroege-ochtendhonger. Het was een moment van volmaakte vermoeidheid; ze had de klus geklaard, maar ook de nacht overwonnen die haar in de weg had gestaan.
Papa rekte zich met gebalde vuisten en stijf dichtgeknepen ogen uit, en het was een ochtend die het niet waagde om regenachtig te zijn. Ze stonden allebei op en gingen naar de keuken en door de mist en de ijsbloemen op de ruiten konden zij het eerste roze licht op de besneeuwde daken van de Himmelstraat zien schijnen.
‘Moet je die kleuren zien,’ zei Papa. Een man die niet alleen de kleuren ziet, maar ze ook uitspreekt, moet je bijna wel lief vinden.
Liesel hield nog steeds het boek in haar handen. Ze klemde het stevig vast terwijl ze de sneeuw oranje zag kleuren. Op een van de daken zag ze een kleine jongen naar de lucht zitten kijken. ‘Hij heette Werner,’ zei ze. De woorden rolden ongemerkt van haar lippen.
Papa zei: ‘Ja.’
Inmiddels waren er op school geen leestoetsen meer geweest, maar toen Liesel steeds meer zelfvertrouwen begon te krijgen had ze op een ochtend, voordat de les begon, wel een achtergelaten lesboek ingekeken, om te zien of ze dat zonder moeite kon lezen. Ze kon elk woord lezen, maar ze bleef steken in een veel trager leestempo dan haar klasgenoten. Het is veel gemakkelijker, zo realiseerde zij zich, om je op de rand van iets te bevinden, dan om er daadwerkelijk te zijn. Dit ging nog heel wat tijd vergen.
Op een middag kwam ze in de verleiding een boek uit de boekenkast in de klas te stelen, maar eerlijk gezegd was het vooruitzicht van een Watschen op de gang onder de handen van Zuster Maria een adequaat afschrikmiddel. Daar kwam bij dat ze niet echt de behoefte voelde om de boeken van school mee te nemen. Waarschijnlijk was haar afgang in november de oorzaak van dit gebrek aan belangstelling, maar dat wist Liesel niet zeker. Ze wist alleen dat het er was.
In de klas deed ze haar mond niet open.
Ze keek niet eens de verkeerde kant op.
Toen de winter inviel, was zij niet langer een slachtoffer van Zuster Maria’s frustraties, maar keek zij toe hoe anderen werden meegetroond naar de gang om daar hun gerechte straf in ontvangst te nemen. Het geluid van een andere leerling die het moeilijk had op de gang was niet bijzonder aangenaam, maar het feit dat het iemand anders was, was dan misschien geen troost, maar wel een opluchting.
Toen ze een paar dagen vrij kregen voor Weihnachten, bedacht Liesel bij het naar huis gaan Zuster Maria zelfs met een ‘Vrolijk Kerstfeest’. Omdat ze wist dat de Hubermanns praktisch geen cent bezaten, nog schulden moesten afbetalen en sneller huur moesten betalen dan er geld binnen kon komen, verwachtte ze absoluut geen cadeautjes. Misschien dat ze hooguit iets beter zouden eten dan gewoonlijk. Groot was dan ook haar verrassing toen ze op kerstavond, nadat ze om middernacht samen met Mama, Papa, Hans Junior en Trudy naar de kerk was geweest, een in kranten gewikkeld pakje onder de kerstboom zag liggen.
‘Van Sint Nicolaas,’ zei Papa, maar daar trapte het meisje natuurlijk niet in. Met de sneeuw nog op haar schouders, omhelsde ze haar beide pleegouders.
Toen ze het papier eraf haalde, kwamen er twee kleine boekjes tevoorschijn. Het eerste, Faust de Hond, was geschreven door ene Mattheus Ottleberg. Al met al zou ze dat boek dertien keer lezen. Op kerstavond las ze de eerste twintig pagina’s aan de keukentafel, terwijl Papa en Hans Junior over iets zaten te ruziën waar zij niets van begreep. Iets dat ze politiek noemden.
Later lazen ze verder in bed, waarbij ze de traditie in stand hielden om de woorden die zij niet kende te omcirkelen en op te schrijven. In Faust de Hond stonden ook plaatjes – mooie ronde lijnen en oren en karikaturen van een Duitse herder die een probleem had met zijn speekselklieren en kon praten.
Het tweede boek heette De Vuurtoren en was geschreven door een vrouw, Ingrid Rippinstein. Dit boek was wat langer, zodat Liesel het slechts negen keer kon lezen, maar elke keer wanneer ze het uit had, was haar leestempo weer een klein beetje verbeterd.
Het was een paar dagen na Kerstmis dat ze haar papa een vraag stelde over de boeken. Ze zaten met z’n allen te eten in de keuken. Nadat ze een tijdje naar de lepels erwtensoep had zitten kijken die in Mama’s mond verdwenen, besloot ze haar aandacht op Papa te richten. ‘Ik wil graag iets vragen.’
Eerst gebeurde er niets.
‘En?’
Het was Mama, haar mond nog halfvol.
‘Ik wilde alleen weten hoe jullie aan het geld zijn gekomen om mijn boeken te kopen.’
Er ging een kort lachje naar Papa’s lepel. ‘Wil je dat werkelijk weten?’
‘Natuurlijk.’
Uit zijn zak haalde Papa wat er nog over was van zijn tabaksrantsoen en begon een sigaret te rollen, waarop Liesel ongeduldig werd.
‘Gaat u het nu nog vertellen of niet?’
Papa begon te lachen. ‘Maar dat doe ik juist, kindje.’ Hij maakte de eerste sigaret af, gooide hem op tafel en begon aan een nieuwe. ‘Zo heb ik het gedaan.’
Op dat moment was Mama klaar met haar soep, gooide haar lepel in haar bord, onderdrukte een boer en antwoordde in zijn plaats. ‘Die Saukerl,’ zei ze. ‘Weet je wat hij heeft gedaan? Hij heeft al die smerige sigaretten van hem gerold, en toen is hij naar de markt gegaan en heeft ze geruild met de een of andere zigeuner.’
‘Acht sigaretten per boek.’ Triomfantelijk nam Papa er een in zijn mond. Hij stak hem aan en inhaleerde de rook. ‘Laten we God danken dat er sigaretten zijn, hè, Mama?’
Mama gaf hem alleen een van haar bekende afkeurende blikken, gevolgd door het meest gebruikte woord in haar vocabulaire: ‘Saukerl.’
Liesel wisselde een knipoog met haar papa en at haar soep op. Zoals altijd lag een van haar boeken naast haar. Ze kon niet ontkennen dat het antwoord op haar vraag meer dan bevredigend was. Er waren niet veel mensen die konden zeggen dat hun opleiding was bekostigd met sigaretten.
Mama daarentegen, zei dat Hans Hubermann, als hij ook maar een knip voor zijn neus waard was, zijn tabak hoorde in te ruilen voor de nieuwe jurk die zij zo hard nodig had, of een paar goede schoenen. ‘Maar nee hoor…’ Ze goot de woorden in de gootsteen. ‘Wanneer het om mij gaat, rook je liever je hele rantsoen op, of niet soms? Plus nog wat van hiernaast.’
Een paar avonden later echter, kwam Hans Hubermann thuis met een doos eieren. ‘Sorry, Mama.’ Hij zette ze op tafel. ’Ze hadden geen schoenen meer.’
Mama klaagde niet.
Ze neuriede zelfs wat voor zich uit terwijl ze de eieren bakte tot ze bijna zwart waren. Kennelijk waren sigaretten een bron van grote vreugde en het was een gelukkig moment in het huis van de Hubermanns.